U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Zorg›Ziekenhuiszorg›Ziekenhuiszorg: Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?
Ziekenhuisopname komt meer voor onder laagopgeleiden dan hoogopgeleiden, maar als rekening gehouden wordt met verschillen in gezondheid, verdwijnt dit verschil. Van de laagopgeleiden (lagere school) werd in 2007 11% in het ziekenhuis opgenomen (ten minste voor één nacht) en van de hoogopgeleiden was dat 5% (zie figuur 1). Wanneer echter rekening gehouden wordt met verschillen in ervaren gezondheid, zijn er geen significante verschillen in ziekenhuisopnamen tussen opleidingsniveaus (zie ook: Ervaren gezondheid: zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?). Ook bij mannen en vrouwen apart en bij afzonderlijke leeftijdsgroepen bestaan er geen verschillen in ziekenhuisopname tussen laag- en hoogopgeleiden (zie: Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd).
De verschillen in ziekenhuisopnamen tussen opleidingsniveaus zijn in de periode 1990-2007 stabiel gebleven (zie figuur 2 en Achtergrondgegevens bij trends in sociaaleconomische verschillen).
Het opleidingsniveau is hier als indicator gebruikt voor de sociaaleconomische status van mensen (zie ook: Wat is sociaaleconomische status? en Beschrijving opleidingscategorieën).
Figuur 1: Percentage mensen in de bevolking van 25 jaar en ouder dat in 2007 opgenomen werd in het ziekenhuis (ten minste 1 keer per jaar), naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007) a.
a Relative index of inequality (RII), gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en ervaren gezondheid: 1,12 (95%-bi: 0,8-1,6). Betekenis RII > 1: onder laagopgeleiden meer opnamen dan onder hoogopgeleiden; RII < 1: onder hoogopgeleiden meer opnamen.
Figuur 2: Percentage mensen in de bevolking van 25 jaar en ouder dat opgenomen werd in het ziekenhuis (ten minste 1 keer per jaar) in de periode 1990-2007, naar hoogst voltooid opleidingsniveau (3-jaar voortschrijdend gemiddelde) a; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007) b.
a De prevalentiecijfers in figuur 2 zijn 3-jaar voortschrijdende gemiddelden. Het prevalentiecijfer van 2007 uit figuur 2 wijkt daardoor af van het prevalentiecijfer in figuur 1.
b Trend in RII (gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en ervaren gezondheid): 0,99 (95%-bi: 0,99-1,00). Betekenis: RII > 1: toename in opleidingsverschillen in de periode 1990-2007, RII < 1: afname in opleidingsverschillen.
Het gebruik van medisch-specialistische zorg ligt hoger onder laagopgeleiden dan hoogopgeleiden, maar als rekening gehouden wordt met verschillen in gezondheid, verdwijnt dit verschil. Het percentage mensen dat in 2007 aangaf de afgelopen twee maanden contact te hebben gehad met een specialist is hoger onder laagopgeleiden (24%) dan onder hoogopgeleiden (18%) (zie figuur 3). Wanneer gecorrigeerd wordt voor ervaren gezondheid zijn er geen significante verschillen in contact met de specialist tussen opleidingsniveaus (zie ook: Ervaren gezondheid: zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?). Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Ook bij de vier onderscheiden leeftijdscategorieën afzonderlijk bestaan geen significante verschillen in de mate van contact met de specialist tussen laag- en hoogopgeleiden (zie: Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd).
Zoals in figuur 4 zichtbaar is, zijn de verschillen in gebruik van medisch-specialistische zorg tussen opleidingsniveaus in de periode 1990-2007 stabiel gebleven (zie: Achtergrondgegevens bij trends in sociaaleconomische verschillen).
Het opleidingsniveau is hier als indicator gebruikt voor de sociaaleconomische status van mensen (zie ook: Opleidingsniveau als indicator voor sociaaleconomische status en Beschrijving opleidingscategorieën).
Figuur 3: Percentage mensen in de bevolking van 25 jaar en ouder dat in 2007 contact had met een medisch-specialist (ten minste 1 keer in 2 maanden), naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007) a.
Figuur 2: Percentage mensen in de bevolking van 25 jaar en ouder dat contact had met een medisch-specialist (ten minste 1 keer in 2 maanden), in de periode 1990-2007, naar hoogst voltooid opleidingsniveau (3-jaar voortschrijdend gemiddelde) a; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007) b.
Naar boven