U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Zorg›Trends in zorggebruik en arbeidsmarkt
Het aanbod van zorg is de afgelopen decennia dus toegenomen, waarbij er tegelijkertijd sprake is van specialisatie (Luijben & Kommer, 2010). Of hiermee ook evenredig veel patiënten zijn geholpen, hangt af een aantal factoren. Deze vraag kan slechts deels beantwoord worden (zie tabel 1). Deze tabel laat het percentage inwoners zien dat gebruikmaakt van een bepaald zorgaanbod. Nadere analyses op deze cijfers geven inzicht in de trends. Er zijn aanzienlijke verschillen in zorggebruik. Zo is het bezoek aan de huisarts vrij stabiel: rond 70% van de inwoners van Nederland had jaarlijks contact met de huisarts. Het bezoek aan de specialist vertoont een licht stijgende trend, het bezoek aan de tandarts en het gebruik van medicijnen heeft een sterk stijgende trend. Een uitzonderlijke groei is te zien bij de fysiotherapie en het gebruik van geneesmiddelen zonder recept: sinds 1960 is het gebruik van fysiotherapie meer dan verdrievoudigd, het gebruik van geneesmiddelen zonder recept groeide sindsdien met een factor 2,5. De gemiddelde groei van het zorggebruik volgens deze tabel is 1,5%, zodat geconcludeerd kan worden dat de zorg intensiever is geworden.
Tabel 1: Trends in zelfgerapporteerde gebruik van medische voorzieningen: percentage mensen in de bevolking dat gebruikmaakt van de zorg (Bron: CBS: Gezondheidsenquête, vanaf 1997: POLS, gezondheid en welzijn).
Sector
1981
1985
1990
1995
2000
2005
2008
Huisarts
69,3
71,9
75,4
75,2
75,6
73,1
73,3
Specialist
35,7
37,5
41
38,9
38
40
41,2
Tandarts
60,9
67,2
71,3
74,6
78,2
77,9
78,3
Fysiotherapeut
6,6
9,7
14,3
13,6
16,2
16,8
20
Ziekenhuisopnamen (klinisch)
6,8
6,9
7
6,5
5,6
6,3
Medicijngebruik
-
28,1
29,8
33,2
33,8
37,1
39,6
In de AWBZ is er een ontwikkeling naar meer extramurale zorg. Dat is te zien in de gehandicaptenzorg, waar in de periode 2000-2007 een relatief lage groei geweest was van de intensieve zorgvorm met verblijf (gemiddeld 2,6% groei per jaar) en een veel hogere groei (15,6%) voor de zorg zonder verblijf (CBS, 2008f). Deze cijfers zijn sterk beïnvloed door de inzet van wachtlijstmiddelen en de groei van het aantal persoonsgebonden budgetten. In 2007 concludeerde het CBS een soortgelijke ontwikkeling voor de ouderenzorg (CBS, 2007d). Voor die sector is er een duidelijke verschuiving van de zorg met verblijf in verzorgings- en verpleegtehuizen naar de extramurale zorg. Het zorgvolume voor de extramurale zorg steeg in deze periode met gemiddeld bijna 10% per jaar, terwijl het volume van verpleeg- en verzorgingshuizen met 2% per jaar steeg. Deze stijging is groter dan de stijging van het aantal gebruikers en het CBS concludeert daarom dat de zorg in deze sector intensiever is geworden (Luijben & Kommer, 2010).
De intensivering van de ziekenhuiszorg in de afgelopen decennia blijkt uit een aantal ontwikkelingen (CBS, 2008f). In de periode 1981-2005 is de gemiddelde ligduur voor klinische opnamen afgenomen van veertien tot zeven dagen. De sterkste daling deed zich voor bij de ouderen. Tegelijkertijd is het aantal ziekenhuisopnamen met 60% toegenomen, voornamelijk door een explosieve stijging van het aantal dagopnamen. Door een ontwikkeling in technologie kunnen bepaalde klachten waar vroeger een klinische opname voor nodig was, nu met een dagbehandeling worden behandeld. Voorbeelden zijn staaroperaties en behandelingen voor aandoeningen aan de huid. Zie ook: Voor welke ziekten en aandoeningen wordt ziekenhuiszorg veel gebruikt?
Naar boven
Een groot deel van de groei van het zorggebruik wordt mogelijk gemaakt door de inzet van extra arbeid (Luijben & Kommer, 2010). Dit heeft geleid tot een grote expansie van de werkgelegenheid: in 1970 waren er 320.000 arbeidsjaren in zorg en welzijn, gelijk aan 6,5% van de totale Nederlandse werkgelegenheid. Anno 2008 waren dat er 866.000, goed voor bijna 13% van de totale werkgelegenheid (zie tabel 3). Daarbij bestaat een groot verschil tussen mannen en vrouwen. Het aandeel mannen in de zorg groeit iets, maar in 2008 vonden mannen minder dan 5% werkgelegenheid in de zorg. Bij vrouwen is de zorg echter goed voor maar liefst 37% van de werkgelegenheid. Die verschillen hebben ook op macro-schaal gevolgen: zorg is één van de weinige groeisectoren in de Nederlandse economie. Het CBS noemde de zorg de ‘banenmotor van Nederland’ (CBS, 2008f). Door deze groei is de werkgelegenheid voor vrouwen in Nederland nog steeds stabiel, terwijl in 2009 bij mannen de werkloosheid fors begint op te lopen.
Waar de groei van het zorggebruik een gegeven lijkt, kan dit voor de groei van de arbeidsinzet niet het geval zijn. Knelpunten zullen in de toekomst naar verwachting vooral optreden bij functies die door vrouwen worden vervuld (Luijben & Kommer, 2010). Voor recente jaren zijn door het CBS meer kengetallen over de aard van de werkgelegenheid in de zorg verzameld. Deze kengetallen geven meer inzicht in waar problemen zouden kunnen ontstaan. Qua leeftijdsopbouw wijkt de zorg niet sterk af van de gehele arbeidsmarkt, met een lichte oververtegenwoordiging van de groep 35-54 jaar. Wel is de zorg een relatief hoogwaardige arbeidsmarkt; het aandeel laaggeschoolden ligt fors onder het Nederlandse gemiddelde, het aandeel hoogopgeleiden juist er fors boven. Qua werkgebied springt ouderenzorg eruit met maar liefst 27,2% van de werkgelegenheid, gevolgd door ziekenhuizen met 23,1%.
Tabel 2: Ontwikkeling van de inzet van arbeid in zorg en welzijn voor Nederland over de periode 1970-2008 (Luijben & Kommer, 2010).
Aandeel in totale werkgelegenheid (%)
Arbeidsjaren zorg (x 1.000)
Mannen
Vrouwen
Mannen en vrouwen
1970
320
1980
470
9,1
531
3,5
30,9
9,6
677
4
35
10,4
866
4,6
37,2
12,7