Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Verloskundige zorg
Terreinbeschrijving

Wat is verloskundige zorg?

Beroepsgroepen verloskundige zorg Verloskundige zorg is deel van keten

Verloskundige zorg bestaat uit prenatale, natale en postnatale zorg

Onder verloskundige zorg wordt de zorg verstaan die plaatsvindt vanaf het begin van de zwangerschap (prenatale zorg) tot en met de bevalling (natale zorg) en het kraambed (postnatale zorg) (IGZ, 1997). Zorg vóór de conceptie (preconceptiezorg), als nieuw onderdeel van de verloskundige zorg, is nog volop in ontwikkeling (zie Verloskundige zorg is deel van keten).

Er wordt onderscheid gemaakt naar eerstelijns- en tweedelijnszorg. De eerstelijns aanbieders van verloskundige zorg, een verloskundige of een huisarts actief op het gebied van verloskunde, nemen de begeleiding van normaal verlopende zwangerschappen en bevallingen voor hun rekening. Wanneer uit de risicoselectie door de eerstelijns zorgverlener blijkt dat er een verhoogd risico bestaat op complicaties tijdens zwangerschap, bevalling en kraamperiode draagt deze de begeleiding over aan de tweedelijns zorgverlener (vooral gynaecoloog en kinderarts) (CVZ, 2003e).

De zorg voor ernstig zieke zwangeren, pasgeborenen en kraamvrouwen met specifieke en ernstige problematiek vindt plaats in een perinatologisch centrum. In deze derdelijnscentra kan zo nodig intensieve zorg geboden worden aan vrouwen of op de Neonatale Intensive Care Unit aan pasgeborenen (IGZ, 2007; NVOG, 2007a). Verspreid over Nederland zijn tien van deze centra (zie ook: atlasLocaties NICU)

Thuis bevallen of in het ziekenhuis

Vrouwen met een normaal verlopende zwangerschap, zonder complicaties, hebben in Nederland de keuze tussen een bevalling thuis of in het ziekenhuis (de poliklinische bevalling). Nederland is één van de weinige westerse landen waar deze keuze gemaakt kan worden. Deze keuze is gebaseerd op de visie dat zwangerschap, bevalling en kraamperiode in beginsel fysiologische gebeurtenissen zijn (CVZ, 2003e), waarbij onnodige medicalisering voorkomen moet worden. Voor de gezondheid van moeder en kind is er bij een normaal verlopen zwangerschap geen verschil tussen een ziekenhuisbevalling en een thuisbevalling (Wiegers et al., 1996; Hodnett et al., 2005).


Beroepsgroepen verloskundige zorg

Verschillende beroepsgroepen betrokken bij verloskundige zorg

Verloskundigen, gynaecologen en verloskundig actieve huisartsen verlenen zelfstandig prenatale, natale en postnatale zorg. Bij de postnatale zorg zijn ook kinderartsen en kraamverzorgenden betrokken. Anaesthesiologische en operatieve faciliteiten die nodig kunnen zijn, worden hier niet nader uitgewerkt.

Verloskundigen

Verloskundigen begeleiden en controleren vrouwen tijdens hun zwangerschap, bevalling en kraambed.

Er is een onderscheid tussen eerstelijns en tweedelijns oftewel klinisch verloskundigen. De eerstelijns verloskundigen begeleiden normaal verlopende zwangerschappen en bevallingen (Liefhebber et al., 2005). De tweedelijns verloskundigen werken in ziekenhuizen onder verantwoordelijkheid van de gynaecoloog (NVOG, 2001). Het merendeel van de verloskundigen is werkzaam in de eerste lijn, maar de laatste jaren stijgt het percentage klinisch verloskundigen (Hingstman & Kenens, 2007b). Dit sluit aan bij het advies van de Stuurgroep Modernisering Verloskunde over continue aanwezigheid op de verloskamers van een klinisch verloskundige die daartoe aanvullend is opgeleid (Stuurgroep Modernisering Verloskunde, 2000). Hun aandeel in de verloskundige zorg maakt deel uit van het aandeel in de zorg verleend door gynaecologen.

Gynaecologen

Gynaecologen zijn verantwoordelijk voor de begeleiding en controle van vrouwen met een verhoogd risico op complicaties tijdens de zwangerschap en/of bevalling. Dit zijn soms risico's die vooraf bekend zijn, zoals bij vrouwen die lijden aan diabetes. Sommige risico's voor vrouwen of hun ongeboren kinderen ontstaan tijdens zwangerschap of bevalling, zoals een kind in stuitligging. Als de gynaecoloog de bevalling begeleidt, vindt deze altijd in het ziekenhuis plaats. Na de bevalling worden de meeste vrouwen voor verdere begeleiding in het kraambed thuis (terug)verwezen naar de verloskundige of de huisarts actief op het gebied van verloskunde.

Huisartsen

Naast verloskundigen en gynaecologen zijn huisartsen voor een klein deel betrokken bij de verloskundige zorg. Het percentage huisartsen dat verloskundige zorg verleent, neemt steeds verder af. In 2002 begeleidde 6% van de huisartsen bevallingen, terwijl dit percentage in 2000 nog 11% bedroeg.

In 2003 verwachtte één op de drie van de verloskundig actieve huisartsen binnen vijf jaar te zullen stoppen met het begeleiden van bevallingen (Wiegers, 2003).

Huisartsen ervaren de verloskunde steeds vaker als een last. Het vraagt voortdurende bereikbaarheid, die niet of moeilijk te combineren is met een waarneem- of dienstenregeling. Daarnaast speelt mee dat er onvoldoende aandacht is voor verloskunde in de opleiding en dat huisartsen onvoldoende ervaring kunnen opdoen (Lammers, 2004).

Kinderartsen

Kinderartsen leveren neonatale zorg, oftewel zorg aan de pasgeborene. Voor het goed functioneren van tweedelijns verloskundige zorg moet continu een beroep gedaan kunnen worden op een kinderarts (Stuurgroep Modernisering Verloskunde, 2000). Deze zorg is nodig voor die situaties waarin zich tijdens of vlak na de bevalling problemen voordoen waarvoor directe zorg door een kinderarts nodig is.

Kraamverzorgenden

De kraamverzorgende assisteert de verloskundige of huisarts bij bevallingen thuis en soms bij poliklinische bevallingen.

Alle vrouwen die een (deel van) van het kraambed thuis doorbrengen, krijgen kraamzorg, ongeacht de plaats van de bevalling. In de eerste week na de bevalling begeleidt de kraamverzorgende de kraamvrouw. Zij zorgt voor moeder en kind, geeft voorlichting, beantwoordt vragen, signaleert eventuele problemen. Zonodig waarschuwt zij de verloskundige of huisarts die verantwoordelijk is voor de medische zorg aan de kraamvrouw (zie ook Kraamzorg).

Eind 2005 is een Landelijk Indicatie Protocol kraamzorg ontwikkeld, dat bedoeld is om aan alle gezinnen met pasgeborenen passende zorg te kunnen bieden (Expertgroep LIP, 2008).

Naar boven


Verloskundige zorg is deel van keten

Goede start met zorg voor de conceptie

Kennis over leefstijl en een medische voorgeschiedenis van de man of vrouw en eventuele aanpassing van gedrag of leefgewoonten is al belangrijk vóórdat een vrouw zwanger is of zich bewust is van haar zwangerschap. De eerste weken van de zwangerschap, tussen dag 17 en 56 na de bevruchting, zijn bijvoorbeeld een belangrijke fase omdat hierin de organen van het kind en placenta worden aangelegd (Wildschut et al., 2006).

Preconceptiezorg, dat wil zeggen zorg vóór de conceptie, is bedoeld om de omstandigheden voor een goede uitkomst van de zwangerschap zo gunstig mogelijk te maken en risicofactoren die al vóór de bevruchting bekend zijn, te verminderen. Verlaging van de kans op erfelijke en aangeboren aandoeningen en vermindering van ziekte of sterfte bij moeder en kind zijn specifieke doelen van preconceptiezorg (Wildschut et al., 2006) (zie ook: Preventie in de preconceptionele periode).

Bijna alle kinderen worden gezien door JGZ

Gemiddeld 95% van alle kinderen in de doelgroep van Jeugdgezondheidszorg (in leeftijdklasse van 0-25 jaar) maakt ook gebruik van deze zorg (zie ook: Preventie gericht op de jeugd).

Enkele dagen na de geboorte wordt het eerste contact gelegd tijdens een huisbezoek voor de hielprik (zie ook: website RIVM over de hielprik) en de neonatale gehoorscreening (zie ook: website RIVM over de gehoorscreening). Enkele weken later volgt een eerste bezoek aan het consultatiebureau. Hier draagt de JGZ-zorgverlener zorg voor voorlichting, advies, vaccinatie en monitoring van de gezondheid van de zuigeling (zie ook: Jeugdgezondheidszorg).

Medische mogelijkheden bij vruchtbaarheidsproblemen

Sinds 1983 zijn er meerdere medische ingrepen mogelijk in geval van vruchtbaarheidsproblemen. Voorbeelden zijn hormoonbehandeling, ingrepen aan de eierstokken, het inbrengen van sperma in de baarmoeder (IUI, intra-uteriene inseminatie) en 'reageerbuisbevruchting' (IVF, in vitro fertilisatie). Ongeveer 10-15% van alle paren met een zwangerschapswens zoekt specialistische zorg wanneer het niet lukt om zwanger te worden (jaarlijks 20.000-40.000 paren). Een deel van hen raakt alsnog zwanger zonder medische behandeling (Jansen et al., 2006).

In afgelopen tien jaar relatief meer baby's na vruchtbaarheidsbehandeling geboren

Bij ongeveer de helft van de paren met een zwangerschapswens die specialistische zorg zoeken, komt een zwangerschap tot stand. Het percentage pasgeborenen geboren na IVF-, ICSI- of cryopreservatie (invriezen van embryo's) is sinds 1996 gegroeid van 1 op de 77 pasgeborenen naar 1 op de 43 in 2005 (Kremer et al., 2008). Zie ook IVF-centra in 2009.

Vruchtbaarheidsbehandelingen zijn steeds effectiever geworden en leiden vaker tot zwangerschappen dan voorheen, maar blijven emotioneel en lichamelijk belastend voor vrouwen en hun partners. Hormoonstimulatie en de terugplaatsing van meer dan één embryo bij IVF verhogen de kans op een meerlingzwangerschap. Dit verhoogt het risico op vroeggeboorte (zie ook: Vroeggeboorten), ernstige handicaps en perinatale sterfte (zie ook: Sterfte rond de geboorte).

De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) heeft besloten om haar richtlijnen aan te passen en minder vaak twee of meer embryo’s terug te plaatsen (Jansen et al., 2006). Het aandeel meerlingzwangerschappen na IVF is gedaald van bijna 21% in 2004 naar 15% in 2006 (NVOG, 2007a).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • CVZ, College voor Zorgverzekeringen.Verloskundig Vademecum. Diemen: CVZ, 2003e.
  • Expertgroep LIP. Landelijk Indicatieprotocol Kraamzorg. Instrument voor toekenning van kraamzorg: Partusassistentie en kraamzorg gedurende de kraamperiode (versie maart). Expertgroep LIP,2008.
  • Hingstman L, Kenens RJ. Cijfers uit de registratie van verloskundigen - peiling 2007. Utrecht: NIVEL,2007b.
  • Hodnett ED, Downe S, Edwards N, Walsh D.Home-like versus conventional institutional settings for birth. Birth, 2005; 32(2): 151.
  • IGZ, Inspectie voor de Gezondheidszorg.Staat van de gezondheidszorg, een rapportage over kwaliteit en toegankelijkheid in de zorg. Den Haag: Sdu Uitgeverij, 1997.
  • IGZ, Inspectie voor de Gezondheidszorg.Het resultaat telt 2006. Prestatie-indicatoren als onafhankelijke graadmeter voor de kwaliteit van in ziekenhuizen verleende zorg. Den Haag: IGZ, 2007.
  • Jansen CW, Kammen J van, Bonsel GJ, Kremer JAM, Evers JLH, Wladimiroff JW.Wetenschappelijke basis voor vruchtbaarheidszorg: paraplustudie overbrugt de kloof tussen kennis en beleid. Medisch Contact, 2006; 61(19): 779-82.
  • Kremer JA, Bots RS, Cohlen B, Crooij M, Dop PA van, Jansen CA, et al.Tien jaar resultaten van in-vitrofertilisatie in Nederland, 1996-2005. Ned Tijdschr Geneeskd, 2008; 152(3): 146-52.
  • Lammers E.Als huisarts ken je de zwangere al: huisartsen begeleiden nog altijd 5% van alle bevallingen in Nederland. De huisarts in Nederland, 2004; 15(6): 32-33.
  • Liefhebber S, Dam C van, Waelput AJM. Beroepsprofiel verloskundige. Bilthoven: KNOV,2005.
  • NVOG, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie.Nota inzake organisatie klinisch verloskundige zorg; de tweedelijns verloskundige. Utrecht, 2001.
  • NVOG, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie.Nota Verwijzing naar een perinatologisch centrum. Utrecht: NVOG, 2007a.
  • Stuurgroep Modernisering Verloskunde.Eindrapportage Stuurgroep Modernisering Verloskunde. Bilthoven: Stuurgroep modernisering verloskunde, 2000.
  • Wiegers TA, Keirse MJ, Zee J van der, Berghs GA.Outcome of planned home and planned horpital births in low risk pregnancies: prospective study in midwifery practices in the Netherlands. BMJ 1996; 313: 1309-13.
  • Wiegers TA.Steeds minder huisartsen verloskundig actief. Huisarts Wet, 2003; 46(8): 432-4.
  • Wildschut HI, Vliet-Lachotzki EH van, Boon BM, Lie Fong S, Landkroon AP, Steegers EA.Preconceptiezorg: een onlosmakelijk onderdeel van de zorg voor moeder en kind. Ned Tijdschr Geneeskd, 2006; 150(24): 1326-30.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

DM
Diabetes Mellitus
Suikerziekte.
ICSI
Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie
IVF-behandeling waarbij één enkele zaadcel wordt geselecteerd en rechtstreeks in de eicel wordt geïnjecteerd.
IVF
In Vitro Fertilisatie
Methode waarbij eicellen, door middel van een punctie uit de eierstokken van de vrouw worden gehaald en buiten het lichaam worden bevrucht (reageerbuisbevruchting). Daarna worden de bevruchte eicellen in de baarmoeder geplaatst met als doel een zwangerschap tot stand te brengen.

Definities

Eerstelijnszorg
O.a. huisartsenzorg, tandheelkundige zorg, paramedische zorg, verloskundigenpraktijken, algemeen maatschappelijk werk, eerstelijnspsychologen.
Tweedelijnszorg
O.a. ziekenhuiszorg en tweedelijns ggz.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.