Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Rijksvaccinatieprogramma (RVP)
Bereik en effectiviteit

RVP: Welke factoren beïnvloeden de effectiviteit?

Vaccinatiebereidheid onder ouders is hoog

De vaccinatiebereidheid van ouders is bepalend voor de vaccinatiegraad. Bijna alle ouders zijn bereid om hun jonge kinderen te laten vaccineren door het RVP. Dit is de conclusie van een onderzoek onder ongeveer 500 ouders van jonge kinderen (Paulussen et al., 2000). In hoeverre ouders bereid zijn, blijkt onder meer te worden bepaald door:

  • het risico dat ouders inschatten op de ernst en complicaties van de infectieziekte wanneer ongevaccineerde kinderen de ziekte oplopen
  • de spijt die ouders denken te hebben wanneer kinderen die niet zijn ingeënt later de ziekten krijgen
  • de waargenomen betrouwbaarheid en veiligheid van vaccins.

De ouders uit dit onderzoek wensen vooral verbetering in de voorlichting over de bijwerkingen van vaccins, het voorkómen of beperken van reacties van een kind op een inenting, de beschermingsduur, de kosten van vaccineren en de risico's van niet vaccineren.

Goede bewaking van bijwerkingen van belang voor vertrouwen

Wanneer bij kinderen na vaccinatie klachten of bijverschijnselen optreden, roept dit bij de ouders soms vragen op over de veiligheid van de vaccins. Deze vragen kunnen leiden tot onrust en vervolgens de motivatie van ouders in de weg staan voor vervolgvaccinaties. Zorgvuldige registratie en onderzoek van elke mogelijke bijwerking is dan ook een cruciaal onderdeel van de programmabewaking; het draagt bij aan het vertrouwen in het RVP. Deze registratie heeft, samen met wetenschappelijk onderzoek en internationale samenwerking, inmiddels veel kennis opgeleverd over de mogelijke bijwerkingen. Uit de gegevens van de bijwerkingenregistratie van de afgelopen jaren komt naar voren dat door het beperkt aantal gemelde bijwerkingen het RVP een veilig programma is (Van der Maas et al., 2007).

Bezwaar tegen inenten onder aantal groepen in samenleving

Een aantal groepen in de samenleving staat kritisch tegenover deelname aan het vaccinatieprogramma. Deze groepen bedreigen de hoge vaccinatiegraad. Grofweg zijn er 3 groepen te onderscheiden:

  • Groepen met een godsdienstige overtuiging. Gewetensbezwaren tegen vaccinatie komen vooral voor onder leden van bepaalde protestants-christelijke groeperingen. In bepaalde gemeenten waar deze groepen geconcentreerd zijn, is de vaccinatiegraad laag.
  • Groepen met een antroposofische overtuiging. In de antroposofie vindt men dat het doormaken van kinderziekten een zinvolle betekenis heeft in de ontwikkeling van het kind. Antroposofen wijzen vaccinatie overigens niet in alle gevallen af. Tegen een aantal ziekten (difterie, kinkhoest, tetanus, polio en rodehond) wordt wel gevaccineerd.
  • Kritische en verontruste ouders. (Zie alinea hieronder: Aandacht voor bijwerkingen: twijfel bij ouders.)

Aandacht voor bijwerkingen: twijfel bij ouders

De ziekten waartegen wordt ingeënt, komen tegenwoordig nauwelijks meer voor door de grote effectiviteit van het RVP. Mede doordat de ernst van de ziekte niet meer opvalt, vallen de bijwerkingen meer op. Bijwerkingen van vaccinaties krijgen hierdoor steeds meer aandacht en wegen steeds zwaarder mee bij de beslissing van ouders om hun kinderen te laten inenten. In de brochures en websites van groeperingen die kritisch tegenover vaccineren staan, worden tal van ziektebeelden aan vaccinaties toegeschreven. Ook in de medische literatuur worden hypothesen over signalen van mogelijke bijwerkingen besproken. Deze signalen hebben geleid tot uitgebreid (internationaal) onderzoek naar veronderstelde relaties tussen vaccinatie en verschillende ziektebeelden. Zo konden bijvoorbeeld de vermeende verbanden van bmr met autisme (Fombonne & Chakrabarti, 2001) en van de vaccinaties met diabetes mellitus (DeStefano et al., 2001) worden weerlegd. Tot nu toe hebben verontrustende publicaties wel publieke onrust veroorzaakt, maar de bereidheid van ouders om hun kind te laten vaccineren blijft groot.

Effectiviteit afhankelijk van soort vaccin

De kans op het ontstaan van immuniteit na vaccinatie en de duur van de bescherming is afhankelijk van het soort vaccin (zie tabel 1). Bij een levend verzwakt vaccin, zoals bmr, moet het vaccinvirus 'aanslaan' en een vaccinvirusinfectie veroorzaken waardoor de immuniteit wordt opgewekt. Soms gebeurt dat niet en kan immuniteit uitblijven. Men herhaalt de bmr-prik op negenjarige leeftijd om zodoende alsnog een kans op bescherming tegen bof, mazelen en rodehond te bieden. De bescherming na kinkhoest-vaccinatie loopt met de tijd terug. Daarom worden vierjarige peuters sinds juli 2001 opnieuw gevaccineerd met een acellulair kinkhoestvaccin om de kans op het ontstaan van kinkhoest te beperken.

Tabel 1: Beschermingsgraad vaccins.

Ziekte

Bescherming a (%)

Duur van de bescherming

difterie

95

15 jaar

kinkhoest

70

niet exact bekend

tetanus

100

15 jaar b

polio

95

15 jaar

Hib

99

zeer langdurig

bof

95

niet exact bekend

mazelen

95

levenslang

rodehond

99

levenslang

Hepatitis B

95

langdurig

meningokokken C

100

zeer langdurig

pneumokokken

90

zeer langdurig

HPV

95-98

langdurig

a Deze bescherming geldt bij volledige vaccinatiestatus.

b Bij verwondingen tussen 1 en 15 jaar na vaccinatie is een herhaling van de vaccinatie noodzakelijk.

Koelen belangrijk voor de kwaliteit van het vaccin

De kwaliteit van het RVP wordt voor een belangrijk deel bepaald door de 'cold chain', het gekoelde traject dat het vaccin aflegt van producent naar consument. Vaccins zijn producten die temperatuurgevoelig zijn en met zorg behandeld moeten worden, zodat de werkzaamheid niet vermindert of verloren gaat. Opslag bij de producent en distributie naar de afnemers maken deel uit van dit traject. Ook na aflevering bij de consultatiebureaus en GGD'en mag de 'cold chain' niet worden verbroken. De organisatie en de deskundigheid van personeel in die instellingen moeten aan hoge eisen voldoen om de werkzaamheid van het vaccin te kunnen garanderen tot het vaccin daadwerkelijk wordt toegediend.

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

bmr
Bof, mazelen, rodehond
GGD
Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst
RVP
Rijksvaccinatieprogramma

Definities

Immuniteit
De bescherming tegen infectieziekten door aanwezigheid van antistoffen en/of gerichte activiteit van witte bloedcellen.Immuniteit kan passief of actief verkregen zijn; passief via de placenta in de zwangerschap of door toedienen van gammaglobuline, zoals bij verwondingen of bloedtransfusies; actieve immuniteit kan verkregen worden bij het doormaken van ziektes of door vaccinaties.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.