Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Preventie van seksueel risicogedrag
Doel, organisatie en aanbod

Seksueel risicogedrag: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Seksuele voorlichting Preventie tienerzwangerschappen

Seksuele voorlichting

Nederland kent open sfeer seksuele voorlichting

In Nederland, maar ook Duitsland en Zweden heerst een open en liberale houding ten aanzien van seks en seksuele voorlichting. In deze landen wordt seksuele voorlichting op scholen gegeven en is er gratis of gesubsidieerde anticonceptie voor vrouwen onder de twintig (Kontula, 2003). Vergelijkende studies tonen aan dat er minder soa, tienerzwangerschappen en abortussen voorkomen in landen met een open en liberale houding ten aanzien van seks en seksuele voorlichting en met goede seksuele gezondheidszorgfaciliteiten (Grunseit, 1997).

Seksuele voorlichting op scholen meestal verplicht

In de meeste West-Europese landen is seksuele voorlichting op scholen verplicht. In Nederland zijn scholen alleen verplicht de biologische aspecten te behandelen. In landen waar voorlichting niet verplicht is, hebben ouders vaak het recht hun kind niet aan die voorlichting te laten deelnemen, zoals in Ierland, Italië en België. Meestal wordt seksuele voorlichting gegeven tijdens biologielessen en soms ook tijdens godsdienstonderwijs (Ierland, Spanje en Oostenrijk) of maatschappij- en menswetenschappen (België, IJsland, Spanje, Zweden en VK). In Spanje, Griekenland, Ierland en het VK worden er ook speciale praatsessies aan dit thema gewijd. In Zweden, Denemarken, Noorwegen en Spanje is seksuele voorlichting (in theorie) door het hele onderwijsprogramma geïntegreerd (Kane & Wellings, 1999).

Landen verschillen in de nadruk die ze geven op de biologie van de voortplanting en op seksuele vorming. De biologie van de voorplanting is in alle West-Europese landen onderdeel van het curriculum. In Frankrijk, Portugal en Italië beperkt het onderwijs zich alleen tot de biologie (in Italië aangevuld met religieuze aspecten), maar in de meeste landen komen ook relaties aan bod (Kane & Wellings, 1999). Dit geldt ook voor Nederland hoewel dat hier niet verplicht is. Het Nederlandse onderwijsprogramma Lang Leve de Liefde richt zich specifiek op communicatieve en onderhandelingsvaardigheden waardoor jongeren kennis en houding ten aan zien van veilig gedrag daadwerkelijk kunnen omzetten in veilig seksueel gedrag.

Nederlandse kinderen krijgen relatief jong seksuele voorlichting

Nederlandse kinderen krijgen relatief jong voorlichting, namelijk als ze twaalf jaar oud zijn. In Duitsland zijn de jongeren met elf jaar het jongst, als ze voor het eerst seksuele voorlichting krijgen. In de meeste landen krijgen kinderen voor het eerst seksuele voorlichting wanneer ze tussen de twaalf en dertien jaar oud zijn (zie figuur 1). Het mondiale gemiddelde is dertien jaar, maar dat wordt opgetrokken door een aantal Aziatische landen (Durex, 2004).

In een review over preventie van soa concludeert de Britse Health Development Agency dat er voorzichtig bewijs is dat seksuele voorlichting effectiever is als het wordt gegeven voordat jongeren seksueel actief worden (Ellis & Grey, 2004). Dan zijn er nog minder schaamtegevoelens aanwezig die praten over seks bemoeilijken. Een open sfeer rond seks en seksuele voorlichting, zoals in Nederland, draagt er toe bij dat seksualiteit op jonge leeftijd bespreekbaar is (UNICEF, 2001).

Figuur 1: Leeftijd start seksuele voorlichting op school in een aantal Europese landen plus de Verenigde Staten (Durex, 2004).

Figuur 1: Leeftijd start seksuele voorlichting op school in een aantal Europese landen plus de Verenigde Staten.

Preventie tienerzwangerschappen

Nederland (nog) gidsland op gebied van tienerzwangerschappen

Hoewel in Nederland het aantal tienerzwangerschappen tussen 1996 en 2001 is gestegen, geldt Nederland internationaal nog steeds als een gidsland op het gebied van de preventie van tienerzwangerschappen. De Scandinavische landen doen het ook goed maar het lage aantal tienergeboorten wordt geflatteerd door een hoog abortuscijfer. Nederland heeft daarentegen zowel zeer lage aantallen tienergeboorten als lage abortuscijfers. Daarom heeft de Nederlandse aanpak internationaal veel aandacht gekregen (UNICEF, 2001). Het Nederlandse succes zou te maken hebben met een combinatie van relatief weinig sociale uitsluiting en een open seksueel klimaat. Hierdoor spreken Nederlandse jongeren makkelijker over seksualiteit en anticonceptie en zijn verzoeken om anticonceptie niet omgeven met schaamte. De sfeer waarin seksuele voorlichting wordt gegeven, lijkt belangrijker te zijn dan de gekozen benadering (UNICEF, 2001).

Zie ook: Geboorte: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Moralistische benadering in Angelsaksische landen lijkt minder succesvol

Het aantal tienerzwangerschappen in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Nieuw-Zeeland en Australië ligt beduidend hoger dan het Europees gemiddelde (zie figuur 2). Als oorzaken worden vaak genoemd de grotere inkomensongelijkheid en de tweeslachtige wijze waarop wordt omgegaan met anticonceptie en seksuele voorlichting. Morele overwegingen lijken meer invloed op het beleid te hebben dan pragmatisme (Garssen, 2004). Een op de drie middelbare scholen in de VS heeft bijvoorbeeld een ‘abstinence only’ programma (geheelonthoudingsprogramma) (UNICEF, 2001).

Aandacht voor tienerzwangerschappen verschilt internationaal

Europese landen verschillen in hun bezorgdheid over tienerzwangerschappen en het al of niet voeren van actief beleid om het aantal tienerzwangerschappen terug te dringen. In 2003 toonde staatssecretaris Ross-van Dorp van VWS haar bezorgdheid over het toenemend aantal tienerzwangerschappen in Nederland en benoemde een aantal actiepunten. Hiermee zijn seksuele en relationele vorming een essentieel onderdeel geworden van het schoolgezondheidsbeleid (VWS, 2003aj). Figuur 2 laat zien hoe andere Westerse nationale overheden aankijken tegen het probleem van tienerzwangerschappen, zoals gerapporteerd aan de Verenigde Naties in 1999. (De Nederlandse situatie is dus sindsdien enigszins gewijzigd). De landen staan op volgorde van aantal levendgeborenen per 1.000 meisjes van vijftien tot negentien jaar (UNICEF, 2001). Uit de figuur blijkt geen duidelijk verband tussen het aantal tienerzwangerschappen en het al of niet voeren van actief beleid. Ook lijkt er geen verband tussen het aantal tienerzwangerschappen en hoe ernstig de overheid het probleem van tienerzwangerschappen opvat, hoewel landen bovenaan de ranglijst (zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk) het probleem van tienerzwangerschappen vaker als ernstig bestempelen (zie figuur 2).

Figuur 2: Aantal tienergeboorten en houding van de overheid ten aanzien van tienerzwangerschappen, zoals gerapporteerd aan de UN Population Division, Global Population Policy Database, 1999. In de landen met hoofdletters voert de nationale overheid een actief beleid ten aanzien van tienerzwangerschappen (Bron beleid: UNICEF, 2001. Bron tienerzwangerschappen: landen EU uit New Cronos 2002 tenzij anders vermeld. Gegevens VS, Nieuw-Zeeland, Australië, Canada, Japan en Zuid-Korea uit UNICEF, 2001).

Figuur 2: aantal tienergeboorten en houding van de overheid ten aanzien van tienerzwangerschappen.

Zie voor meer informatie over internationale vergelijkingen:

Internationale vergelijkingen van preventie in het Kompas

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Durex.Global Sex Survey Report, 2004. Durex, 2004.
  • Ellis S, Grey A.Prevention of sexually transmitted infections (STIs): a review of reviews into the effectiveness of interventions of non-clinical interventions. Evidence briefing. London: HHS/HAD, 2004.
  • Garssen J.Tienermoeders: recente trends en mogelijke verklaringen. CBS Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2004. Voorburg/Heerlen: CBS, 2004.
  • Grunseit A.Impact of HIV and sexual health education on the sexual behaviour of young people: a review update. Geneva: UNAIDS, 1997.
  • Kane R, Wellings K.Reducing the rate of teenage conceptions. An international review of the evidence: data from Europe. London: Health Education Authority, 1999.
  • Kontula O.Trends in teenage sexual behaviour: pregnancies, sexually transmitted infections and HIV infections in Europe (European population papers series No. 14). Straatsburg: Raad van Europa, 2003.
  • UNICEF, United Nations Children's Fund.A league table of teenage births in rich nations. Florence: Innocenti Report Card issue No. 3 2001.
  • VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Preventie van ongewenste zwangerschap en abortus. Beleidsbrief. Den Haag: VWS, 2003aj.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

soa
Seksueel overdraagbare aandoeningen
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.