Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Preventie gericht op lichamelijke activiteit
Doel en organisatie

Wat wordt er met de preventie gericht op lichamelijke activiteit beoogd?

Bevorderen lichamelijke activiteit vanwege positieve invloed op gezondheid

Het doel van preventie gericht op lichamelijke activiteit is het bevorderen van lichaamsbeweging en sport, omdat dit een positieve invloed heeft op de gezondheid (PAGAC, 2008; Haskell et al., 2007; US DHHS, 1996). Regelmatig voldoende bewegen verlaagt het risico op verschillende ziekten zoals coronaire hartziekten, diabetes mellitus type 2, beroerte, osteoporose, dikkedarmkanker, borstkanker en depressie. Ook verlaagt voldoende lichamelijke activiteit het risico op overgewicht. De kans op het krijgen van ziekten en aandoeningen en de uiteindelijke sterfte daaraan neemt af naarmate iemand meer uren per week actief is (PAGAC, 2008). Matig intensieve lichamelijke activiteit, zoals fietsen of stevig wandelen, heeft al een gunstig effect op de gezondheid, mits deze regelmatig wordt verricht. Intensieve lichamelijke activiteit, zoals hardlopen, voetballen en tennis, bevordert bovendien de conditie van hart en longen, ofwel de cardiorespiratoire fitheid (Monninkhof et al., 2007;Cavill et al., 2006;KWF, 2005c; Wendel-Vos et al., 2004).

Zie ook: Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van lichamelijke activiteit?

Meer Nederlanders stimuleren tot lichamelijke activiteit

Het ministerie van VWS wil bereiken dat meer Nederlanders kiezen voor een gezonde en actieve leefstijl. Dit kan bereikt worden met sport, spel en fitness, maar ook met meer bewegen in het dagelijkse leven. Klussen, tuinieren, lopen en fietsen naar school, werk en winkels zijn al goed voor zo’n 30% van de totale lichamelijke activiteit (Ooijendijk et al., 2007b). Om te bepalen of iemand voldoende beweegt zijn er verschillende normen opgesteld:

  • De Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB). Naar schatting voldeed in 2007 ongeveer 56% van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder aan de NNGB.
  • De Fitnorm richt zich op het onderhouden van de fysieke fitheid, ofwel uithoudingsvermogen, kracht en coördinatievermogen. Ongeveer 20% van de Nederlanders van 18 tot 55 jaar voldeed hier aan in 2007.
  • De Combinorm is een norm, waaraan iemand voldoet indien hij ófwel aan de fitnorm, ófwel aan de NNGB, ófwel aan beide normen voldoet.

Zie ook: Wat is lichamelijke activiteit? en Hoeveel mensen zijn voldoende lichamelijk actief?

Om mensen te stimuleren meer te bewegen, hebben het ministerie van VWS en het NISB het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB) opgericht. Het NASB zet verschillende effectieve maatregelen in op de aandachtsgebieden wijk, zorg, werk, sport en school. De campagne ‘30 minuten bewegen’ ondersteunt het NASB bij de implementatie. Het ministerie van VWS wil bereiken dat in 2012 (VWS, 2008p; VWS, 2006q):

  • minimaal 70% van de volwassenen (18+) voldoet aan de beweegnorm van 30 minuten bewegen op minstens 5 dagen van de week
  • minimaal 50% van de jeugdigen (4-17 jaar) voldoet aan de beweegnorm van 60 minuten bewegen op alle dagen van de week
  • het percentage inactieve volwassen Nederlanders maximaal 5% is.

Zie ook: Hoeveel mensen zijn voldoende lichamelijk actief?

Meest kwetsbaren bewegen het minst

Het zijn vooral de meest kwetsbare groepen in de maatschappij die weinig bewegen. VWS wil daarom kinderen, jongeren, ouderen, gehandicapten, mensen met een beperking, chronisch zieken, allochtonen en mensen met een lage SES extra stimuleren deel te nemen aan sport- en beweegactiviteiten. Dit doet zij onder andere door sportbonden en verenigingen te vragen met een vernieuwd en uitdagend sportaanbod in te spelen op de specifieke behoeften voor deze doelgroepen(VWS, 2008p; VWS, 2006q).

In een onderzoek naar beweeggedrag in achterstandswijken bleek 4% van de autochtone en 3% van de allochtone kinderen van 6 tot 11 jaar de NNGB te halen (De Vries & Bakker, 2007). Ook mensen met een lichamelijke, verstandelijke of auditieve beperking bewegen minder dan de gemiddelde Nederlander (Van Lindert et al., 2008). Van de chronisch zieken zijn het vooral mensen met migraine, hart- en vaatziekten, maag- en darmstoornissen en kanker die aanzienlijk minder bewegen dan mensen zonder deze chronische aandoening. Juist voor deze groepen is voldoende lichamelijke activiteit van belang vanwege het gunstige effect op het beloop van chronische aandoeningen (Schermers et al., 2008; VWS, 2001i).

Beweeggedrag is afhankelijk van sociale en fysieke omgeving

Hoeveel iemand beweegt is afhankelijk van vele factoren zoals het gezin, vrienden, de wijk, de school en de werkplek. Bij het veranderen van het beweeggedrag moet met al deze factoren rekening worden gehouden. Daarbij vragen specifieke doelgroepen om specifieke maatregelen (VWS, 2007d). Gedrag laat zich sterk beïnvloeden door de omgeving. Aanpassingen in de sociale en fysieke omgeving stimuleren mensen, bewust of onbewust, meer te bewegen (GR, 2010a). Aanpassingen in de fysieke omgeving zijn bijvoorbeeld goed onderhouden fietspaden, autovrije zones, goede voorzieningen op loopafstand en toegankelijk groen om te wandelen, te fietsen en te sporten. Om het beweeggedrag te beïnvloeden richt het beleid zich tot op heden voornamelijk op voorlichting en sportdeelname (GR, 2010a; Van den Berg & Schoemaker, 2010).

Positieve neveneffecten van sport en bewegen

Het stimuleren van sport en beweegactiviteiten kent vele positieve bijeffecten. Zo waardeert het ministerie van VWS de meerwaarde van sport voor de samenleving. Sportdeelname kan mensen uit hun sociaal isolement halen, agressiviteit verminderen en probleemgedrag voorkomen. Door te gaan sporten bij een lokale sportvereniging leren buurtbewoners elkaar kennen en wordt de sociale cohesie versterkt. Deze maatschappelijke functie van sport biedt kansen voor verschillende kabinetsdoelen als preventie en gezondheid, jeugdbeleid, onderwijs, waarden en normen, integratie, wijken, veiligheid en internationaal beleid. Het ministerie van VWS maakt zich dan ook sterk voor participatie, emancipatie en integratie van de gehele bevolking in de sport (VWS, 2008p). Andere neveneffecten van een actieve leefstijl zijn bijvoorbeeld verbeterde motorische en sociale vaardigheden. Scholen die extra tijd en geld investeren in sport en bewegen ervaren een verbetering van de sfeer en een positieve binding aan de school. Op deze scholen is ook een verbetering van de schoolprestaties zichtbaar en een afname van schooluitval (VWS, 2008q). In de werkomgeving heeft meer bewegen ook positieve bijeffecten. Zo kan het fietsen van huis naar werk leiden tot een lager ziekteverzuim (Hendriksen, 2009).

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Berg M van den, Schoemaker CG (red.). Effecten van preventie. Deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 Van gezond naar beter. RIVM-rapport nr. 270061007. Bilthoven: RIVM,2010.
  • Cavill N, Kahlmeier S, Racioppi S.Physical activity and health in Europe: evidence for action. Copenhagen: WHO, 2006.
  • GR, Gezondheidsraad.Beweegredenen. De invloed van de gebouwde omgeving op ons beweeggedrag. Den Haag, 2010a.
  • Haskell WL, Lee IM, Pate RR, Powell KE, Blair SN, Franklin BA, et al.Physical activity and public health: updated recommendation for adults from the American College of Sports Medicine and the American Heart Association. Medical Science in Sports and Exercise, 2007; 39(8): 1423-34.
  • Hendriksen I.Regelmatig fietsen naar het werk leidt tot lager ziekteverzuim. Leiden: TNO Preventie en Zorg, 2009.
  • KWF Kankerbestrijding. De rol van lichaamsbeweging bij preventie van kanker. Van Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding. Den Haag: KWF Kankerbestrijding,2005c.
  • Lindert C van, Jong M de, Dool R van den.(On)beperkt sportief: Monitor sportdeelname van mensen met een handicap. Den Bosch: W.J.H. Mulier instituut, 2008.
  • Monninkhof EM, Elias SG, Vlems FA, Tweel I van der, Schuit AJ, Voskuil DW, et al.Physical activity and breast cancer: a systematic review. Epidemiology, 2007; 18(1): 137-157.
  • Ooijendijk WTM, Chorus A, Wendel-Vos W.Advies actualisering beleidsdoelen nota tijd voor sport. Leiden: TNO Preventie en Zorg, 2007b.
  • PAGAC, Physical Activity Guidelines Advisory Committee.Physical Activity Guidelines Advisory Committee Report. Washington, DC: Department of Health and Human Services, 2008.
  • Schermers P, Jongert MWA, Chorus AMJ, Verheijden MW.Inleiding bij de KNGF standaarden. Beweeginterventies. Leiden: TNO, 2008.
  • US DHHS, U.S. Department of Health and Human Services.Physical activity and health: a report of the Surgeon General. Atlanta: U.S. Department of Health and Human Services, 1996.
  • Vries SI de, Bakker I.Het beweeggedrag van autochtone en allochtone stadskinderen van 6-11 jaar. 2007.
  • VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Sport, bewegen en gezondheid, Nota. Naar een actief kabinetsbeleid ter vergroting van de gezondheid door en bij sport en beweging. Tweede Kamer vergaderhaar 2000-2001, 27 841, nr.2. Den Haag: VWS, 2001i.
  • VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Samen voor sport. Den Haag, 2006q.
  • VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Gezond zijn, gezond blijven. Een visie op gezondheid en preventie. Den Haag: VWS, 2007d.
  • VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.De kracht van sport. Den Haag, 2008p.
  • VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs. Den Haag, 2008q.
  • Wendel-Vos GC, Schuit AJ, Feskens EJ, Boshuizen HC, Verschuren WM, Saris WH, et al.Physical activity and stroke. A meta-analysis of observational data. Int J Epidemiol, 2004; 33(4): 787-98.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

NNGB
Nederlandse Norm Gezond Bewegen
SES
Sociaaleconomische status
Positie die iemand inneemt in de sociale hiërarchie, gemeten aan de hand van opleiding, inkomen of beroepsstatus.
VWS
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
URL: www.rijksoverheid.nl/ministeries/vws
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.