Het doel van preventie gericht op ouderen is zorgen dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig, onafhankelijk en gezond blijven. Om dit te bereiken kan preventie gericht zijn op het lichamelijke, het sociale en op het geestelijke vlak. Gezond en succesvol ouder worden gaat niet alleen om het voorkómen en uitstellen van ziekte en sterfte, maar zeker ook om de preventie van beperkingen in het functioneren, het voorkómen van verlies van zelfredzaamheid en het terugdringen van afhankelijkheid van de zorg (). Om de mogelijkheden van gezond ouder worden volledig te benutten moet preventie zowel preventie van ziekte als preventie van beperkingen in het functioneren omvatten ().
Zie ook: Hoeveel mensen hebben lichamelijke beperkingen?
Nederland vergrijst de komende decennia sterk (zie ook: Vergrijzing). Een toename in het aantal ouderen zal gepaard gaan met een toename van het aantal mensen met ziekte en functiestoornissen. Er zijn ziekten waarvan verwacht wordt dat ze steeds vaker zullen voorkomen. Dit kan naast vergrijzing ook andere oorzaken hebben. Zo is het aantal diabetespatiënten toegenomen doordat mensen zwaarder en lichamelijk minder actief worden. Maar ook een betere opsporing zal bijdragen aan een stijgende trend in het optreden van bepaalde ziekten (). Als gevolg van de groei en de vergrijzing van de bevolking in Nederland is bijvoorbeeld in de periode 1990-2004 zowel het totaal aantal patiënten met dementie als het aantal nieuwe patiënten per jaar toegenomen. Maar ook als rekening gehouden wordt met deze demografische ontwikkelingen, is er sprake van een stijging. Die stijging is te verklaren door betere vroegtijdige opsporing en herkenning van dementie (zie ook: Neemt het aantal mensen met dementie toe of af?).
Veel ouderen hebben verschillende chronische aandoeningen tegelijk (multimorbiditeit). Zo heeft bijna één op de drie 75-plussers (328.000) meer dan één chronische ziekte onder de leden. Van de mensen tussen de 65 en 75 heeft ongeveer 22% (279.000) meer dan één chronische ziekte. Tot 55 jaar is multimorbiditeit nog relatief zeldzaam. Van alle chronisch ziekten heeft bijna een derde meer dan één chronische ziekte (op basis van de selectie van 30 ziekten). Dit komt neer op 1,3 miljoen mensen ofwel 8% van de totale bevolking. De Gezondheidsraad verwacht dat het absolute aantal ouderen met multimorbiditeit tussen 2008 en 2020 met ongeveer 50% toeneemt ().
Zie ook:
Kijk voor meer informatie over de gezondheidstoestand van ouderen bij: Ouderen: Gezondheid en ziekte.
Veel gezondheidsproblemen zijn mede het gevolg van een ongezonde leefstijl onder ouderen. Veel ouderen hebben een ongezond voedingspatroon en bewegen te weinig. In 2007 voldeed ongeveer 29% van de mannen en 36% van de vrouwen tussen de 65 en 75 jaar niet aan de die voor hun leeftijd geldt. Boven de 75 jaar voldeed 39% van de mannen en 66% van de vrouwen niet aan de NNGB (, 2009) (zie: Hoeveel mensen zijn voldoende lichamelijk actief?). Van de 65-plussers heeft bovendien 4% een zwaar alcoholgebruik (, 2009). Ook rookte in 2006 ongeveer 15% van de mannelijke en 13% van de vrouwelijke 65-plussers (zie: Hoeveel mensen roken?). Dit ongezonde gedrag kan leiden tot een verhoogde bloeddruk, verhoogd cholesterol en overgewicht (). Zo komt een hoge bloeddruk bij 32% van de ouderen voor en heeft 14% ernstig overgewicht, maar ook ondervoeding is bij ouderen soms een probleem.
Kijk voor meer informatie over de verschillende risicofactoren bij ouderen bij: Ouderen: Gezondheidsdeterminanten.
Ook hebben veel ouderen last van psychische problemen, zoals depressie. Ongeveer één op de achttien ouderen (5,7%) leed het afgelopen jaar aan depressie. Dat zijn in totaal 128.000 mensen. Bepaalde ziekten, evenals het verlies van de levenspartner en vereenzaming, kunnen bij ouderen het risico op depressie verhogen. Ook ouderen die lang in een verpleeghuis verblijven hebben een verhoogd risico op depressie (; ; ).
Zie ook:
In de nota ouderenbeleid () zijn twee indicatoren voor de monitoring van het ouderenbeleid op het gebied van gezondheid gekozen. Het aandeel ouderen dat voldoende aan beweging doet (leefstijlindicator) en het aandeel valongevallen onder ouderen dat medisch behandeld is (uitkomstindicator) (; ; ). Met betrekking tot beweging is als doelstelling opgenomen het percentage 65-plussers dat voldoende beweegt volgens de Nederlandse Norm Gezond Bewegen () op korte termijn te verhogen van 43% in 2003 naar 45% en vervolgens naar ongeveer 50% in 2010. Met betrekking tot vallen bij ouderen zijn de doelstellingen in overleg met het ministerie van VWS en Consument en Veiligheid inmiddels opnieuw geformuleerd. Over de periode 2005-2010 wordt gestreefd naar een reductie van ongeveer 6% in het aantal Spoedeisende Hulp-behandelingen na een valongeval en een reductie van 6% in het aantal ziekenhuisopnamen als gevolg van een heupfractuur (na correctie voor de veranderende bevolkingsopbouw, bijvoorbeeld het effect van vergrijzing) ().
Het streefcijfer van 45% normactieve 65-plussers werd in 2004 gehaald en de doelstelling van 50% voor 2010 in 2005. In 2000 bewoog 44% van de mannen en 40% van de vrouwen voldoende en in 2005 52% van de mannen en vrouwen (; (), ). Het percentage 65-plussers dat niet voldoende beweegt is volgens deze cijfers hoger dan volgens de cijfers op basis van de -vragenlijst uit het Permanent Onderzoek Leefsituatie () van het die sinds 2001 stabiel zijn.
Jaarlijks komen naar schatting 66.000 65-plussers op een spoedeisende hulp-afdeling terecht voor behandeling na een valongeval, en worden er 14.000 in een ziekenhuis opgenomen vanwege een heupfractuur. In de periode 2002-2006 is, na correctie voor verandering in de bevolkingsopbouw, zowel het aantal behandelingen voor een valongeval als het aantal ziekenhuisopnamen door heupfractuur gedaald. Deze dalingen lopen in de pas met de nagestreefde daling van ongeveer 6% (; , 2002-2006; , 2002-2006). Over de periode 1990-2004 was nog een toename in ziekenhuisopnamen door heupfractuur te zien, maar deze is niet significant. Hoewel onder de totale groep ouderen de valincidentie is afgenomen, is deze onder de bewoners van zorginstellingen juist fors toegenomen. Dit heeft vermoedelijk te maken met het beleid om mensen zolang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen, waardoor de kwetsbaarheid van ouderen die wel in aanmerking komen voor opname in een verzorgingshuis of verpleeghuis, is toegenomen. Toch laten valpreventietrajecten zien dat in instellingen het aantal valongevallen nog aanzienlijk gereduceerd kan worden ().
Zie ook:
Positieve effecten van gedragsbeïnvloeding zijn het grootst als het gedrag op jonge leeftijd wordt aangepast. Ook bij ouderen leveren gedragsveranderingen gezondheidswinst op. Stoppen met roken, gezonder eten en meer bewegen op oudere leeftijd hebben ook positieve effecten op de gezondheid van ouderen (; ; ; ).
Voor meer informatie over de te behalen gezondheidswinst bij ouderen zie:
Gedragsverandering levert ook bij ouderen gezondheidswinst op