Preventie is het voorkómen van ziekte en het beschermen en bevorderen van de gezondheid. Op deze pagina vindt u informatie over het preventieveld als geheel. Informatie over een specifiek onderwerp vindt u door te klikken op een van de onderstaande hoofdcategorieën.
Preventie heeft als doel te zorgen dat mensen gezond blijven door enerzijds de gezondheid te bevorderen en anderzijds de gezondheid te beschermen. Ook heeft preventie als doel ziekten en aandoeningen te voorkomen of in een zo vroeg mogelijk stadium op te sporen. Onder preventie valt ook het voorkomen van complicaties van ziekten.
Een veel gebruikte indeling van preventie is die naar primaire, secundaire en tertiaire preventie:
Preventie in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) is ingedeeld op basis van doelgroepen. Afhankelijk van de doelgroep is er sprake van universele, selectieve, geïndiceerde preventie of terugvalpreventie:
Preventie gericht op de lichamelijke gezondheid gebruikt voornamelijk de indeling naar de fase van het ziekteproces (primaire, secundaire en tertiaire preventie) maar steeds vaker wordt ook de indeling naar doelgroep toegepast (bijvoorbeeld bij de preventie van overgewicht).
Preventie kan direct gericht zijn op een ziekte of aandoening. Zo worden vaccinaties toegepast ter preventie van diverse infectieziekten en vindt via bevolkinsgsonderzoeken vroegopsporing van kanker plaats.
Preventie kan ook gericht zijn op factoren die een risico zijn voor de gezondheid of factoren die de gezondheid kunnen bevorderen. Deze factoren worden gezondheidsdeterminanten genoemd. De determinanten kunnen enerzijds gedragsgerelateerd zijn en daarmee sterk door een individu te beïnvloeden. Voorlichting is een veel gebruikte maatregel bij preventie gericht op gedragsverandering van bijvoorbeeld roken of lichamelijke activiteit. Anderzijds zijn er risicofactoren in de fysieke en sociale omgeving van een individu. Het beschermen van de gehele bevolking door de blootstelling te beperken is dan van belang. Zo worden normen opgesteld voor producenten om te voorkomen dat er teveel schadelijke stoffen in het voedsel terecht komen. Een individu kan zichzelf ook beschermen tegen risico's door risicovolle situaties in zijn fysieke of sociale omgeving te vermijden.
Preventie is in de praktijk vaak gericht op een specifieke doelgroep van mensen die extra bescherming nodig hebben of mensen die meer risico lopen ziek te worden door bijvoorbeeld hun leefstijl. Preventie gericht op een doelgroep kan plaatsvinden in een setting zoals school of werkplek. Bij de settinggerichte benadering richt preventie zich zowel op personen zelf als op de omgeving waar die personen zich bevinden.
Bij preventie worden de termen programmatische- en casuïstische- ofwel adhoc-preventie gebruikt. Onder programmatische preventie vallen programma's die gericht zijn op een groep personen met bepaalde risicokenmerken. Het programma is gericht op een afgebakende risicogroep en de uitvoering vindt plaats volgens een vooraf omschreven programma, een vastgelegde taakverdeling en werkwijze. Bovendien wordt het bereik van de doelgroep gevolgd. De bevolkingsonderzoeken naar borst- en baarmoederhalskanker en het Rijksvaccinatieprogramma zijn voorbeelden van programmatische preventie. Casuïstische preventie of adhoc-preventie is gebaseerd op risicoschatting bij een patiënt in een individuele hulpverleningssituatie. Een bloeddrukmeting bij een patiënt met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten is hier een voorbeeld van. Om de kwaliteit van het handelen te waarborgen worden voor veel aandoeningen door beroepsgroepen richtlijnen voor behandeling en diagnostiek opgesteld.
Veel preventieve interventies worden aangeboden in de publieke gezondheidszorg (openbare gezondheidszorg). Het kan daarbij gaan om maatrelen gericht op de preventie van ziekten en aandoeningen en de bescherming en bevordering van de gezondheid. Aan de publieke gezondheidszorg ligt in principe geen hulpvraag ten grondslag, althans geen vrijwillige of door de persoon zelf geformuleerde hulpvraag. Publieke gezondheidszorg vult daarmee de reguliere, individugerichte zorg aan. Spil van de publieke gezondheidszorg zijn de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD'en). Lees verder: Publieke gezondheidszorg.
De maatregelen die bij preventie worden toegepast hebben als doel de gezondheid te beschermen, de gezondheid te bevorderen of de ziekte te voorkomen. De drie categoriën (ingedeeld naar doel) zijn als volgt gedefinieerd:
Een integrale aanpak van een gezondheidsprobleem is steeds gebruikelijker in het preventieveld. Preventieprogramma's omvatten een mix van de hierboven genoemde methoden die elkaar kunnen ondersteunen of versterken. Bij de preventie gericht op roken zijn bijvoorbeeld meerdere methoden gebruikt. Er zijn gezondheidsbeschermende maatregelen genomen zoals het instellen van rookvrije openbare ruimten, het reclameverbod en het heffen van accijns in combinatie met gezondheidsbevorderende maatregelen zoals stoppen met roken campagnes en stoppen met roken-cursussen. Bij deze integrale aanpak wordt vaak samengewerkt met andere overheidssectoren. De gezondheidswinst die behaald kan worden met preventie is vaak afhankelijk van de inzet van andere sectoren omdat deze de verantwoordelijkheid hebben voor aspecten die grote inpact kunnen hebben op de gezondheid. Zo heeft het ministerie van Verkeer en Waterstaat de verantwoordelijkheid over het verkeersbeleid. Bij een integrale samenwerking worden ook steeds vaker private partijen betrokken. Samenwerking tussen overheid en het bedrijfsleven wordt publiek-private samenwerking (PPS) genoemd. Zie voor meer informatie over integrale aanpak en de publiek-private samenwerking: het thema integraal gezondheidsbeleid.
Bij gezondheidsbescherming en ziektepreventie hebben de maatregelen die worden ingezet rechtstreeks effect op maten die meetbaar zijn (met wetenschappelijk onderzoek). Zo kan met een vaccinatie de afweer tegen een ziekte worden vergroot. Het aantal gevaccineerden kan gemeten worden en het aantal mensen dat de ziekte krijgt ook. Bij gezondheidsbevordering is de relatie tussen de ingezette interventie en de uitkomst complexer. Zo is gedragsverandering wel een meetbare eindmaat maar is de relatie tussen de determinanten van gedrag, waar interventies zich op richten, en de uiteindelijke gedragsverandering niet goed meetbaar op korte termijn. Bovendien zijn op lange termijn eventuele meetbare effecten veelal niet meer toe te schrijven aan één specifieke interventie.
In het werkveld van de gezondheidsbevordering wordt een veelheid aan begrippen en termen gebruikt en worden verschillende strategiën ingezet. Er zijn veel verschillende redenen hiervoor zoals het feit dat de gezondheidsbevordering een relatief jong vakgebied is, waardoor uitgangspunten en begrippen nog volop in ontwikkeling zijn. Doordat het werk veel verschillende vormen kan aannemen, geven de professionals regelmatig de voorkeur aan het opstellen van een eigen taal die aansluit bij de context waarin ze werken of waarmee ze zich het beste kunnen profileren. Met behulp van het Referentiekader gezondheidsbevordering wordt aandacht besteed aan de gedeelde begrippen en modellen voor gezondheidsbevordering (Saan & De Haes, 2005).
Het ministerie van VWS en gemeenten zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor de preventie in Nederland. Bij de uitvoering van het door hen geformuleerde beleid zijn veel verschillende partijen betrokken met ieder hun eigen taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Hier gaan we kort in op de overheid, uitvoerende organisaties zoals GGD'en, gezondheidsbevorderende instituten, (arbeids- en bedrijfs-) gezondheidszorg en overige organisaties
De landelijke overheid heeft de grondwettelijke taak (artikel 22) om maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid. De minister van VWS draagt hiervoor systeemverantwoordelijkheid. Dit betekent dat hij verantwoordelijk is voor het formuleren van beleidsdoelen en het inzetten van instrumenten en actoren om deze te bereiken. Ook is hij verantwoordelijk voor een doelgerichte, effectieve en doelmatige uitvoering van taken (Tweede Kamer, 2003). Omdat het behalen van beleidsdoelen sterk afhankelijk is van inspanningen van derden, wordt de minister niet verantwoordelijk gesteld voor behaalde resultaten.
Naast het ministerie van VWS spelen ook enkele andere ministeries een rol bij preventie. Zo speelt het ministerie van SZW een belangrijke rol bij het beschermen en bevorderen van de gezondheid van de werkende bevolking en het Ministerie van VROM bij de preventie van milieugerelateerde gezondheidsproblemen. De ministeries van LNV en V&W dragen door hun verantwoordelijkheid voor respectievelijk de voedselveiligheid en de verkeersveiligheid bij aan bescherming van de gezondheid.
Gemeenten zijn op basis van de Wet Publieke Gezondheid bestuurlijk verantwoordelijk voor de collectieve preventie in hun gemeente. Zij hebben de taak de gezondheid van hun inwoners te beschermen, te bewaken en te bevorderen. De Wet Publieke Gezondheid bepaalt dat gemeenten een gemeentelijke of gewestelijke gezondheidsdienst (GGD) in stand dienen te houden. Gemeenten laten hun wettelijke taken in de praktijk grotendeels uitvoeren door 'hun' GGD. Begin 2008 waren de gemeenten verantwoordelijk voor 30 GGD'en. Een gemeente is verplicht iedere vier jaar een nota lokaal gezondheidsbeleid te maken met daarin de ambities, keuzes en prioriteiten op het gebied van volksgezondheid en preventie.
Zie ook:
GGD locaties 2009
Stand van zaken tweede nota gemeentelijk gezondheidsbeleid juli 2008
De overheid kiest voor meer landelijke coördinatie van bepaalde collectieve preventietaken. In 2005 is gestart met de landelijke coördinatie van de infectieziektebestrijding en is hiertoe bij het RIVM het Centrum Infectieziektebestrijding opgericht. In 2006 zijn twee nieuwe centra bij het RIVM ingericht, het Centrum Jeugdgezondheid (verantwoordelijk voor het verbeteren van de jeugdgezondheid) en het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (verantwoordelijk voor de landelijke coördinatie van bevolkingsonderzoeken).
Per 1 juni 2007 is het Centrum Gezond Leven van start gegaan. Doel van dit samenwerkingsverband van het RIVM en gezondheidsbevorderende organisaties, is het bevorderen van het gebruik van landelijk ontwikkelde leefstijlinterventies. Het centrum ondersteunt de professional, werkzaam bij GGD'en en andere lokale organisaties, door beschikbare interventies inzichtelijk te presenteren en te beoordelen op kwaliteit en samenhang. Zie ook de website van het Centrum Gezond Leven: Loket Gezond Leven.
GGD'en voeren met name collectieve preventietaken uit voor gemeenten. Alle GGD'en voeren minimaal de in de Wet Publieke Gezondheid omschreven basistaken uit. Dit betreft onder meer de volgende taken: infectieziektebestrijding, jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde, technische hygiënezorg, openbare geestelijke gezondheidszorg, gezondheidsbevordering, geneeskundige hulp bij ongevallen en rampen (GHOR), sociaal-medische advisering, epidemiologie, medische opvang asielzoekers en kankerscreening. Daarnaast voeren GGD'en voor hun gemeenten specifieke taken uit die staan beschreven in de gemeentelijke nota over het lokale beleid volksgezondheid.
Om de wettelijke taken te kunnen uitvoeren werken GGD'en in de praktijk samen met allerlei lokale en regionale organisaties. Enkele voorbeelden: op het terrein van de jeugdgezondheidszorg wordt samengewerkt met thuiszorgorganisaties die de zorg voor de 0-4-jarigen op het consultatiebureau uitvoeren, op het terrein van kankerscreening wordt samengewerkt met regionale screeningsorganisaties, de zogenaamde Integrale Kanker Centra en op het terrein van de gezondheidsbevordering wordt vooral samengewerkt met lokale actoren zoals scholen en sportverenigingen. Ook wordt samengewerkt met zorgaanbieders, vooral uit de eerstelijn.
GGD'en ontvangen vanuit allerlei organisaties ondersteuning bij het uitvoeren van hun taken. Zo ondersteunt de Konininklijke Nederlandse Vereniging tot bestrijding der tuberculose (KNCV) bij de tuberculosebestrijding en het Landelijke Centrum MMK (Medische Milieukunde) bij de uitvoering van medische milieukunde. Het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHV) ontwikkelt protocollen en richtlijnen voor de technische hygiënezorg. Een laatste voorbeeld: GGD Nederland ondersteunt de GGD'en door hun belangen collectief te behartigen, hen een platform te bieden om te overleggen en af te stemmen en door (onderzoeks)projecten te werven en uit te voeren die de GGD'en ondersteunen in hun functioneren.
Voor verschillende belangrijke onderwerpen binnen preventie zijn instituten opgericht met een combinatie van taken op de gebieden van voorlichting, ontwikkelen preventieprojecten, onderzoek, advisering en deskundigheidsbevordering. Deze instituten of centra ontvangen subsidie (direct via VWS of indirect via projectsubsidie bijvoorbeeld via ZonMw) om deze taken uit te kunnen oefenen. Daarnaast hebben de instituten en centra ook andere financieringsbronnen, zie ook: Wat zijn de kosten van preventie? De term gezondheidsbevorderende instituten (GBI's) wordt veelvuldig gebruikt, maar er is geen eenduidige lijst van de instituten die hierbij horen. Voorbeelden van de GBI's, thema-instituten en kenniscentra zijn:
Binnen de gezondheidszorg worden naast curatieve activiteiten ook allerlei preventieve activiteiten uitgevoerd (zie ook: Preventie in de zorg). De huisarts voert zowel individugerichte casuïstische preventie (bijvoorbeeld cholesterol- en glucosebepaling en bloeddrukmeting) als programmatische preventie uit (de griepprik en baarmoederhalsuitstrijkje). Zie voor een uitleg van deze begrippen: Wat is preventie? De tandarts en de verloskundige bieden preventie aan in de vorm van periodieke gebitscontrole respectievelijk begeleiding en controle van zwangeren. Preventieve activiteiten van de medisch specialist betreffen met name leefstijladviezen zoals stoppen met roken-advies aan hartpatiënten of patiënten met longkanker. Paramedici zoals de diëtist en mondhygiënist hebben voornamelijk preventieve taken die variëren van voorlichting tot screening.
Naast beroepsbeoefenaren voeren ook zorginstellingen preventieve activiteiten uit. Deze activiteiten zijn afgestemd op de kenmerken en risico's van de patiënten of bewoners. Zo voeren ziekenhuizen met name preventie uit op het gebied van ziekenhuisinfecties en antibioticumresistentie en verpleeg- en verzorgingshuizen op het gebied van valpreventie en decubitus. Thuiszorginstellingen voeren in toenemende mate preventieprogramma's uit op het terrein van chronische ziekten zoals diabetes, COPD en CVA. GGZ-instellingen voeren activiteiten uit gericht op het voorkomen of vroegtijdig onderkennen van psychische problemen en Instellingen voor Verslavingszorg voeren preventieve taken uit op het gebied van drugs en alcohol. Het betreft hier activiteiten gericht op de algemene populatie of specifieke risicogroepen zoals jongeren of ouderen.
De arbeids- en bedrijfsgezondheidszorg speelt, onder meer op basis van de Arbowet, een belangrijke rol bij het beschermen en bevorderen van de gezondheid van de zeven miljoen werkenden in ons land. De Arbowet gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers voor veiligheid, gezondheid en welzijn in en op het werk. Activiteiten zijn vooral gericht op het voorkómen van ziekteverzuim. De minister van SZW zal in februari 2006 -vanuit het principe van minder lastendruk- komen met een voorstel tot wijziging van de Arbowet 1998 en de lagere regelgeving. De wetswijziging leidt ertoe dat inspanningen van werkgevers op een aantal veiligheidsaspecten voortaan niet meer kunnen worden afgedwongen. Arbeidsomstandigheden wordt meer een zaak van sociale partners en zal in cao's moeten worden geregeld. Het NIGZ-Werk & Gezondheid biedt ondersteuning aan werkgevers bij inspanningen gericht op het bevorderen van de gezondheid (via de leefstijl) van de werkenden. Zie ook: preventie op de werkplek.
Naar boven
De Gezondheidsraad, de Raad voor Volksgezondheid en Zorg (RVZ) en de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) adviseren gevraagd en ongevraagd over preventie (en zorg). TNO-Kwaliteit van Leven en het RIVM zijn voorbeelden van instituten die onderzoek uitvoeren en kennis integreren op het gehele terrein van preventie. Er zijn ook onderzoeks- en kennisinstituten die zich richten op één of enkele specifieke onderdelen van preventie. Voorbeelden hiervan zijn TNO-Arbeid en het Trimbos-instituut.
ZonMw en het Fonds Openbare Gezondheidszorg spelen een rol bij de prioritering en financiering van onderzoek en preventieprojecten. Ook particuliere gezondheidsfondsen, zoals de Nederlandse Hartstichting, Nierstichting, Diabetesfonds en het Koningin Wilhelmina Fonds/Kankerbestrijding, financieren en initiëren nieuw onderzoek. Zo heeft de laatste in samenwerking met andere partijen, het Nationaal Programma Kankerbestrijding 2005-2010 opgesteld. Doel van dit programma is het optimaliseren van de kankerbestrijding in Nederland, van preventie en diagnostiek tot nazorg.
Er zijn verschillende organisaties betrokken bij het bevorderen van de kwaliteit van (de uitvoering van) preventie in ons land. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt toezicht op de kwaliteit van de gezondheidszorg, waaronder de openbare gezondheidszorg. De Voedsel en Waren Autoriteit ziet toe op de naleving van wet- en regelgeving voor eet- en drinkwaren en consumentenproducten en daarmee op de voedsel- en productveiligheid (zie ook: Welk wettelijk en beleidskader kent preventie?). Het CBO (Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) hebben tientallen richtlijnen respectievelijk protocollen gepubliceerd, waarvan een groot deel van toepassing is op preventie door medici. Het NIGZ en de Netherlands School of Public and Occupational Health (NSPOH) spelen een belangrijke rol op het terrein van deskundigheidsbevordering.
De Nederlandse Public Health Federatie (NPHF) zet zich in voor versterking van de volksgezondheidszorg in Nederland. De in 2000 opgerichte NPHF is een samenwerkingsverband van een groeiend aantal beroepsverenigingen en instituten op het terrein van de Public Health. De NPHF formuleert standpunten over ontwikkelingen op het terrein van Public Health en draagt deze uit. Zo zijn er reacties gepubliceerd op de nota 'Langer gezond leven' en op de begroting van VWS, waarin vooral risico's van het beleid voor de zwakkeren in de samenleving worden benadrukt. Daarnaast is de NPHF ondermeer initiatiefnemer en vormgever van de Week van de Gezondheid en (samen met PHForum) uitvoerder van projecten op de terreinen kennisinfrastructuur, preventie en curatie en beroepskrachtenplanning.
Naast de algemene bepalingen in de Grondwet (zie: Wie doet wat, overheid) kent Nederland verschillende wetten die erop zijn gericht de gezondheid van de bevolking te beschermen of te bevorderen. De belangrijkste zijn de Wet publieke gezondheid, de Warenwet, de Tabakswet, de Drank- en horecawet, de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO), de Kwaliteitswet, de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Daarnaast zijn er allerlei bepalingen in wetten gericht op het beschermen van de gezondheid van meer specifieke doelgroepen of gericht op maatschappelijke deelterreinen zoals: Kaderwet diervoeders, Arbowet, Woningwet, Welzijnswet en de Wegenverkeerswet. Zie voor de volledige tekst van de wetten: www.wetten.overheid.nl
Nederland kent ook veel wettelijk bepaalde normen, richtlijnen en keurmerken bedoeld ter bescherming van de burger of consument tegen onveilige waren, stoffen of situaties. Op het terrein van voedselveiligheid en milieubescherming is er in toenemende mate sprake van een internationaal of Europees kader. In ons land bestaat een zekere terughoudendheid voor het wettelijk afdwingen van wenselijke gedragingen van met name het bedrijfsleven. Dit uit zich onder meer in het bestaan van allerlei gedragscodes van brancheverenigingen in de voedingsmiddelenindustrie, zoals de Reclamecode.
De wet- en regelgeving op het gebied van het beschermen en bevorderen van de gezondheid valt en staat met de handhaving ervan. De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zijn onderdelen van het staatstoezicht op de volksgezondheid in ons land. De VWA ziet erop toe dat de wettelijke regels worden nageleefd voor eet- en drinkwaren en consumentenproducten zoals die staan vermeld in de Warenwet, Tabakswet en Drank- en Horecawet. Ook moet de VWA mogelijke gezondheidsbedreigende situaties signaleren.
De IGZ houdt toezicht op de kwaliteit van en toegang tot de gezondheidszorg. De inspectie ziet er op toe dat beroepsbeoefenaren, instellingen en bedrijven op vijf toezichtvelden binnen de gezondheidszorg de wet- en regelgeving naleven. Eén van die velden is Preventie, Public Health en Rampengeneeskunde (PPR). Jaarlijks inspecteert de IGZ bij een steekproef van GGD'en hoe zij de taken epidemiologie en jeugdgezondheidszorg uitvoeren en met enige regelmaat wordt thematisch onderzoek verricht op het PPR-veld. In 2005 heeft de IGZ onderzoek verricht naar de uitvoering van de openbare gezondheidszorg door gemeenten en GGD'en. Het rapport 'Openbare gezondheidszorg: hoe houden we het volk gezond?' (IGZ, 2005a) beschrijft de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit en toekomstbestendigheid van de openbare gezondheidszorg (zie de website van de IGZ). IGZ wil iedere vier jaar de uitvoering van de doelstellingen van de landelijke preventienota toetsten.
Het landelijk volksgezondheidsbeleid wordt jaarlijks in hoofdlijnen gepresenteerd in de Beleidsagenda en de begroting van VWS. Daarnaast wordt in afzonderlijke beleidsnota's en brieven ingegaan op (specifieke onderdelen van) dit beleid. VWS dient iedere vier jaar de landelijke prioriteiten vast te stellen voor collectieve preventie. Met de nota 'Langer gezond leven 2004-2007' is voor het eerst aan deze verplichting voldaan. Najaar 2006 is de nieuwe landelijke preventienota verschenen, getiteld 'Kiezen voor gezond leven 2007-2011' De landelijke nota dient als leidraad voor de vierjaarlijkse lokale gezondheidsnota's die gemeenten opstellen. Hierin staan de lokale ambities en keuzes voor de collectieve preventie.
In de preventienota 'Kiezen voor gezond leven' (VWS, 2006l) is het voorgenomen beleid voor de periode 2007-2011 beschreven. De nadruk ligt, net als in de vorige preventienota, op het bevorderen van een gezonde leefstijl. Uitgangspunt van het beleid is dat gezond leven een keuze is en dat de verantwoordelijkheid hiervoor allereerst bij de burger zelf ligt. Ongezonde leefgewoonten zoals roken, overmatig drinken en onvoldoende bewegen, vormen veel risico voor hart- en vaatziekten, kanker, chronische luchtwegaandoeningen en diabetes. Door een gezondere leefstijl is dus gezondheidswinst te behalen. Kiezen voor gezond leven is echter niet eenvoudig en mensen moeten meer tot gezonde keuze worden verleid door de samenleving zo in te richten dat het makkelijker wordt een gezonde keuze te maken. De overheid en landelijke en lokale actoren moeten hier gezamenlijk aan bijdragen. De nota bevat een bijlage met een uitwerking van de gekozen speerpunten en een actieprogramma om het gemeentelijk beleid te ondersteunen. Voor het actieprogramma is in 2007 4,6 miljoen euro beschikbaar gesteld.
In de preventienota zijn vijf speerpunten benoemd, drie leefstijlfactoren (roken, overgewicht en schadelijk alcoholgebruik) en twee ziektes (diabetes en depressie). Roken, overgewicht (bewegen en voeding) en diabetes zijn al in de vorige nota tot speerpunten van het landelijk beleid benoemd. Deze thema's sprongen er in negatieve zin het meest uit en zijn met voorrang aangepakt. Hoewel er voor deze speerpunten zowel op landelijk als lokaal niveau allerlei projecten zijn opgezet, is er nog steeds gezondheidswinst mogelijk en nodig. Daarnaast zijn depressie en schadelijk alcoholgebruik als speerpunten benoemd. Preventie (vroegsignalering) en tijdige interventie kan naar verwachting een flink deel van de hiermee gepaard gaande ziektelast voorkomen.
Ook andere departementen hebben (deel)verantwoordelijkheid op specifieke terreinen van preventie (zie: Wie doet wat). Vaak is er sprake van gedeelde verantwoordelijkheid en samenwerking met VWS op deze deelterreinen. Zo bestaat er samenwerking tussen de ministeries van VROM en VWS in de Nationale aanpak milieu en gezondheid (2008-2012). Deze aanpak betreft milieugerelateerde gezondheidsproblemen en is gericht op het binnenmilieu en de leefomgeving. Een ander voorbeeld van samenwerking betreft het actieplan Sociale zekerheid en zorg. Dit is een gezamenlijk traject van de ministeries van SZW en VWS, gericht op een betere afstemming van sociale zekerheid en gezondheidszorg ter voorkoming van (langdurig) ziekteverzuim. Op bedrijfstakniveau worden sociale partners aangesproken op hun verantwoordelijkheid bij preventie, aanpak van verzuim en het weer aan de slag helpen van zieke of (gedeeltelijk) arbeidsgeschikte werknemers.
In totaal is in 2003 bijna 12,5 miljard euro aan preventie uitgegeven. Hierin zijn alle uitgaven opgenomen die binnen en buiten de gezondheidszorg aan preventie worden gemaakt. Binnen de gezondheidszorg is 2,6 miljard euro aan preventie besteed. Hieronder vallen de kosten die door het Ministerie van VWS en zorgverleners uitsluitend ter bevordering van de volksgezondheid worden gemaakt. Buiten de gezondheidszorg is bijna tien miljard euro uitgegeven (80% van het totaal). Maatregelen buiten de gezondheidszorg hebben vaak het bevorderen van de volksgezondheid als hoofddoel maar zijn ook gericht op het algemene welzijn (creëren van een schone, rustige, veilige en sociale leefomgeving). Voorbeelden van dit soort maatregelen zijn afvalverwijdering of het plaatsen van geluidsschermen (De Bekker-Grob et al., 2006).
In 2003 is het grootste deel van de uitgaven aan preventie, 80 procent (9956 miljoen euro), aan gezondheidsbescherming besteed (zie: verdeling van uitgaven aan preventie). Binnen de gezondheidsbescherming is het meeste uitgegeven aan milieuveiligheid en lucht- en woningkwaliteit. Vrijwel alle uitgaven aan gezondheidsbescherming vallen buiten de gezondheidszorg. Aan ziektepreventie is 17 procent (2064 miljoen euro) van de kosten toe te rekenen en aan gezondheidsbevordering 3 procent (434 miljoen euro). De cholesterol- en bloeddrukverlagers vormen de grootste kostenpost bij ziektepreventie. De uitgaven aan de arbeidsgerelateerde preventie en de preventie van psychische aandoeningen zorgen bij gezondheidsbevordering voor hoge kosten. De arbeidsgerelateerde kosten zijn bijna geheel toegewezen aan gezondheidsbevordering maar onbekend is welk deel toe te wijzen is aan ziektepreventie (bijvoorbeeld keuringen), gezondheidsbescherming (bijvoorbeeld risico-evaluaties) of gezondheidsbevordering (bijvoorbeeld training in het gebruik van technische hulpmiddelen).
Van de kosten die binnen de gezondheidszorg worden gemaakt is 83 procent toe te schrijven aan ziektepreventie, 16 procent aan gezondheidsbevordering en 1 procent aan gezondheidsbeschermende maatregelen. De uitgaven aan ziektepreventie nemen duidelijk met leeftijd toe door de hoge uitgaven aan bevolkingsonderzoeken en het gebruik van cholesterol- en bloeddrukverlagers (De Bekker-Grob et al., 2006).
Bij verdeling van de kosten over verschillende ziekten en aandoeningen blijkt dat de meeste uitgaven gericht zijn op het voorkomen van infectieziekten (34%) en ongevallen (29%). De uitgaven betreffen voor het grootste deel gezondheidsbeschermende maatregelen. Zo zijn bij infectieziekten en ongevalsletsels omgevingsfactoren van groot belang en is de inzet van gezondheidsbeschermende maatregelen goed mogelijk. Bij ziektepreventie zijn de belangrijkste uitgaven op het gebied van hart- en vaatziekten (cholesterolremmers, bloedrukverlagers), aandoeningen van het spijsverteringsstelsel (gebitscontroles) en perinatale aandoeningen en zwangerschap. Veel van de gezondheidsbevorderende uitgaven zijn niet goed aan één ziektegroep toe te kennen, omdat de maatregelen bijvoorbeeld gericht zijn op leefstijlfactoren die op meerdere ziekten van invloed zijn (De Bekker-Grob et al., 2006).
In de begroting van 2006 is voor de gehele volksgezondheid, welzijn en sport bijna 43,8 miljard euro begroot. Hiervan gaat 743,3 miljoen euro, ofwel 1,6%, naar de post ‘Preventie en Gezondheidsbescherming’ (Ministerie van Financiën, 2006). In de post ‘Preventie en Gezondheidsbescherming’ zijn geen uitgaven opgenomen aan preventieve interventies die vanuit andere posten gefinancieerd worden zoals het sportbeleid of de curatieve zorg. Voorbeelden van maatregelen die vanuit deze andere posten worden gefinancierd zijn interventies op het gebied van bewegen of interventies die in de eerste lijn worden aangeboden. Ook preventieve interventies die vanuit het gemeentefonds (financiert GGD'en) betaald worden zijn niet in de post ‘Preventie en Gezondheidsbescherming’ opgenomen. Zie ook: Uitgaven gezondheidsbevordering en -bescherming.
Er is een verschuiving te zien in de wijze waarop het Ministerie van VWS preventieve interventies financiert. De premiegefinancierde preventie neemt af en de financiering via de begroting neemt toe (zie figuur 1). Deze verschuiving geeft aan dat steeds meer preventie onder beheer van het Ministerie van VWS komt te staan. Bij de begrotingsuitgaven is het ministerie van VWS namelijk zelf belast met het beheren van de middelen en het uitvoeren van de programma’s. Hiertoe behoren bijvoorbeeld gedragsgerichte gezondheidsbevordering of het voorkomen van en opsporen van infectieziekten. Bij de premiegerelateerde zorguitgaven is de minister van VWS verantwoordelijk voor het scheppen van de randvoorwaarden, de regelgeving en het toezien op de toegankelijkheid, betaalbaarheid en de kwaliteit van de geleverde zorg. De preventieve zorg zelf wordt in dit geval door private zorgaanbieders aangeboden (Ministerie van Financiën, 2006). Zie ook: Wie doet wat?.
Figuur 1: Uitgaven en geplande uitgaven van het Ministerie van VWS aan preventie en gezondheidsbevordering in de jaren 2002-2010a (VWS, 2005a; Ministerie van Financiën, 2006).
a In de totale kosten van 2002 en 2003 zijn drie posten opgenomen die vanaf 2004 onder 'preventie en gezondheidsbevordering' zijn komen te vallen. Zie voor meer informatie: Uitgaven aan gezondheidsbevordering en -bescherming.
Gezondheidsbevorderende instituten (GBI’s) ontvangen voor het uitvoeren van hun taken, financiering van het Ministerie van VWS. In tabel 1 is te zien dat financiering van derden en projectsubsidies die onder andere via ZonMw worden uitgekeerd, een even belangrijke bron van inkomsten zijn voor GBI’s. Zo krijgt het Trimbos-instituut 42% en Stichting Consument en Veiligheid 53% van hun inkomsten van derden. Viervijfde van de inkomsten van STIVORO komt uit extra (doel)subsidies. De GBI’s hebben de taak om de voorlichting, onderzoek, advisering, deskundigheidsbevordering en het uitvoeren van preventieve activiteiten op een bepaald gebied te verzorgen (zie ook: Wie doet wat?).
Momenteel zijn de financiële gegevens van het NISB nog niet beschikbaar.
Tabel 1: Inkomsten gezondheidsbevorderende instituten (GBI's).
GBI
Baten
Percentage
Trimbos-instituut (2004)
(Bron: Trimbos-instituut, 2005c)
(project) subsidie VWS
9.863.939
55,6
projectsubsidies derden
7.509.227
42,3
Overige bedrijfsopbrengsten
368.053
2,1
Totaal (excl. Rentebaten)
STIVORO(2005)
(Bron: STIVORO, 2006b)
Bijdragen moederorganisaties en VWS
1.740.000
30,0
(Doel)subsidies
4.060.422
70,0
Totaal
Consument en veiligheid (2005)
(Bron: Stichting Consument en Veiligheid, 2006)
Instelingssubsidie
3.082.414
43,8
Financiering derden
3.726.266
52,9
Overige baten
232.769
3,3
Stichting Aids Fonds (2005)
(Bron: SANL, 2005b)
Subsidies overheden en anderen
4.383.518
40,7
Mailingacties, contributies etc
3.381.880
31,4
Corporate fundraising
414.609
3,9
Aandeel acties derden
2.316.127
21,5
266.642
2,5
NIGZ (2005)
NIGZ, 2005e
Programmasubsidie
2.850.681
25,4
Projectinkomsten
8.144.663
72,5
Opbrengsten diensten
243.799
2,2
Voedingscentrum (2005)
(Bron: Voedingscentrum, 2006)
Basisfinanciering LNV
1.563.709
19,2
Basisfinanciering VWS
1.108.507
13,6
Projectbaten totaal (via LNV, VWS en overige actoren)
5.157.737
63,3
Netto-omzet
225.629
2,8
Overige opbrengsten
95.532
1,2
NISB
In 2003 zijn de inkomsten van alle Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en) bij elkaar bijna 681 miljoen euro. De bestedingen in 2004 zijn geschat op 677,3 miljoen euro (zie tabel 2). De gemeenten dragen voor bijna de helft bij aan de inkomsten van de GGD’en. GGD'en voeren voor de gemeenten met name collectieve preventietaken uit (zie ook: Wie doet wat?). Andere financiers zijn overige instellingen en cliënten, het rijk en provincies en zorgkantoren en ziekenfondsen. Eigen opbrengsten van bijvoorbeeld de ritopbrengsten van de ambulancedienst, zorgen ook voor een belangrijk deel van de inkomsten.
Tabel 2: Totale inkomsten GGD’en in 2002-2004 in miljoenen (CBS, 2006h).
2002
2003
2004a
Totaal bijdragen gemeenten
281,0
330,0
347,5
Bijdrage Rijk en provincies
40,4
71,1
61,1
Zorgkantoren/ ziekenfondsen
9,5
23,9
20,3
Overige instellingen/ cliënten
137
80,3
81,7
Ontvangsten centr. Post ambulancevervoer
8,3
11,0
12,6
Ontvangen ritopbrengsten ambulancedienst
96,4
36,0
82,7
72,4
Totaal bedrijfsopbrengsten
608,6
680,7
677,3
a voorlopige cijfers
In het licht van de stijgende gezondheidszorgkosten spelen de kosten en de baten van zorginterventies en preventieve interventies een steeds belangrijkere rol bij de verantwoording van lopend beleid en de onderbouwing van nieuw beleid. Beleidsmakers zijn gebonden aan hun budget, waardoor er keuzes gemaakt moeten worden in de besteding van de middelen. Inzicht in de kosteneffectiviteit (kosten in verhouding tot de effecten) van zorginterventies en preventieve interventies is daarom van belang. Een interventie is kosteneffectief als de netto kosten per uitkomstmaat relatief gunstig zijn in vergelijking tot het alternatief (huidige situatie of andere interventies). Een interventie kan ook kostenbesparend zijn: de netto baten van een interventie zijn groter dan de netto kosten.
Een gangbaar afkappunt om een preventieve interventie al dan niet als kosteneffectief te beoordelen, is in Nederland 20.000 euro per gewonnen levensjaar of per voor kwaliteit van leven gecorrigeerd gewonnen levensjaar (QALY). Het geeft aan hoe de opbrengsten (gezondheidseffecten) van de interventie opwegen tegen de kosten van die interventie. Het afkappunt komt voort uit een richtlijn voor preventie van hart- en vaatziekten met cholesterolverlagende statines (Casparie et al., 1999). In 1998 werd bepaald dat het voorschrijven van statines aan hoog-risico patiënten acceptabel was als de verwachte kosten per gewonnen levensjaar onder de 40.000 gulden zouden blijven. Inmiddels is dit bedrag losjes omgezet naar 20.000 euro per gewonnen levensjaar of per QALY. In 2006 stelde de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) een variabele grenswaarde voor, die oploopt tot 80.000 euro per QALY voor aandoeningen met de hoogst mogelijke individuele ziektelast (RVZ, 2006).
Zie voor meer informatie over het vaststellen van kosteneffectiviteit van interventies: Methodiek van onderzoek naar kosteneffectiviteit.
Het wel of niet landelijk invoeren van bepaalde preventieve interventies hangt niet alleen af van de mate van kosteneffectiviteit. Voorbeelden van niet-economische criteria die ook een rol spelen bij het nemen van beslissingen over de invoering van interventies zijn onder andere ethische aspecten en politieke of maatschappelijke druk. Onder invloed van maatschappelijk druk is bijvoorbeeld de vaccinatie tegen Meningokokken C ingevoerd, hoewel de kosteneffectiviteit ervan destijds niet vast stond. Een toename van het aantal gevallen Meningokokken C in 2002 leidde tot een zodanig grote onrust bij ouders van jonge kinderen dat besloten is om een vaccinatieprogramma op te zetten. Maatschappelijke druk kan ook juist leiden tot het niet invoeren van een interventie, zoals de vaccinatie tegen waterpokken. Deze interventie is kosteneffectief, maar omdat veel ouders waterpokken als een onschuldige kinderziekte zien, is invoering van de vaccinatie voorlopig niet aan de orde.
Zie ook: Ziekten in het Rijksvaccinatieprogramma: Meningokokken C.
Er zijn verschillende preventieve interventies die in Nederland (nog) niet zijn ingevoerd, maar waarvan de kosteneffectiviteit (op basis van buitenlandse studies) wel is aangetoond. Voorbeelden van interventies zijn: chlamydiascreening, vaccinatie van ouderen tegen pneumokokken en preventie van hoofdletsel door het dragen van fietshelmen door kinderen (Vijgen et al., 2005; De Wit et al., 2007; Van den Berg et al., 2008a). Meer interventies staan in tabel 1.
Van slechts een klein aantal van de preventieve interventies die in Nederland uitgevoerd worden, is de kosteneffectiviteit bekend. Dit zijn met name interventies die gericht zijn op ziektepreventie, zoals borstkankerscreening, pneumokokkenvaccinatie bij kinderen en griepvaccinatie bij ouderen. Op het terrein van leefstijlbevordering bestaat nog veel behoefte aan kennis over kosteneffectiviteit (Vijgen et al., 2005). In tabel 2 staan verwijzingen naar informatie in het Kompas over enkele preventieve interventies waarvan de kosteneffectiviteit bekend is.
Tabel 2: Verwijzingen binnen het Kompas naar documenten over preventieve interventies waarvan de kosteneffectiviteit bekend is.
Preventie van:
Interventie
Chlamydia
Chlamydiascreening
Baarmoederhalskanker
Baarmoederhalskankerscreening
Dikkedarmkanker
Dikkedarmkankerscreening
Borstkanker
Borstkankerscreening
Pneumokokken bij kinderen
Rijksvaccinatieprogramma (pneumokokkenvaccinatie)
Influenza
Griepvaccinatie ouderen
Bof, mazelen, rodehond
Rijksvaccinatieprogramma (bmr-vaccinatie)
Neuraalbuisdefecten
Foliumzuurgebruik rond de conceptie
Besmetting van het (ongeboren) kind met sifilis
Screening van zwangeren op sifilis
Besmetting van het (ongeboren) kind met hiv
Screening van zwangeren op hiv
Tabel 1: Preventieve interventies waarvan wordt geschat dat ze kosteneffectief zijn (Vijgen et al., 2005; De Wit et al., 2007; Van den Berg et al., 2008a).
Vaccinatie van gezonde jonge kinderen tegen influenza
Vaccinatie van baby's tegen waterpokken
Vaccinatie van baby's tegen rotavirusinfectie
Vaccinatie van alle baby's tegen hepatitis B
Vaccinatie van adolescenten tegen kinkhoest
Vaccinatie van adolescente meisjes tegen HPV
Vaccinatie van werkenden tegen influenza
Vaccinatie van ouderen tegen pneumokokkeninfectie
Screening van jongeren op chlamydia
Screening op baarmoederhalskanker door combinatie van uitstrijkje met HPV-test
Screening van zwangere vrouwen op groep-B-streptokokken (GBS) middels combinatiestrategie ter preventie van neonatale GBS-ziekte
Screening van volwassenen op Helicobacter pylori ter preventie van maagaandoeningen
Screening op diabetische retinopathie
Screening van mannen ouder dan 50 jaar op aneurysma van de buikaorta
Screening van vrouwen ouder dan 70 jaar op osteoporose
Preventieve behandeling met aspirine van mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten
Preventieve behandeling met omega-3 visvetzuren van mensen die een hartinfarct hebben gehad
Farmacologische behandeling van mensen met obesitas
Preventie van plotselinge hartdood door gebruik van automatische externe defibrillatoren
Preventie van heupfracturen door gebruik van heupbeschermers
Preventie van terugval van depressie door cognitieve gedragstherapie
Preventie van terugkerend hartinfarct door hartrevalidatie
Stoppen met roken via de huisarts
Preventie van vallen door oefenprogramma voor zelfstandig wonende ouderen
Preventie van diabetes door leefstijlprogramma voor mensen met verstoorde glucosetolerantie
Preventie van hoofdletsels door gebruik van fietshelmen door kinderen
Preventie van neuralebuisdefecten door voedselverrijking met foliumzuur
Preventie van cariës door fluoridering van drinkwater
Interventies in deze tabel zijn in ten minste drie economische evaluaties als kosteneffectief geschat, voor meer informatie over effectiviteit, vertaalbaarheid en implementatie: Vijgen et al., 2005; De Wit et al., 2007; Van den Berg et al., 2008a). De preventieve interventies waren tijdens het onderzoek nog niet ingevoerd in Nederland; inmiddels zijn of worden verschillende interventies wel ingevoerd.
Kosteneffectiviteit wordt vastgesteld op basis van economische evaluatie-studies. Een volledige economische evaluatie vergelijkt twee of meer interventies of behandelingen met elkaar wat betreft hun kosten en baten. Drie belangrijke onderzoeksmethoden zijn de kosteneffectiviteitanalyse (KEA), een kostenutiliteitanalyse (KUA) en een kostenbatenanalyse (KBA). De drie methoden verschillen vooral in de manier waarop de baten worden vastgesteld:
Het gebruik van een algemene uitkomstmaat zoals een QALY of gewonnen levensjaar maakt het vergelijken van verschillende interventies die dezelfde uitkomstmaat gebruiken in theorie mogelijk. In de praktijk blijkt echter dat veel studies niet zondermeer te vergelijken zijn omdat de gebruikte methoden onderling te veel verschillen. Een andere reden is dat vooral ziektepreventie-interventies getoetst worden, en in mindere mate gezondheidsbeschermende of gezondheidsbevorderde interventies. Hierdoor ontstaat er een onevenwichtig beeld van beschikbare interventies waardoor moeilijker kan worden afgewogen welke interventies het meest opleveren op het gebied van preventie.
Om te beoordelen of interventies kosteneffectief zijn, wordt veelal informatie uit buitenlandse studies gebruikt. Het is bezwaarlijk om deze informatie rechtstreeks te vertalen naar de Nederlandse situatie (Welte et al., 2004a). Het kan bijvoorbeeld zijn dat het prijsniveau van de gezondheidszorg van landen verschilt of dat incidentie en prevalentie van bepaalde ziekten in de bevolking verschillen tussen landen. In het buitenland aangetoonde kosteneffectiviteit is echter geen garantie voor kosteneffectiviteit in Nederland.
Tabel 1: Verdeling van uitgaven aan preventie over risicofactoren en ziektes in 2003 in miljoen euro (De Bekker-Grob et al., 2006).
Interventies
GB
GBe
ZP
Roken a
16,1
1,7
3,7
Alcoholmisbruik
8,1
9,8
Drugsmisbruik
5,1
6,8
Gokverslaving
1,8
Gezonde voeding en overgewicht
12,2
Lichamelijke activiteit en sport
24,2
Screening in de jeugdgezondheidszorg
166,9
Gebitsverzorging en gebitscontroles
0,2
488,5
488,7
Seksuele gezondheid, anticonceptie <21 jaar
11,8
31,0
Verkeersveiligheid
3,0
1.614,2
1.617,2
Brandpreventie
57,0
60,0
Preventie van sportblessures
6,7
Preventie van privéongevallen b
5,8
7,3
13,1
Arbeidsomstandigheden en arbeidsveiligheid c
217,0
25,7
242,7
Geweld
20,8
Geluidshinder
558,3
Drink- en zwemwaterkwaliteit
1.483,7
Afvalverwijdering
1.604,0
Riolering
797,1
Voedselveiligheid
155,9
Luchtkwaliteit, woningkwaliteit, milieuveiligheid d
3.626,5
Psychische aandoeningen
60,4
Kankerpreventie e
15,4
69,0
84,4
Diabetespreventie
0,8
Hart- en vaatziekten: cholesterol- en bloeddrukverlagers
902,0
Aangeboren afwijkingen, perinatale aandoeningen en zwangerschapscomplicaties
115,3
Botontkalking
67,9
Infectieziekten: vaccinaties en screening
145,1
Algemene gezondheid (niet nader gespecificeerd)
35,4
93,6
129,0
Totaal (miljoen euro)
434,4
9.955,6
2.063,8
12.453,8
a Voorlichting, tabakscontrole, stoppen-met-rokeninterventies
b Voorlichting, schoolzwemmen, inspectie producten.
c Preventie uitgevoerd door arbodiensten is geheel toegewezen aan gezondheidsbevordering omdat onbekend is welk deel toe te wijzen is aan ziektepreventie (bijvoorbeeld keuringen), gezondheidsbescherming (bijvoorbeeld risico-evaluaties) of gezondheidsbevordering (bijvoorbeeld training in het gebruik van technische hulpmiddelen).
d Vermindering uitstoot afvalstoffen en verzuring, VROM Inspectie, radon, gevaarlijke stoffen, GGD technische hygiënezorg.
e Voorlichting, bevolkingsonderzoek borst- en baarmoederhalskanker.
De ‘Kosten van preventie in Nederland 2003’ (De Bekker-Grob et al., 2006) rapporteert de resultaten van een eenmalig onderzoek naar de kosten van preventie. Het peiljaar van het onderzoek is 2003. De rapportage maakt deel uit van de ‘Zorg voor euro’s’ serie naar de kosten van ziekten (Zie ook de Kosten van ziekten-website). In De Bekker-Grob et al. is een zo compleet mogelijk overzicht gegeven van de kosten aan preventieve maatregelen binnen en buiten de gezondheidszorg. De kosten zijn verdeeld naar soort maatregel (gezondheidsbevordering, gezondheidsbescherming en ziektepreventie), specifieke ziekten, leeftijdsgroepen en geslacht. De toewijzing van de kosten van preventieve maatregelen gericht op risicofactoren is met behulp van PAR’s (populatie attributief risico) aan ziekten toegekend.
In dit onderzoek zijn preventieve maatregelen opgenomen die uitgevoerd zijn door de (semi-)overheid, het bedrijfsleven en door consumenten. De in het onderzoek opgenomen maatregelen hebben een dominant volksgezondheidsdoel maar kunnen ook op andere aspecten gericht zijn. Maatregelen waar de volksgezondheid een ondergeschikte rol speelt, zoals bij de preventie van criminaliteit, zijn niet meegenomen in het onderzoek.
Preventie gericht op het voorkomen van nieuwe gevallen van ziekte door het wegnemen van oorzaken van de ziekten (primaire preventie) en de vroege opsporing van ziekten (secundaire preventie) zijn in dit onderzoek meegenomen. Preventie gericht op het voorkomen of beperken van complicaties van ziekte (tertiaire preventie) is niet meegenomen omdat deze maatregelen vaak sterk verweven zijn met de curatieve zorg. De kosten van preventie en zorg zijn hierbij nauwelijks uit elkaar te halen.
De opbrengsten die voortkomen uit accijns worden niet direct aan preventie besteed waardoor ze niet als kosten van de consument aan preventie kunnen worden gezien. De inkomsten die voortkomen uit de accijnzen zijn niet in dit onderzoek opgenomen omdat dit opbrengsten zijn voor de overheid en geen kosten.
In het onderzoek naar de kosten van preventie is informatie gebruikt uit de CBS zorgrekeningen, beleidsinstrumenten van ministeries en zelfstandige uitvoeringsorganen, de brancherapporten van het Ministerie van VWS en jaarverslagen van individuele instanties of uitvoeringsorganen. Alleen de directe uitgaven zijn als kosten in het onderzoek opgenomen. Onder directe uitgaven vallen uitgaven die gemaakt worden om een preventiemaatregel uit te voeren zoals personele kosten, materiële kosten, onderhoudskosten en kapitaalslasten voor investeringen van een maatregel. Soms zijn uitgaven op nationaal niveau geschat door extrapolatie van uitgaven van individuele instanties. Van een aantal preventieve maatregelen ontbreken gegevens zoals van de preventieve zorg door huisartsen, voedselveiligheid, de politie-inzet bij verkeersveiligheid en de particuliere uitgaven aan preventieve maatregen (De Bekker-Grob et al., 2006). De kosten van preventie zijn dus in werkelijkheid hoger..
Tabel 1: Uitgaven aan de post 'gezondheidsbevordering en -bescherming' in miljoenen euro's (Bron: VWS, 2005a, Ministerie van Financiën, 2006, CBS Bevolkingsprognose).
2004
2005
2006
Bevolkingsonderzoek borstkanker
37,3
43
47,5
Naar begroting
Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker
26,3
25,9
26,9
27,1
Pre- en postnatale preventie
15,3
14,3
17,9
17,4
Nationaal programma grieppreventie
33,1
34,3
36,5
38,3
Rijksvaccinatieprogramma
49,4
55,3
55,9
54,4
Overig; waaronder soa-klinieken, FH screening
11,4
9,7
13,4
Ouder- en kindzorg/dieetadvisering
180,3
47,4
7,9
7,4
Preventieve zorg (begroting)
Gedragsgerichte gezondheidsbevordering
25
16,5
11,7
8
Voorkomen/opsporen van (niet-) infectieziekten
42,4
42
28,1
68,4
82,9
Toegankelijkheid en kwaliteit OGZ
21,9
189,9
212,4
239,5
219,2
Coördinatie/ nazorg bij crises en rampen
17,6
11
7,5
5,9
Consumenten- en productveiligheid
81,2
88,9
86,7
88,5
87,9
Programmering onderzoek/ ontwikkeling
59,5
71,3
100,4
107,7
253,8
Vermijnden onnodige ziektelast door chronische ziekten
3,5a
3,4a
2,9
5,4
4
Bevorderen gezonde en veilige leefomgeving
0a
1,1
1,5
Drugsgebruik
5,3a
4,4a
6,1
Verslavingszorg
14,6a
16,4a
14,2
20,5
Totaal preventie en gezondheidsbescherming
591,1
642,3
673,1
762,8
743,3
Totale zorguitgaven inclusief de begrotingsuitgaven
41.720,90
44.596,40
44.642,40
42 107,3
43.780,80
Percentage preventie van de totale zorguitgaven inclusief de begrotingsuitgaven
1,42
1,44
1,6
1,66
1,56
Aantal inwoners in Nederland
16.105.285
16.192.572
16.258.032
16.305.526
16335509
Uitgaven aan preventie in euro per inwoner
36,7
39,7
46,8
45,5
a Deze kosten zijn in de jaren 2002 en 2003 niet gemaakt in de post gezondheidsbevordering en -bescherming maar in de post geestelijke gezondheid- ,verslavingszorg en maatschappelijke opvang. Deze kosten zijn in de tabel opgenomen om de ontwikkeling van deze kosten weer te geven.
In tabel 1 zijn voor een aantal uitgaven verschillen te zien tussen de diverse jaren. Dit wordt onder andere veroorzaakt door overhevelingen en herschikkingen. De belangrijkste veranderingen zijn:
In 1996 is de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) in werking getreden om mensen te beschermen tegen onnodige of te belastende screening. In deze wet wordt bevolkingsonderzoek gedefinieerd als 'een geneeskundig onderzoek van personen dat wordt verricht ter uitvoering van een aan de gehele bevolking of aan een categorie daarvan gedaan aanbod dat gericht is op het ten behoeve of mede ten behoeve van de te onderzoeken personen opsporen van ziekten van een bepaalde aard of van bepaalde risico-indicatoren'. Voor de volgende drie categorieën van bevolkingsonderzoek moet een vergunning worden gegeven door de minister van VWS:
Voordat een vergunning wordt verleend, moet het onderzoek getoetst worden om te bezien of het nut van het onderzoek de risico's overtreft. Ook moet het bevolkingsonderzoek aan verschillende criteria voldoen (zie tabel 1) (Gezondheidsraad, 1996b).
Tabel 1: Criteria voor bevolkingsonderzoek.
1.
Het screeningsprogramma moet een belangrijk gezondheidsprobleem betreffen
2.
Het bevolkingsonderzoek kan belangrijk bijdragen aan het verminderen van het gezondheidsprobleem
3.
Er is voldoende bekend over het natuurlijke verloop van de aandoening, inclusief de ontwikkeling van het latente naar het manifeste stadium
4.
Er moet een geschikte screeningstest zijn
5.
De test moet voor de doelgroep aanvaardbaar zijn
6.
Er zijn adequate (be)handelingsopties beschikbaar
7.
Het moet duidelijk zijn wie wel en wie niet zal worden doorverwezen voor verder onderzoek of behandeling
8.
Het bevolkingsonderzoek is goed georganiseerd en kwaliteit wordt bevorderd
9.
De verhouding tussen nut en risico's is gunstig
Bronnen
Literatuur
Begrippen
Afkortingen
Definities
Afdrukken