Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Voeding
De determinant, gezondheidsgevolgen en oorzaken

Welke factoren beïnvloeden de voeding en het voedingsgedrag?

Veel factoren beïnvloeden ons voedingsgedrag

Voedingsgedrag bestaat in feite uit meerdere gedragingen en daarmee ook uit meerdere redenen voor dit gedrag. Mensen eten bijvoorbeeld niet alleen om de noodzakelijke energie en nutriënten binnen te krijgen, maar ook omdat het eten lekker is, uit verveling of juist om iets te vieren. Al deze gedragingen hebben weer andere determinanten. Determinanten van voeding hebben dan ook te maken met genetische aanleg (bijvoorbeeld evolutionaire voorkeur voor energierijk voedsel), persoonlijkheidskenmerken en de omgeving waarin mensen leven.

Omgeving van belang

De invloed van de omgeving lijkt onmiskenbaar. Eetgedrag in Nederland vindt plaats in een omgeving die uitnodigt tot veel en lekker eten. De omgeving nodigt tegelijkertijd uit tot veel zitten en weinig bewegen. Meer en meer wordt onderkend dat de omgeving van invloed is op zowel veel eten als weinig bewegen, en deze zogenaamde ‘obesogene’ omgeving is daarmee ook van belang voor de toename in overgewicht (Brug, 2007).

Er zijn vele soorten omgevingen. Volgens het ANGELO (ANalysis Grid for Environments Linked to Obesity) model speelt ten eerste het niveau van de omgeving een rol (Swinburn et al., 1999). Micro-omgevingsfactoren zijn bijvoorbeeld factoren op school, in de buurt, werkomgeving en supermarkt. Voorbeelden van macro-omgevingsfactoren zijn wet- en regelgeving en het openbaar vervoer stelsel. Dwars op de indeling micro-macro onderscheidt het Angelo model ook verschillende typen omgevingen:

  • fysieke omgeving: voorradig zijn van groenten en fruit, portiegrootte, bereidingsgemak;
  • economische omgeving: prijzen, belasting, subsidies;
  • politieke omgeving: wet- en regelgeving, rookvrije horeca;
  • sociaal-culturele omgeving: invloed van mensen om ons heen met wie we ons identificeren, belang dat we hechten aan een goede gezondheid.

Bewijs van invloed omgeving nog beperkt

Het bewijs dat de omgeving invloed heeft op voeding is nog niet heel sterk. Deels komt dit omdat er ook nog niet veel onderzoek gedaan is. Een aantal dingen is wel aangetoond. Zo hangt de energie-inname en vetconsumptie van kinderen en jongeren samen met die van hun ouders. Naarmate kinderen ouder worden neemt de invloed van leeftijdgenoten toe (Jansen et al., 2002). Ook heeft een ruime beschikbaarheid van gezonde voeding en beperkte beschikbaarheid van ongezonde voeding effect op voedselconsumptie, zowel op school als op het werk. Op school is verder aangetoond dat een verlaging van de prijs van gezonde producten in snoep/snackautomaten leidt tot hogere consumptie hiervan. En voor volwassenen is er ook enig bewijs dat de gemiddelde portiegrootte van invloed is op de energie-inname (Van der Horst et al., 2007; Giskes et al., 2007).

Aanbod van voedingsmiddelen is van invloed op consumptie

Ook de voedingsmiddelenindustrie heeft invloed op wat de consument eet, aangezien het aandeel bewerkte voeding in de totale consumptie nog steeds toeneemt (Van Raaij et al., 2009). Door het wijzigen van de bestanddelen kan de industrie deze bewerkte voeding gezonder maken, waardoor consumenten gezonder gaan eten.

Minder verzadigde en transvetzuren in voedingsproducten

Met het verbeteren van de vetzuursamenstelling van voedingsmiddelen kan de industrie de hoeveelheid transvetzuren en verzadigd vet in de bewerkte voeding verlagen. Met een verlaging van deze ongezonde vetten wordt het voor de consument makkelijker aan de Richtlijnen goede voeding 2006 van de Gezondheidsraad te voldoen: een inname van maximaal 1 energieprocent (en%) transvetzuren en maximaal 10 en% verzadigd vet. In de Voedselconsumptiepeiling van 2003 was de consumptie van transvetzuren gemiddeld 1,0 en% en die van verzadigde vetzuren gemiddeld 13 en%. Door de lagere gehaltes aan transvetzuren in bepaalde voedingsmiddelen, vooral in broodsmeersels en bak- en braadvetten, is de consumptie van transvetzuren de afgelopen jaren al gedaald (Kraak, 2004). Door een verdere verlaging van de gehaltes transvetzuren in vooral koek en gebak en buitenshuis gefrituurde producten kan nog meer gezondheidswinst behaald worden.

Industrie verlaagt hoeveelheid zout in producten

De industrie heeft de laatste jaren de hoeveelheid zout in hun producten verlaagd. Dit deed zij in reactie op de oproep van de Gezondheidsraad aan het bedrijfsleven om via productherformulering en innovatie een bijdrage te leveren aan het voldoen aan de Richtlijnen goede voeding (FNLI, 2008). Door een verlaging van de hoeveelheid zout in levensmiddelen zal een directe daling zichtbaar zijn in de landelijke zoutinname. Een verminderde zoutconsumptie zal zich uiten in een daling van de prevalentie van hoge bloeddruk en het aantal gevallen van hart- en vaatziekten in Nederland

Zie ook: Icoon interne verwijzing naar onderwerpPreventie gericht op voeding.

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Brug J.Overgewicht als maatschappelijk en wetenschappelijk vraagstuk. In: Dagevos H & Munnichs G. De obesogene samenleving. Maatschappelijke perspectieven op overgewicht. Amsterdam: Amsterdam University Press 2007.
  • FNLI, Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie.Actieplan Zout in Levensmiddelen. Rijswijk: FNLI, 2008.
  • Giskes K, Kamphuis CB, van Lenthe FJ, Kremers S, Droomers M, Brug J.A systematic review of associations between environmental factors, energy and fat intakes among adults: is there evidence for environments that encourage obesogenic dietary intakes? Public Health Nutr 2007; 10: 1005-17
  • Jansen J, Schuit AJ, Lucht F van der. Tijd voor gezond gedrag. Bevordering van gezond gedrag bij specifieke groepen. Themarapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002. RIVM-rapport nr. 270555004. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum,2002.
  • Kraak H.NVVL-symposium over transvetten. Ontmoeting tussen wetenschap en industriële praktijk. Voeding Nu, 2004; 6: 15-17.
  • Swinburn B, Egger G, Raza F.Dissecting obesogenic environments: the development and application of a framework for identifying and prioritizing environmental interventions for obesity. Prev Med 1999; 29(6 Pt 1): 563-70
  • Van der Horst K, Oenema A, Ferreira I, Wendel-Vos W, Giskes K, van Lenthe F, Brug J.A systematic review of environmental correlates of obesity-related dietary behaviors in youth. Health Educ Res 2007; 22(2): 203-26
  • Van Raaij J, Hendriksen M, Verhagen H.Potential for improvement of population diet through reformulation of commonly eaten foods. Public Health Nutr, 2009; 12(3): 325-30.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

en%
Energieprocent
Het aandeel dat een voedingsstof levert aan het aantal calorieën ofwel de totale energie-inname. Zo betekent de aanbeveling 'hooguit tien energieprocent verzadigde vetzuren' dat niet meer dan tien procent van de calorieën afkomstig zou moeten zijn uit verzadigde vetzuren.

Definities

Prevalentie
Het aantal personen met een bepaalde ziekte of leefstijl op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode zoals een jaar (periode-prevalentie), in aantallen of percentages.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.