Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Voeding

Samengevat

Gezonde voeding vermindert risico op ziekten

Gezonde voeding kan een kwart van alle kankers en hart- en vaatziekten voorkomen. Een ongezond voedingspatroon is een belangrijke risicofactor voor een aantal chronische ziekten, waaronder kanker, hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en osteoporose. Voor alle gezondheidsgevolgen van ongezonde voeding samen geldt dat het grootste verlies optreedt doordat de inname van vis en van fruit niet voldoet aan de aanbevelingen. 

Consumptie van groenten en fruit vermindert het risico op hart- en vaatziekten

Consumptie van groenten en fruit vermindert het risico op hart- en vaatziekten en enkele kankers. Ook een vezelrijke voeding vermindert het risico op coronaire hartziekten. Voor de preventie van coronaire hartziekten lijkt de vetzuursamenstelling belangrijker dan de totale hoeveelheid vet. Verzadigde vetzuren en transvetzuren verhogen het risico op coronaire hartziekten vergeleken met onverzadigde vetzuren. De onverzadigde visolievetzuren verminderen juist het risico op coronaire hartziekten. Tekorten aan microvoedingsstoffen leiden met name bij bepaalde risicogroepen tot ziekten. Een inname van microvoedingsstoffen hoger dan de aanbeveling levert daarentegen geen extra gezondheidswinst op.

Klein deel van de bevolking eet voldoende groenten en fruit

Slechts een klein deel van de bevolking eet voldoende groenten en fruit. Van een aantal leeftijdsgroepen voldoet slechts 1% aan de richtlijn voor groenten. Dit neemt toe met de leeftijd tot maximaal 1 op de 6 bij vrouwen boven de 50 jaar. Een iets groter percentage van de bevolking haalt de aanbeveling voor fruit. Dit varieert voor de verschillende leeftijdsgroepen van 3 tot 26%.

Consumptie van vetzuren is laatste jaren verbeterd

Het type vet in de voeding is de laatste jaren verbeterd. Vooral doordat de hoeveelheid transvetzuren in voedingsmiddelen is afgenomen. De voeding van 1 tot 5% van de bevolking bevatte meer transvetzuren dan de gestelde bovengrens van 1% van de totale energie. Het aandeel verzadigde vetzuren in de voeding is echter nog ongunstig. Meer dan 85% van de bevolking had een te hoge bijdrage van verzadigd vet aan de totale energie.

Verder onderzoek naar lage inname micronutriënten

Een deel van de bevolking krijgt minder vitamine A, B1, C en E, magnesium, kalium en zink binnen dan wordt aanbevolen. Bovendien volgen specifieke leeftijdsgroepen het advies voor hogere innames van foliumzuur, vitamine D, ijzer en calcium niet altijd op. Verder onderzoek is nodig naar de effecten hiervan op de gezondheid.

Ontbijtgranen, zuivel en vlees belangrijkste bron van energie

Ontbijtgranen (inclusief brood), zuivelproducten en vlees zijn de belangrijkste bronnen van energie. Van de totale energieinname werd gemiddeld 30% buiten de hoofdmaaltijden om geconsumeerd en was 29% van de energie afkomstig van buitenshuis gegeten voedingsmiddelen.

Nederlanders eten te weinig basisvoedingsmiddelen

De consumptie van basisvoedingsmiddelen is lager dan de aanbeveling van de Richtlijnen Voedselkeuze van het Voedingscentrum. Basisvoedingsmiddelen zijn bijvoorbeeld brood, aardappelen, zuivelproducten en smeer- en bakvetten. Niet-basisvoedingsmiddelen zoals ‘suiker, snoep, zoet beleg en zoete sauzen’, ‘gebak en koek’ en ‘niet-alcoholische dranken’ zijn verantwoordelijk voor ongeveer 21% van de totale energie-inname.

Consumptie groente en fruit is in Nederland laag vergeleken met Zuid-Europa

Vergeleken met Zuid-Europese landen is de consumptie van groente en fruit in Nederland en andere Noord-Europese landen laag. Nederlandse jongeren eten bovendien niet vaak dagelijks fruit, maar wel relatief vaak dagelijks groente. Ook de consumptie van vis is in Nederland relatief laag. De Europese verschillen in groente-, fruit- en vetconsumptie nemen wel af.

Veel factoren beïnvloeden ons voedingsgedrag

Veel verschillende factoren beïnvloeden welke producten mensen eten en hoeveel ze van bepaalde voedingsstoffen binnenkrijgen. Genetische aanleg, persoonlijkheidskenmerken, de omgeving en het aanbod van voedingsmiddelen zijn alle van invloed op de consumptie. Zo hebben bijvoorbeeld ouders en leeftijdsgenoten invloed op wat kinderen eten. Ook de prijs en portiegrootte beïnvloeden de consumptie. Door veranderingen in de samenstelling van producten heeft ook de industrie door middel van het productaanbod invloed op de inname van voedingsstoffen.

.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.