Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Voeding
Omvang van het probleem

Voeding: Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?

Laagopgeleide jongvolwassenen eten minder groenten en fruit

Jongvolwassenen (19 tot 30 jaar) met een lage opleiding eten minder groenten dan de overige 19- tot 30-jarigen; jongvolwassenen met een hoge opleiding (hoger beroepsonderwijs of universiteit) eten dagelijks 20 tot 30 gram meer groenten dan jongvolwassenen met een lage opleiding (geen onderwijs of alleen basisonderwijs) (VCP, 2003). Voor fruitconsumptie lijkt een vergelijkbaar patroon op te treden, maar de verschillen zijn niet significant (zie tabel 1).

Het opleidingsniveau geeft een indruk van de sociaaleconomische status van mensen (zie ook: Wat is sociaaleconomische status?).

Laagopgeleide jongemannen eten meer verzadigd vet

De inname van verzadigde vetzuren verschilt bij jongvolwassen mannen naar opleiding. Bij mannen met de laagste opleiding is de vetconsumptie het ongunstigst: zij hebben gemiddeld de hoogste inname (13,5 energieprocent (en%)) van verzadigde vetzuren. De laagste inname (gunstig) wordt aangetroffen in de middenklasse (12,2 en%). Bij vrouwen zijn er voor verzadigd vet geen verschillen tussen de opleidingsniveaus (zie tabel 1). Voor totaal vet en transvetzuren worden bij zowel mannen als vrouwen geen verschillen naar opleiding gevonden (Hulshof et al., 2004).

Opleiding ouders heeft invloed op consumptie bij jonge kinderen

Ook bij jonge kinderen is er een verband tussen opleiding en de consumptie van bepaalde voedingsmiddelen en voedingsstoffen. Het gaat hier om de opleiding van de ouders en/of verzorgers. Kinderen met hoogopgeleide ouders eten de meeste groente, fruit, vitamine D en vezels (zie tabel 2). Voor de consumptie van verzadigde vetzuren en vis zijn er geen significante verschillen tussen de opleidingsgroepen (VCP, 2005/2006).

Mensen met lage opleiding hebben een ongunstiger voedingspatroon

Net als voor de jongvolwassenen geldt ook voor de totale bevolking dat mensen met een lage opleiding in 1997/1998 voor groente en fruit het minst gunstige gedrag vertoonden (VCP, 1997/1998). Ook op andere aspecten hadden zij een iets minder gunstig voedingspatroon dan mensen met een hoge opleiding (Hulshof et al., 2003). Zo hadden ze vaker een ongunstige energiebalans. Het energieverbruik afgemeten aan de lichamelijke activiteit is lager in de lage opleidingsgroep dan in de hoge opleidingsgroep (Schuit et al., 1999; Hildebrandt et al., 1999a), terwijl de energie-inname bij beide groepen ongeveer gelijk is (Hulshof et al., 2003). Hierdoor hebben mensen met een lage opleiding ook vaker overgewicht. Ook uit een studie in Eindhoven en omgeving blijkt dat mensen met een lagere opleiding een ongezonder voedingspatroon hebben. Hun voedselkeuze (bepaald met de keuze voor zes hoofdvoedingsmiddelen) is significant minder gezond en ook eten laagopgeleiden minder fruit en slaan ze vaker hun ontbijt over (Giskes et al., 2006).

Laagopgeleiden hebben ongezondere vetconsumptie

Laagopgeleiden vertonen ook voor (verzadigd) vet het minst gunstige gedrag (VCP, 1997/1998). Bovendien consumeren vrouwen uit de laagste opleidingsgroep meer totaal en enkelvoudig onverzadigd vet dan vrouwen uit de hoogste opleidingsgroep (Giskes et al., 2004).

Laagopgeleide vrouwen gebruiken minder vaak een foliumzuursupplement

Het gebruik van een foliumzuursupplement is lager onder vrouwen met een lage opleiding dan onder vrouwen met een hoge opleiding. Driekwart van de vrouwen met een lage opleiding gebruikt geen foliumzuursupplement tegen de helft van de vrouwen met een hoge opleiding (Gezondheidsraad, 2008e). Verder lijkt de invloed van sociaaleconomische status op de inname van microvoedingsstoffen (zoals calcium, ijzer, vitamine A en vitamine C) beperkt te zijn (VCP, 1997/1998).

Tabel 1: Gemiddelde consumptie van groenten en fruit (inclusief sap) (in gram/dag) en het gemiddelde aandeel dat de verzadigde vetzuren leveren aan de totale energie-inname (in energieprocenten) bij 19- tot 30-jarigen, naar opleidingsniveau, ongecorrigeerd (VCP, 2003).

Groente (gram/dag)

Fruit (gram/dag)

Verzadigde vetzuren (en%)

mannen

vrouwen

mannen

vrouwen

mannen

vrouwen

Opleiding

* (p=0,03)

* (p=0,005)

(p=0,17)

(p=0,62)

* (p=0,006)

(p=0,36)

Laag

97

78

99

122

13,5

13,2

Midden

107

90

119

130

12,2

12,8

Hoog

125

102

134

141

12,9

13,3

* significant p <0,05

Tabel 2: Gemiddelde consumptie van groenten en fruit, vezel, vezel, vis (in gram/dag), vitamine D (in μgram/dag) en het gemiddelde aandeel dat de verzadigde vetzuren leveren aan de totale energie-inname (in energieprocenten) bij 2- tot 6-jarige kinderen, naar opleidingsniveau van verzorgers, ongecorrigeerd (VCP, 2005/2006).

Groente (gram/dag)

Fruit (gram/dag)

Verzadigde vetzuren (en%)

Vitamine D (μgram/dag)

Vezel (gram/dag)

Vis (gram/dag)

Opleiding

* (p=0,001)

*(p=0,01)

(p=0,06)

* (p=0,009)

* (p=0,00002)

(p=0,32)

Laag

39

113

12,3

2,9

12,6

5

Gemiddeld

37

117

11,9

3,3

12,5

4

Hoog

47

120

11,7

3,6

13,4

6

* significant (p <0.05)

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Gezondheidsraad.Naar een optimaal gebruik van foliumzuur. publicatienr. 2008/02. Den Haag: Gezondheidsraad 2008e.
  • Giskes K, Turrel G, Lenthe FJ van, Brug J, Mackenbach JP.A multilevel study of socio-economic inequalities in food choice behaviour and dietary intake among the Dutch population: the GLOBE study. Public Health Nutrition, 2006; 9: 75-83.
  • Giskes K, Lenthe Fv F, Brug HJ, Mackenbach J.Dietary intakes of adults in the Netherlands by childhood and adulthood socioeconomic position. Eur J Clin Nutr 2004; 58(6): 871-80
  • Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M (red.).Trendrapport Bewegen en Gezondheid 1998/1999. Lelystad: Koninklijke Vermande, 1999a.
  • Hulshof KF, Brussaard JH, Kruizinga AG, Telman J, Lowik MR.Socio-economic status, dietary intake and 10 y trends: the Dutch National food Consumption Survey. Eur J Clin Nutr, 2003; 57(1): 128-37.
  • Hulshof KFAM, Ocke MC, Rossum CTM van, Buurma-Rethans EJM, Brants HAM, Drijvers JJMM. Resultaten van de Voedselconsumptiepeiling 2003. RIVM-rapport nr. 350030002. Bilthoven: RIVM,2004.
  • Schuit AJ, Feskens EJM, Seidell JC.Lichamelijke activiteit in samenhang met sociaal-demografische determinanten en gezondheidskenmerken bij volwassen mannen en vrouwen in Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. Ned Tijdschr Geneeskd 1999; 143(30): 1559-64.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

en%
Energieprocent
Het aandeel dat een voedingsstof levert aan het aantal calorieën ofwel de totale energie-inname. Zo betekent de aanbeveling 'hooguit tien energieprocent verzadigde vetzuren' dat niet meer dan tien procent van de calorieën afkomstig zou moeten zijn uit verzadigde vetzuren.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.