Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Roken
De determinant, gezondheidsgevolgen en oorzaken

Wat zijn de mogelijke oorzaken van roken?

Beginnen met roken Blijven roken

Beginnen met roken

Diverse factoren beïnvloeden de kans dat iemand gaat roken

Diverse factoren zijn van invloed op de kans dat jongeren (gaan) roken (zie tabel 1). Deze factoren zijn onder te verdelen in:

  • Omgevingsfactoren, zoals de verkrijgbaarheid van tabak, tabaksreclame en het rookgedrag van ouders en leeftijdsgenoten.
  • Persoonsgebonden factoren, zoals de houding ten aanzien van roken, persoonlijkheidskenmerken, genetische aanleg en vaardigheden (bijvoorbeeld weerbaarheid).

De huidige theoretische inzichten verklaren of voorspellen slechts gedeeltelijk de kans dat iemand gaat roken. Het is maar beperkt mogelijk om aan te geven welke factoren de belangrijkste zijn. Dit hangt onder meer samen met de leeftijd en de mate waarin een jongere al bezig is met experimenteren met sigaretten. Rookgedrag ontstaat namelijk stapsgewijs en in elke fase zijn andere factoren van invloed (Pieterse & Willemsen, 2005).

De omgeving is van invloed op het beginnen met roken

De kans dat iemand met roken begint te experimenteren, wordt sterk bepaald door de mate waarin roken een sociaal geaccepteerd gedrag is binnen vooral het eigen sociale netwerk (gezin, vrienden en school) en in mindere mate de samenleving als geheel (zie tabel 1). Ouders beïnvloeden met hun eigen rookgedrag (voorbeeldgedrag) en met hun opvoedingsstijl het rookgedrag van adolescenten. De invloed van ouders lijkt vooral in de vroege adolescentie van belang te zijn, terwijl de invloed van leeftijdsgenoten toeneemt naarmate het kind ouder wordt (Pieterse & Willemsen, 2005). De invloed van rokende leeftijdsgenoten (imitatiegedrag) is een sterke voorspeller van beginnen met roken. Er is hierbij nog wel discussie over de vraag of dit komt door beïnvloeding en navolging of dat het ook zo is dat kinderen die al geïnteresseerd zijn in roken hun vrienden daarop selecteren. Waarschijnlijk spelen beide processen een rol (Harakeh, 2006).

Roken gaat vaak samen met ander risicogedrag

Het rookgedrag van jongeren maakt vaak deel uit van een breder patroon van riskant, rebellerend en afwijkend gedrag, zoals rijden onder invloed van alcohol, antisociaal gedrag of het gebruik van andere genotmiddelen (zie tabel 1). Jongeren die roken, hebben een bijna zeven keer grotere kans om alcohol te drinken of op jonge leeftijd seks te hebben. De kans op cannabisgebruik is bij rokende jongeren bijna 22 keer zo groot als bij niet-rokende jongeren (Schrijvers & Schoemaker, 2008). Ook bij volwassenen zijn er samenhangen tussen ongezond gedrag. Rokers blijken vaak ook te veel alcohol te drinken, te weinig te bewegen en ongezond te eten (Schneider et al., 2009; Poortinga, 2007)

Roken hangt samen met persoonsgebonden factoren

Roken hangt samen met verschillende persoonsgebonden factoren, zoals de houding ten opzichte van roken, opvattingen en persoonlijkheid (zie tabel 1).

Ook zijn verschillende aspecten van het roken, zoals het beginnen met roken, het aantal sigaretten dat wordt gerookt en het (kunnen) stoppen met roken geassocieerd met erfelijkheid. In lijn met bevindingen voor andere verslavingen zoals alcohol en drugs, blijkt uit tweelingonderzoek dat wel of niet roken voor ongeveer 50% erfelijk bepaald is (Pieterse & Willemsen, 2005). Hierbij speelt verslaving aan nicotine een hoofdrol. Bij deze verslaving zijn vooral het nicotine metabolisme en de signaaloverdracht in de hersenen van belang.

Genen beïnvloeden nicotine metabolisme

Het CYP2A6 gen codeert voor een enzym dat in de lever betrokken is bij de afbraak van nicotine. Mensen met een defecte kopie van dit gen beginnen minder vaak met roken (50% afname). Echter, het beschermende effect van dit gen verklaart naar schatting slechts 2% van de genetische variatie in rookgedrag. Dit impliceert dat er nog veel meer genen bij nicotineverslaving betrokken zijn (Pieterse & Willemsen, 2005). De aanwezigheid van het CYP2B6 gen heeft ook een gunstige invloed op stoppen met roken. Mensen die het anti-verslavingsmiddel bupropion gebruiken om te stoppen met roken, vertonen een kleinere kans op terugval als zij een specifieke variant van dit gen bezitten, omdat zij buprorion beter metaboliseren (Lee et al., 2007b).

Genen beïnvloeden signaaloverdracht in de hersenen

Bij verslaving spelen genen een rol die coderen voor eiwitten die betrokken zijn bij signaaloverdracht in de hersenen (neurotransmissie). Belangrijke neurotransmitters zijn in dit verband dopamine en acetylcholine. Een tiental van deze neurobiologische kandidaatgenen, deels bevestigd met GWAS-studies, bepalen waarschijnlijk mede het risico op rookverslaving (Goldman et al., 2005; Li & Burmeister, 2009). Deze genen lijken ook een rol te spelen bij andere verslavingen, zoals alcohol en drugs. Naar schatting verklaart de gezamenlijke bijdrage van al deze genetische varianten 5-10% van de genetische variatie in rookgedrag. Een aanzienlijk deel van de veronderstelde 50% erfelijkheid voor (rook)verslaving blijft dus nog onbekend. Dit past in het algemene beeld over bijdragen van genetische factoren aan complexe ziekten (Manolio et al., 2009).

Naar boven

Tabel 1. Factoren die samenhangen met de kans op (gaan) roken a (Pieterse & Willemsen, 2005).

Factoren die kans op (gaan) roken verkleinen

Factoren die kans op (gaan) roken vergroten

omgevingsgebonden factoren

omgevingsgebonden factoren

Niet-roken van ouders (vooral moeder)

rookgedrag van broer/zus, (beste) vrienden en leeftijdsgenoten

Anti-roken houding bij ouders (onafhankelijk van hun rookgedrag)

makkelijke verkrijgbaarheid van tabak b, d

Opvoeding: controlerend (vooral jongens) en tegelijk steunend (vooral meisjes)

tabaksreclame (vergroot sociale acceptatie van roken)

Betrokkenheid bij school en goede schoolprestaties

pro-rokenattitude en groepsnorm, soms gekoppeld aan subcultuur als gabber/hiphop

persoonsgebonden factoren

persoonsgebonden factoren

Actief sportleven en gezond eetpatroon

riskant, rebellerend en deviant gedrag

Anti-roken houding

genetisch bepaalde gevoeligheid voor de verslavende werking van nicotine

Korte termijn negatieve verwachtingen (vieze smaak en geur, duur, slecht voor conditie)

depressieve gevoelens

Gezondheidsopvattingen (slecht voor hart en longen, etc.)

stress (bijv. door slechte schoolprestaties)

Vaardigheid om sociale druk tot roken te weerstaan en de copingstijlb, c

laag gevoel van eigenwaarde

Subjectieve norm (personen, die voor iemand belangrijk zijn, vinden dat hij niet moet roken)

niet-beredeneerde processen (gewoontevorming, conditionering) bestendigen beginnend rookgedrag

gevoeligheid voor invloed van leeftijdsgenoten

slechte prestaties op school of werk

angst

neiging tot het nemen van risico's

a Factoren die samenhangen met rookgedrag zijn niet altijd oorzaken van het gedrag, maar kunnen ook een kenmerk zijn van personen waar het gedrag vaker bij voorkomt. De informatie is afgeleid uit tabel 16.2 in Pieterse & Willemsen, 2005, die gebaseerd is op diverse reviews (Tyas & Pederson, 1998; Perry & Staufacker, 1996) en een meta-analyse (Derzon & Lipsey, 1999).

b Factoren waarvoor de bewijslast minder sterk is; hierdoor wordt dan alleen gesproken van 'een mogelijke samenhang' met rookgedrag.

c Copingstijl is een probleemoplossende wijze van omgaan met moeilijkheden.

d Bij makkelijke verkrijgbaarheid van sigaretten valt te denken aan factoren als: nabijheid verkooppunten, sigarettenautomaten, slechte handhaving leeftijdsgrens bij verkoop, lage prijs.

Naar boven


Blijven roken

Tabaksverslaving is combinatie van fysiologische en psychologische processen

De hardnekkigheid van de tabaksverslaving wordt voor een belangrijk deel gezocht in de wisselwerking tussen fysiologische en psychologische processen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de effectiviteit van behandeling met medicijnen (gericht op fysiologische processen) ongeveer verdubbelt als dit gepaard gaat met cognitief-gedragstherapeutische ondersteuning.

De primaire reden waarom mensen blijven roken of weer opnieuw gaan roken na een stoppoging is het voordeel dat een roker verwacht van het roken. Zo zou roken helpen bij het ontspannen, verbeteren van de stemming, concentreren en gezellig maken van contacten met anderen. Dit heeft te maken met de werking van nicotine, die het vrijkomen van dopamine stimuleert. Men veronderstelt dat net als bij andere verslavingen ook bij nicotineverslaving de dopamine zorgt voor een prettig gevoel en motiveert om hetzelfde gedrag te blijven herhalen. Door de snelle werking en afbraak van nicotine is het nodig om zeer vaak op een dag te roken, waardoor roken te beschouwen valt als een sterk 'overleerd' en automatisch gedrag. Bij dit psychologische mechanisme van gewoontevorming roept een stimulus een automatische respons op, zonder dat er nog sprake hoeft te zijn van een beloning.

Een groot deel van de door rokers ervaren voordelen van de sigaret kan echter ook verklaard worden door het wegroken van ontwenningsverschijnselen en het zich daardoor weer ‘normaal’ voelen (Dijkstra, 2005).

Roker blijft roken als voordelen van stoppen ontbreken

Als een roker niet het gevoel heeft dat er iets goeds of wenselijks gebeurt door te stoppen met roken, zal hij blijven roken. De kans dat iemand blijft roken is groter wanneer de roker (Dijkstra, 2005):

  • het ziekterisico onderschat en minder voordelen verwacht van het stoppen met roken
  • meer excuses heeft die de gevaren van roken en het nut van stoppen afzwakken
  • veel voordelen ziet van zijn rookgedrag en slechte stopervaringen heeft, en mede hierdoor zichzelf minder in staat acht om te stoppen met roken (lage eigen-effectiviteitsverwachtingen).

Volwassenen hebben diverse redenen om te stoppen met roken

Volwassenen die willen stoppen met roken, noemen vooral de volgende redenen (STIVORO volwassenen, 2010):

  • Niet langer willen schaden van de gezondheid (48%).
  • Partner rookt niet meer (16%).
  • Roken kost me te veel geld (23%).
  • Gezondheidsklachten (14%).
  • Zwangerschap (van partner) (6%).
  • Roken niet meer lekker vinden (12%).

Preventieve interventies richten zich idealiter op brede range van oorzaken

Preventieve interventies richten zich idealiter op een brede range van oorzaken van roken. Ze beogen niet alleen de persoonsgebonden factoren zoals kennis en attitude positief te beïnvloeden, maar ook fysieke en sociale omgevingsfactoren te stimuleren die het niet-roken ondersteunen.

Zie voor meer informatie over preventiemogelijkheden en het huidige preventiebeleid:

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Derzon JH, Lipsey MW.Predicting tobacco use to age 18: a synthesis of longitudinal research. Addiction, 1999; 94(7): 995-1006.
  • Dijkstra A.De psychologie van roken en stoppen met roken. In: Knol K, Tabaksgebruik: gevolgen en bestrijding. Utrecht: Lemma, 2005: 301-10.
  • Goldman D, Oroszi G, Ducci F.The genetics of addictions: uncovering the genes. Nat Rev Genet, 2005; 6(7): 521-32.
  • Harakeh Z.Adolescents as chameleons? Social-environmental factors involved in the development of smoking. Academisch proefschrift. Radboud Universiteit. Nijmegen: Radboud Universiteit, 2006.
  • Lee AM, Jepson C, Hoffmann E, Epstein L, Hawk LW, Lerman C, et al. CYP2B6 genotype alters abstinence rates in a bupropion smoking cessation trial. Biol Psychiatry,2007b; 15; 62(6): 635-41.
  • Li MD, Burmeister M.New insights into the genetics of addiction. Nat Rev Genet, 2009; 10(4): 225-31.
  • Manolio TA, Collins FS, Cox NJ, Goldstein DB, Hindorff LA, Hunter DJ, et al. Finding the missing heritability of complex diseases. Nature,2009; 461(7265): 747-53.
  • Perry CL, Staufacker MJ.Tobacco use. In: Handbook of adolescent health risk behavior. DiClemente RJ, Hansen WB, Ponton LE, editors. New York: Plenum Press, 1996.
  • Pieterse ME, Willemsen MC.Ontstaan en voorkomen van rookgedrag bij jongeren. In: Tabaksgebruik: gevolgen en bestrijding, Knol et al. Utrecht: Lemma BV, 2005.
  • Poortinga W.The prevalence and clustering of four major lifestyle risk factors in an English adult population. Preventive Medicine, 2007; 44: 124-128.
  • Schneider S, Huy C, Schuessler M, Diehl K, Schwarz S.Optimising lifestyle interventions: identification of health behaviour patterns by cluster analysis in a German 50+ survey. Eur J Pub Health, 2009; 19(3): 271-277.
  • Schrijvers CTM, Schoemaker CG (red.). Spelen met gezondheid. Leefstijl en psychische gezondheid van de Nederlandse jeugd. RIVM-rapport nr. 270232001. Bilthoven: RIVM,2008; 85-107.
  • Tyas SL, Pederson LL.Psychosocial factors related to adolescent smoking: a critical review of the literature. Tobacco Control, 1998; 7: 409-20.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

GWAS
Genome Wide Association Studie
Een type studie waarin 500.000 of meer genetische variaties verspreid over het gehele genoom tegelijkertijd worden geanalyseerd in het DNA van grote aantallen (meer dan 1.000) monsters afkomstig van gezonde personen en mensen met een bepaalde ziekte.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.