Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Lichamelijke activiteit
De determinant, gezondheidsgevolgen en oorzaken

Wat is lichamelijke activiteit?

Brede definitie van lichamelijke activiteit

In het kompas wordt lichamelijke activiteit gedefinieerd als “elke krachtsinspanning van skeletspieren resulterend in méér energieverbruik dan in rustende toestand” (Caspersen et al., 1985).

Lichamelijk actief zijn is meer dan alleen sporten

Lichamelijke activiteit omvat behalve sporten ook diverse bewegingsvormen in de vrije tijd en tijdens dagelijkse verplichtingen. Onder bewegen in de vrije tijd wordt bijvoorbeeld dansen, fietsen of wandelen verstaan. Bij dagelijkse verplichtingen moet men denken aan huishoudelijk werk, klussen, fietsen of wandelen van en naar werk of school. Werk, school en huishoudelijk werk zijn de belangrijkste bronnen voor alledaagse lichamelijke activiteit. Tuinieren, klussen, wandelen en fietsen zijn belangrijke vormen van bewegen in de vrije tijd (Ooijendijk et al., 2007).

Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit

Lichamelijke activiteit verschilt in intensiteit. Zo moet men zich meer inspannen om te rennen dan om te wandelen, en zal een jong en fit individu zich minder hoeven inspannen om met een bepaalde snelheid te rennen dan een ouder en minder fit individu. Op deze manier wordt er onderscheid gemaakt in licht intensieve, matig intensieve en zwaar intensieve lichamelijke activiteit.

  • Bij licht intensieve lichamelijke activiteit is er vaak geen sprake van verhoogde hartslag of versnelde ademhaling.
  • Matig intensieve lichamelijke activiteit zorgt ervoor dat een individu een verhoogde hartslag heeft, het wat warmer heeft en een versnelde ademhaling heeft.
  • Bij zwaar intensieve lichamelijke activiteit gaat een individu zweten en raakt deze buiten adem.

Een andere, veel gebruikte manier om de intensiteit van lichamelijke activiteit te kenmerken is de indeling in metabolic equivalents (METs). Dit is een meeteenheid om uit te drukken hoeveel energieverbruik gepaard gaat met een bepaalde activiteit ten opzichte van het energieverbruik in rust. Een individu verbruikt gemiddeld in rusttoestand ongeveer 3,5 milliliter zuurstof per kilo lichaamsgewicht per minuut. Als de verbruikte energie bij licht intensieve lichamelijke activiteit bijvoorbeeld oploopt naar 7 milliliter zuurstof per kilo lichamsgewicht per minuut, is er sprake van een energieverbruik van 2 METs.

Lichamelijke activiteit gemeten

Lichamelijke activiteit wordt meestal gemeten op basis van vragenlijstgegevens. Zulke vragenlijsten gaan vaak de tijdsbesteding van respondenten na (hoe vaak / hoe lang / hoe intensief) aan allerhande activiteiten, tijdens en/of buiten school of werk, zoals lezen, lichamelijke sporten, wandelen, fietsen.

Nederlandse normen

In Nederland gelden de ‘Nederlandse Norm Gezond Bewegen’ (NNGB) en de fitnorm.

De 'Nederlandse Norm Gezond Bewegen' ( NNGB) is vooral gericht op het onderhouden van gezondheid. De norm is verschillend voor jongeren, volwassenen en ouderen (zie tabel 1). De NNGB is in 1998 opgesteld door de universiteiten van Amsterdam (VU), Maastricht (UM), Groningen (RUG), Utrecht (UU), het RIVM, TNO en NOC*NSF (Kemper et al., 2000). Volgens de NNGB wordt een individu als semi-actief beschouwd als het tussen de 1 en 4 dagen per week tenminste 30 minuten matig intensief lichamelijk actief is, en als inactief beschouwd als het op geen enkele dag van de week tenminste 30 minuten matig intensief lichamelijk actief is (Ooijendijk et al., 2007).

De fitnorm is voor jong en oud gelijk en vereist tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit. Deze norm is vooral gericht op het onderhouden van fysieke fitheid (uithoudingsvermogen, kracht en coördinatievermogen) en is grotendeels gebaseerd op Amerikaanse richtlijnen (Haskell et al., 2007; Pate et al., 1995; US DHHS, 1996; ACSM, 1998).

Behalve deze twee normen bestaat er nog de combinorm. Iemand voldoet aan de combinorm indien voldaan wordt aan de eisen van ófwel de fitnorm, ófwel de NNGB, ófwel aan beide normen.

Tabel 1: De Nederlandse Norm Gezond Bewegen (Bron: Kemper et al., 2000; Ooijendijk et al., 2007).

Doelgroep

Norm

Jongeren

Dagelijks één uur tenminste matig intensieve lichamelijke activiteit (>= 5 METs), waarbij de activiteiten minimaal twee maal per week gericht zijn op het verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid (kracht, lenigheid en coördinatie).

Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit bij jongeren zijn aerobics of skateboarden.

Volwassenen

Een half uur tenminste matig intensieve lichamelijke activiteit (>=4 METs) op minimaal vijf, maar bij voorkeur alle dagen van de week.

Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit bij volwassenen zijn wandelen met 5-6 km/u (dus flink doorwandelen) en fietsen met 15 km/u.

55-plussers

Een half uur tenminste matig intensieve lichamelijke activiteit (>=3 METs) op minimaal vijf, maar bij voorkeur alle dagen van de week; voor niet-actieven, zonder of met beperkingen, is elke extra hoeveelheid lichaamsbeweging zinvol, ongeacht duur, intensiteit frequentie of type.

Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit bij ouderen zijn wandelen met 3-4 km/u en fietsen met 10 km/u.

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • ACSM, American College of Sports Medicine Position Stand.The recommended quantity and quality of exercise for developing and maintaining cardiorespiratory and muscular fitness, and flexibility in healthy adults. Medicine and Science in Sports and Exercise 1998; 30(6): 975-991.
  • Caspersen CJ, Powell KE, Christensen GM.Physical activity, exercise and physical fitness: definitions and distinctions for health-related research. Public Health Reports, 1985; 100: 126-131.
  • Haskell WL, Lee IM, Pate RR, Powell KE, Blair SN, Franklin BA, et al.Physical activity and public health: updated recommendation for adults from the American College of Sports Medicine and the American Heart Association. Medical Science in Sports and Exercise, 2007; 39(8): 1423-34.
  • Kemper HGC, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M.Consensus over de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen. Tijdschr Soc Gezondheidsz 2000; 78: 180-183.
  • Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M.Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005. Hoofddorp/Leiden: TNO, 2007.
  • Pate RR, Pratt M, Blair SN.Physical activity and public health. JAMA 1995; 273: 402-407.
  • US DHHS, U.S. Department of Health and Human Services.Physical activity and health: a report of the Surgeon General. Atlanta: U.S. Department of Health and Human Services, 1996.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

MET
Metabolic Equivalent
Een meeteenheid om uit te drukken hoeveel energie een bepaalde fysieke inspanning kost ten opzichte van de benodigde energie in rust.
NNGB
Nederlandse Norm Gezond Bewegen
Voor de jeugd is de norm gelijk aan 7 dagen per week minimaal een uur per dag en voor volwassenen en ouderen 5 dagen per week minimaal een half uur per dag.
NOC*NSF
Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport Federatie
URL: http://www.sport.nl/nocnsf
RIVM
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Bilthoven. Email: info@rivm.nl, URL: http://www.rivm.nl
RUG
Rijksuniversiteit Groningen
URL: http://www.rug.nl
TNO
Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
URL: http://www.tno.nl
UM
Universiteit van Maastricht
URL: http://www.unimaas.nl
UU
Universiteit Utrecht
URL: http://www.ruu.nl
VU
Vrije Universiteit Amsterdam
URL: http://www.vu.nl
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.6.1, 31 januari 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.