Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Lichamelijke activiteit
Omvang van het probleem

Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?

Kleine sociaaleconomische verschillen bij voldoen aan beweegnorm

Mensen met een hoge sociaaleconomische status (gebaseerd op opleidingsniveau) voldoen minder vaak aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) voor volwassenen vergeleken met mensen met een lage of middelhoge opleiding (Ooijendijk et al., 2007). Daarentegen zijn mensen met een hoge opleiding juist vaker semi-actief: ze voldoen ten minste één tot vier dagen per week aan de dagelijkse norm van de NNGB. Verder zijn mensen met de laagste opleiding het vaakst inactief. Voor een beschrijving van de NNGB, zie: Wat is lichamelijke activiteit?

Zie ook: Wat is sociaaleconomische status? en Beschrijving opleidingscategorieën.

Minder sporters onder laagopgeleiden

Hoogopgeleiden sporten vaker minimaal één keer in de week dan laagopgeleiden. Het percentage sporters is het laagst (33%) onder mensen uit de laagste opleidingscategorie (lagere school) en het hoogst (73%) onder mensen met een hoog opleidingsniveau (hbo of universiteit) (zie figuur 1). Bij zowel de mannen als de vrouwen sporten lager opgeleiden minder vaak dan hoger opgeleiden. Het verschil tussen hoog- en laagopgeleiden in sportdeelname geldt ook voor alle leeftijdsgroepen (zie: Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd).

Het verschil in sporten tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden is tussen 2001 en 2007 niet veranderd (zie figuur 2 en: Achtergrondgegevens bij trends in sociaaleconomische verschillen).

Weinig normactieve jongeren in wijken met een lage sociaaleconomische status

Uit een onderzoek van TNO onder jongeren in wijken met veel inwoners met een lage sociaaleconomische status blijkt dat het aandeel normactieve jongeren daar slechts 3% is (De Vries et al., 2005).

Figuur 1: Prevalentie van sporten in de Nederlandse populatie van 25 jaar en ouder, naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn 2007) a.

Prevalentie sporten naar opleidingsniveau

a Relative index of inequality (RII), gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht: 0,16 (95%-bi: 0,13-0,20). Betekenis RII > 1: laagopgeleiden sporten vaker dan hoogopgeleiden; RII < 1: hoogopgeleiden sporten vaker dan laagopgeleiden.

Figuur 2: Jaarprevalentie van sporten in de periode 2001-2007, naar hoogst voltooid opleidingsniveau (3-jaar voortschrijdend gemiddelde) a; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2001-2007) b.

Trend sport, 2001-2007

a De prevalentiecijfers in figuur 2 zijn 3-jaar voortschrijdende gemiddelden. Het prevalentiecijfer van 2007 uit figuur 2 wijkt daardoor af van het prevalentiecijfer in figuur 1.

b Trend in RII (gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht): 0,98 (95%-bi: 0,95-1,02). Betekenis: RII > 1: toename in opleidingsverschillen in de periode 2001-2007, RII < 1: afname in opleidingsverschillen.

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M.Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005. Hoofddorp/Leiden: TNO, 2007.
  • Vries SI de, Bakker I, Overbeek K van, Boer ND, Hopman-Rock M.Kinderen in prioriteitswijken: lichamelijke (in)activiteit en overgewicht. Leiden: TNO, 2005.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

bi
Betrouwbaarheidsinterval
NNGB
Nederlandse Norm Gezond Bewegen
RII
Relative index of inequality
De RII is een maat voor de relatie tussen sociaaleconomische positie en gezondheid en geeft de grootte van sociaaleconomische gezondheidsverschillen weer. De index geeft het verschil aan in niveau tussen de laagste en hoogste ses-klasse, waarbij rekening gehouden wordt met de tussenliggende klassen.
Sporten
Minimaal 1 keer per week sporten
TNO
Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
URL: http://www.tno.nl

Definities

Prevalentie
Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.