Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Lichamelijke activiteit
Geografische verschillen

Lichamelijke activiteit: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Totale bevolking Ouderen en jongeren

Totale bevolking

Nederlanders bewegen èn zitten meer dan inwoners andere EU-landen

Over het algemeen zijn Nederlanders ten opzichte van andere Europeanen veel lichamelijk actief, maar ‘zitten’ ze ook veel. Nederlanders gaan aan kop bij matig intensieve lichamelijke activiteit, zoals fietsen en het tillen van lichte gewichten: Nederlanders verrichten gemiddeld 4,6 dagen per week matig intensieve lichamelijk activiteit; ten opzichte van 2,5 dagen per week gemiddeld over de EU-25 (zie figuur 1). Minder hoog, maar ruim boven het EU-25-gemiddelde scoort Nederland op intensieve vormen van inspanning. Maar Nederlanders zitten ook het meest: gemiddeld bijna zeven uur per dag. Dit bleek bij een meting uit 2005. Ook in 2002 scoorde Nederland hoog op zowel matig intensieve activiteit als op veel zitten. Ongeveer duizend inwoners boven de 15 jaar per land werden ondervraagd (TNS Opinion & Social, 2006a; EORG, 2003a).

Nederlanders hoogste niveau van lichamelijke activiteit in de EU-15

Ten opzichte van andere EU-15 landen hebben inwoners van Nederland het hoogste niveau van lichamelijke activiteit: het percentage inwoners dat tenminste vijf dagen 30 minuten matig-intensieve beweging óf tenminste drie dagen 20 minuten zwaar-intensieve beweging, naast een dagelijks uur matige inspanning. Het aandeel Nederlanders dat zoveel beweegt is met 44% weliswaar minder dan de helft, maar wel het hoogst in de EU-15. Duitsers (40%) en Grieken (37%) volgen hierna. Zweden (23%), Fransen (24%) en Belgen (25%) scoren het laagst. Het gemiddelde in de EU-15 is 29%. Het aandeel inwoners dat vrijwel geen inspanningen verricht, is in Nederland het laagste. Dit blijkt uit een onderzoek in 2002. De totale activiteit werd berekend aan de hand van de tijd die per week aan lopen, matige en intensieve lichamelijke activiteit werd besteed. Zitten werd niet meegerekend (Sjöström et al., 2006). Overigens is de norm in het beschreven onderzoek strenger dan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen. Daarom verschilt het percentage voor Nederland (44%) met cijfers uit nationaal onderzoek.

In Europa zijn Nederlanders het meest positief over bewegingmogelijkheden

Nederlanders zijn het meest positief over de bewegingsmogelijkheden in de woonomgeving en bij lokale sportclubs. De Denen en de Fransen zijn na de Nederlanders het meest positief over sportclubs; de Finnen en de Denen over de buurtvoorzieningen. Inwoners van de nieuwe lidstaten en van Portugal zijn van de EU-25 landen het minst te spreken over de voorzieningen (TNS Opinion & Social, 2006a). De landen met de beste infrastructuren voor actief woon-werkverkeer, Nederland, Denemarken en Duitsland, scoorden overigens alledrie hoog op lichamelijke activiteit die aan de gezondheid bijdraagt. Dit bleek uit een analyse van EU-15 landen in 2002 (Sjöström et al., 2006).

Figuur 1: Gemiddeld aantal dagen per week waarop, in 2005, matig intensieve lichamelijke activiteit wordt geleverd; EU-25 en drie landen met hoogste en laagste gemiddelde (TNS Opinion & Social, 2006a).

lichamelijke activiteit - ìnternationaal - figuur 1

Zie ook:

Preventie gericht op lichamelijke activiteit

Preventie gericht op lichaamsgewicht: zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?


Ouderen en jongeren

Nederlandse gepensioneerden bewegen minder dan andere Europese gepensioneerden

Gepensioneerde Nederlanders zijn minder actief dan gepensioneerden in andere EU-landen. Dit blijkt uit een onderzoek onder ongeveer 600 inwoners van Nederland, België, Finland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk (Jacobusse et al., 2004). Door het stoppen met werken vervalt een groot aandeel van de lichamelijke activiteit uit woon-werkverkeer. En in Nederland wordt dit blijkbaar minder gecompenseerd door lichamelijke activiteit uit andere bronnen. Overigens kwam in dit onderzoek Nederland niet als beste land uit de bus qua lichamelijke activiteit. Maar er waren geen grote verschillen in lichamelijke activiteit van de werkende bevolking in de verschillende landen.

Nederlandse meisjes lichamelijk actiever dan Europese leeftijdsgenoten

Uit de HBSC-studie (Health Behaviour in School-aged Children) van de WHO blijkt dat het percentage Nederlandse meisjes van 13 en 15 jaar oud die voldoen aan de norm hoog is vergeleken met de rest van de EU-landen. De norm is in dit geval: dagelijks minstens een uur matige tot intensieve activiteit. Met respectievelijk 20% en 15% behoren de Nederlandse meisjes van 13 en 15 tot de top vijf. Ook Denemarken (18% en 15%) en de Tsjechische Republiek (17% en 16%) behoren bij beide leeftijdsgroepen tot de top vijf. Slowakije springt eruit met respectievelijk 35% van de 13-jarige en 19% van de 15-jarige meisjes die volgens de norm bewegen. Voor jongens geldt een ander verhaal. Nederlandse jongens vielen in 2005 qua bewegen in de middenmoot in de EU (Currie et al., 2008). Hetzelfde beeld gaf de HBSC-studie uit 2001/2002 (Currie et al., 2004).

Verschil in bewegen tussen jongens en meisjes in Nederland klein ten opzichte van rest Europa

In Nederland bestaan, ten opzichte van andere EU-landen, kleine verschillen tussen 13- en 15 jarige jongens en meisjes bij bewegen. Alleen in Nederland en Malta is bij beide leeftijdsgroepen geen significant verschil tussen het percentage jongens en het percentage meisjes dat beweegt volgens de norm. Op 11-jarige leeftijd zijn de verschillen tussen meisjes en jongens in Nederland groter. Er bestaat dan wel een significant verschil (Currie et al., 2008). In alle EU-27 landen bewegen overigens meer jongens dan meisjes volgens de norm. In Nederland waren ook in 2001/2002 de verschillen tussen jongens en meisjes klein (Currie et al., 2004).

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Currie C, Gabhainn SN, Godeau E, Roberts C, Smith R, Currie D (red.).Inequalities in young people's health. HBSC International report from the 2005/2006 survey. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe, 2008.
  • Currie C, Roberts C, Morgan A, Smith R, Settertobulte W, Samdal O.Young people’s health in context. Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) study: international report from the 2001/2002 survey. Kopenhagen: WHO Regional Office for Europe, 2004.
  • EORG, European Opinion Research Group.Physical Activity. Special Eurobarometer 183-6/ Wave 58.2. Brussel: Europese Commissie, 2003a.
  • Jacobusse G, Chorus AMJ, Kraker H de, Hopman-Rock M.Internationale vergelijking van lichamelijke activiteit. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M, Hopman-Rock M (red.). Trendrapport Bewegen en Gezondheid 2002/2003. Leiden: TNO, 2004.
  • Sjöström M, Oja P, Haströmer M, Smith BJ, Bauman A.Health-enhancing physical activity across European Union countries: the Eurobarometer study. J Public Health, 2006; 14: 291-300.
  • TNS Opinion & Social.Health and food. Special Eurobarometer 246 / Wave 64.3. Brussels: European Commission, 2006a.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

EU-15
De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden
België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden.
EU-25
De 25 landen die tussen 1 april 2004 en 1 januari 2007 de Europese Unie vormden
België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden.
HBSC-studie
Nederlandse Health Behavior in School-aged Children-studie
NNGB
Nederlandse Norm Gezond Bewegen
WHO
World Health Organization
Wereldgezondheidsorganisatie. URL: http://www.who.int
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.