U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Gezondheidsdeterminanten›Leefstijl›Lichamelijke activiteit›Lichamelijke activiteit samengevat
Lichamelijke activiteit wordt gedefinieerd als “elke krachtsinspanning van skeletspieren resulterend in méér energieverbruik dan in rustende toestand”. Lichamelijke activiteit omvat behalve sporten ook diverse bewegingsvormen in de vrije tijd en tijdens dagelijkse verplichtingen, zoals dansen, fietsen, wandelen, huishoudelijk werk, klussen, fietsen of wandelen van en naar werk of school. Ook kan men lichamelijk actief zijn op het werk. De manier waarop de lichamelijke activiteit bedreven wordt, bepaalt de intensiteit ervan.
Matig intensieve activiteit heeft een gunstig effect op de gezondheid, mits deze regelmatig wordt verricht. Lichamelijk weinig actief zijn verhoogt de kans op vroegtijdig overlijden en verhoogt het risico op het ontstaan van ziekten. Het betreft ziekten zoals coronaire hartziekten, diabetes, beroerte, botontkalking, dikke darmkanker en borstkanker. Ook zijn er steeds meer aanwijzingen voor een risicoverhogend effect van weinig bewegen op dementie en depressie. Zwaar intensieve activiteit, zoals hardlopen of voetballen, verbetert bovendien de conditie van hart en longen.
Voldoende lichamelijke activiteit verkleint de kans op overlijden en verlaagt het risico op het ontstaan van ziekten, zoals coronaire hartziekten, beroerte, diabetes, botontkalking en depressie.
De meest genoemde reden om niet (voldoende) te bewegen is 'geen tijd' gevolgd door 'geen zin'. Van invloed op het beweeggedrag van vooral jongeren en ouderen zijn sociale omgevingsfactoren, zoals sociale veiligheid, maar ook het beweeggedrag van bijvoorbeeld leeftijdsgenoten of ouders. Verder kan de fysieke omgeving, zoals de woonwijk en de gemeentelijke infrastructuur, mede bepalend zijn voor de lichamelijke activiteit. Voor kinderen blijkt dat verkeersonveiligheid, sociale onveiligheid en gebrek aan speelplaatsen belangrijke belemmeringen zijn om niet (voldoende) te sporten en te bewegen.
Het percentage Nederlanders dat voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen is in de periode 2001-2007 licht gestegen. In 2007 voldeed ruim de helft van de Nederlandse bevolking tussen de 18 en 55 jaar (56%) aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen voor volwassenen. Van de jongeren (12 tot 18 jaar) voldeed in 2007 echter maar een kwart (26%) aan de norm die voor hun leeftijdsklasse geldt.
Circa 20% van de Nederlanders van 18 tot 55 jaar beweegt 3 maal per week gedurende 20 minuten intensief (fitnorm). Van de Nederlanders van 55 jaar en ouder voldoet ruim de helft aan de fitnorm. Verder voldoen hoog opgeleiden minder vaak aan de Nederlande norm gezond bewegen, maar zijn zij wel vaker semi-actief en minder vaak inactief dan laag opgeleiden.
Over het algemeen zijn Nederlanders ten opzichte van andere Europeanen veel lichamelijk actief, maar 'zitten' ze ook veel.