Determinanten zijn factoren die de gezondheid beïnvloeden. Hier kunt u antwoord krijgen op vragen zoals: Hoeveel mensen hebben een verhoogde bloeddruk? Neemt het aantal mensen dat rookt toe of af? Over deze en andere gezondheidsdeterminanten kunt u hier informatie vinden.
Specifieke informatie over de factoren die de psychische gezondheid beïnvloeden kunt u vinden bij:
Informatie over veel gebruikte bronnen bij gezondheidsdeterminanten kunt u vinden bij:
Met psychische ongezondheid worden zowel psychische stoornissen/ziekten als mildere psychische klachten bedoeld. Psychische stoornissen zijn vormen van 'abnormaal' gedrag. Het gaat hierbij niet alleen om waarneembaar gedrag maar ook de door een persoon als abnormaal gerapporteerde belevingen, gevoelens en gedachten (De Jong et al., 1999b). Het abnormale gedrag wordt veroorzaakt door ontregelingen in iemands psychologische functies zoals het denken, de concentratie, het gevoelsleven, de motivatie, de agressieregulatie, de waarneming en het leren. Gevolgen van een gedragsverandering kunnen leiden tot zichtbaar leed, een (gedeeltelijk) onvermogen tot functioneren en een verhoogd risico op sterfte, pijn en beperkingen. Het onafhankelijk kunnen functioneren en leven wordt hierdoor in gevaar gebracht. Het onderscheid tussen normaal gedrag en een stoornis is vaak lastig te maken omdat de verandering van gedrag vaak geleidelijk plaatsvindt (Ormel et al., 2000). Psychische gezondheid kan met verschillende vragenlijsten worden gemeten (zie ook: Wat is psychische gezondheid en hoe wordt het gemeten? ).
In het Dynamische Stress- Kwetsbaarheidsmodel (DSK-model) (zie figuur 1) wordt een overzicht gegeven van de factoren die van invloed zijn op de psychische (on)gezondheid en wordt de interactie tussen de verschillende factoren weergegeven. Bij deze factoren ofwel de determinanten van psychische (on)gezondheid wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De psychobiologische kwetsbaarheid wordt bepaald door factoren die de weerbaarheid en de veerkracht van een individu bepalen:
De sociale of fysieke kwetsbaarheid wordt bepaald door die kenmerken van de 'bredere' sociale en fysieke omgeving die van invloed zijn op de directe (of micro-) leefsituatie van een individu:
Elk persoon heeft een karakteristiek individueel niveau van psychische gezondheid. In de tijd fluctueert dit niveau rondom een gemiddelde. Kenmerken van het niveau van psychische gezondheid zijn ondermeer de mate van angstigheid, depressiviteit, impulsiviteit en hyperactiviteit van een persoon (Ormel et al., 2000). Verschillen in niveaus tussen personen zijn toe te schrijven aan verschillen in de psychobiologische en sociale en fysieke kwetsbaarheid. Personen verschillen niet alleen in hun gemiddelde niveau van psychische gezondheid, maar ook in de mate waarin deze flucteert als reactie op levensgebeurtenissen . Ingrijpende gebeurtenissen die tot fluctuaties kunnen leiden, zijn onder andere verlies van partner of werkloosheid en hun tegenpolen (een nieuwe relatie, betere baan) (Ormel et al., 2001).
Figuur 1: Het Dynamische Stress-Kwetsbaarheidsmodel
In het DSK-model (zie figuur 1) wordt de kwetsbaarheid bepaald door één factor of een groep factoren die de kans op het ontstaan van een psychische ziekte verhogen. Deze factoren brengen niet de ziekte teweeg maar het zijn determinanten (risicofactoren). Verandering van het niveau van psychische gezondheid is vaak het gevolg van negatieve of positieve levensgebeurtenissen en de manier waarop op deze gebeurtenissen gereageerd wordt (Ormel et al., 2000). Welke gebeurtenissen iemand meemaakt zijn afhankelijk van het toeval, de handelingsruimte (grenzen die de sociale en fysieke omgeving een persoon opleggen) en de omgevingscontrole (het vermogen van een individu om bij een gegeven handelingsruimte bepaalde omstandigheden te realiseren of te vermijden) (Ormel et al., 2000). Ingrijpende levensgebeurtenis kunnen leiden tot het ontstaan van psychische stoornissen. Of dit gebeurt hangt af van:
Het model geeft aan 'hoe' persoon, omgeving en gebeurtenissen elkaar en het risico op psychische ongezondheid beïnvloeden. De verschillende factoren uit het Dynamische Stress-Kwetsbaarheidsmodel hebben ook een wisselwerking in de tijd. Psychobiologische kenmerken en kenmerken van de sociale of fysieke omgeving zijn van invloed op het al dan niet optreden van gebeurtenissen en het daaropvolgende gedrag (met name de processen van betekenisverlening en coping). Gebeurtenissen en gedrag zijn daarentegen ook van invloed op kwetsbaarheid en kunnen deze blijvend veranderen (Ormel et al., 2000).
Het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) is een continu onderzoek naar verschillende onderwerpen met betrekking tot de leefsituatie, zoals gezondheid, arbeidsomstandigheden, rechtsbescherming, veiligheid, tijdsbesteding en wonen. POLS bestaat uit verschillende modules. Alle respondenten krijgen een basisvragenlijst voorgelegd. De vragenlijsten voor de verschillende modules worden aan een deel van de respondenten voorgelegd. In januari 1997 is POLS gestart, dit onderzoek is een vervolg op de CBS-Gezondheidsenquête.
De doelpopulatie van de gezondheidsenquête van POLS is de in Nederland woonachtige bevolking van 0 jaar en ouder in particuliere huishoudens. POLS is gebaseerd op een personensteekproef uit de Gemeentelijke Basis-Administratie. Alleen personen die wonen buiten instellingen en tehuizen in Nederland worden benaderd voor deelname aan het onderzoek. Op jaarbasis is de netto steekproefomvang voor de module 'Gezondheid en Arbeid' ongeveer 10.000 personen. De respons van de POLS ligt tussen de 55 en 60%. Er wordt een wegingsfactor berekend die corrigeert voor eventuele verschillen tussen de samenstelling van de steekproef en de doelpopulatie. De steekproef wordt gewogen naar leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, stedelijkheidsgraad en provincie. Omdat de cijfers gebaseerd zijn op een steekproef zijn ze onderhevig aan toevalsfluctuaties en is er sprake van marges.
De module Gezondheid en arbeid schetst een overzicht van de stand van zaken op verschillende onderwerpen met betrekking tot de leefsituatie in de Nederlandse bevolking van 0 jaar en ouder. In de module Gezondheid en arbeid worden gegevens verzameld over:
De Doetinchem Cohort Studie is in 1987 gestart als onderdeel van het Peilstationsproject Hart en Vaatziekten, een grootschalige peiling van de risicofactoren voor hart- en vaatziekten onder de volwassen bevolking in Nederland. In Doetinchem werden in een periode van vijf jaar gegevens van 12.500 personen verzameld. Een deel van deze personen werd daarna uitgenodigd voor deelname aan het zogenaamde MORGEN-project: MOnitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland, waarin tevens volwassenen uit Amsterdam en Maastricht werden onderzocht. In het MORGEN-project werd het blikveld van de studie verbreed: naast hart- en vaatziekten en de klassieke risicofactoren (waaronder voeding) kwam er ook aandacht voor diabetes, kanker, astma en COPD (testen van de longfunctie), migraine, klachten van het bewegingsapparaat en kwaliteit van leven. De goede uitvoering op locatie in Doetinchem en de hoge respons van de deelnemers vormden een basis om de Doetinchem Cohort Studie in te continueren met meetrondes in 1998-2002 en 2003-2007.
In 2008 start de vijfde meetronde van de Doetinchem Cohort Studie. Het blikveld wordt daarbij nog verder verbreed met een test voor cognitief functioneren en maatschappelijke participatie. Met de vijfde meetronde wordt een groter deel van de levensloop in beeld gebracht en daarmee de invloed van verschillende levensfasen op de gezondheid van ouderen. Het protocol van de vijfde ronde van de Doetinchem Cohort Studie wordt dan ook meer toegesneden op de oudere deelnemer.
Zie voor meer informatie: Doetinchem Cohort Studie.
Doetinchem Cohort Studie verzamelt gegevens over:
De Doetinchem Cohort Studie is gekoppeld aan verschillende (zorg)registraties:
Naar boven
Tabel 1: Beknopt overzicht van de meetrondes van de Doetinchem Cohort Studie. De gegevens uit ronde 4 (2003-2007) en ronde 5 (2008-2012) staan nog niet in het Kompas.
ronde
1
2
3
4
5
naam
Peilstationsproject
MORGEN
Doetinchem Cohort Studie
jaren
1987-1991
1993-1997
1998-2002
2003-2007
2008-2012
leeftijd
20-59 jaar
26-65 jaar
31-70 jaar
36-75 jaar
41-80 jaar
aantal deelnemers
12.500
7.300
4.900
4.500
-
respons
62%
79%
75%
ca 80%
In het Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten zijn in de periode 1987-1991 de veranderingen nagegaan in diverse risicofactoren voor met name cardiovasculaire aandoeningen (monitoring). In deze periode zijn bij een steekproef van inwoners van Amsterdam, Doetinchem en Maastricht ruim 36.000 mannen en vrouwen tussen de 20 en 60 jaar onderzocht op risicofactoren. Zo werd onder meer gekeken naar persoonsgebonden factoren als bloeddruk, cholesterolgehalte in het bloed en lichaamsgewicht, maar ook naar diverse leefgewoonten (zoals roken, alcoholgebruik, lichamelijke inactiviteit) (Verschuren et al., 1994).
In het MORGEN-project, MOnitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland, is het vóórkomen van leefstijl- en risicofactoren gemeten tussen 1993 en 1997. De metingen zijn gedaan bij een steekproef van inwoners van Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. In de genoemde periode zijn circa 23.000 mannen en vrouwen onderzocht. Het was een voortzetting van het Peilstationsproject hart- en vaatziekten, maar werd uitgebreid naar risicofactoren voor andere chronische ziekten, zoals diabetes mellitus, astma en COPD, gewrichtsaandoeningen, neurologische aandoeningen en kanker (Blokstra et al., 2005).
Het Regenboogproject is een onderzoek op GGD’en dat plaatsvond in de periode 1998-2001. Doordat vrijwel alle GGD’en in Nederland meededen, kon de dataverzameling plaatsvinden binnen een landelijk dekkend netwerk. Deelnemers aan het vragenlijstonderzoek is bovendien gevraagd om deel te nemen aan een lichamelijk onderzoek bij de GGD; de respons binnen dit vervolgtraject was echter lager dan verwacht (25,7%). Hoewel hiervoor gecorrigeerd is door middel van weging, heeft dit mogelijk invloed op de representativiteit van de data (Viet et al., 2003).
GGD’en en thuiszorginstellingen verzamelen periodiek (minstens 1 keer in de 4 jaar) gegevens over de gezondheid van de populatie in hun regio. Doorgaans gebeurt dit met behulp van enquêtes. In de Lokale en Nationale Monitor worden de lokale gegevensverzamelingen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd, zodat de gegevens vergelijkbaar zijn tussen gemeenten en regio’s en samengevoegd kunnen worden om landelijke cijfers te berekenen. Zo zijn er over allerlei onderwerpen standaardvraagstellingen ontwikkeld en is er afgesproken dat GGD’en die gebruiken. De onderwerpen gaan over de fysieke, mentale en sociale gezondheid van de bevolking en gerelateerde onderwerpen als leefstijl, omgeving en zorg..
Onderzoek naar de situatie van kinderen en jeugdigen wordt uitgevoerd in het kader van de Lokale en Nationale Monitor Jeugdgezondheid. De Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid onderzoekt de gezondheid van volwassenen. De situatie van ouderen wordt onderzocht via de Lokale en Nationale Monitor Gezondheid Ouderen.
De doelpopulatie is de in Nederland woonachtige bevolking van 0 jaar en ouder. GGD’en trekken zelf een steekproef uit de populatie in hun regio. Met behulp van weging wordt gecorrigeerd voor non-respons. De respons varieert van 45 tot 75%. Per regio nemen een paar duizend mensen deel aan het onderzoek. Bij het berekenen van landelijke cijfers wordt rekening gehouden met de grootte van de gemeenten en regio’s.
De Lokale en Nationale Monitor Gezondheid verzamelt onder andere gegevens over:
Naast de standaardvraagstellingen voor vragenlijsten is er ook een module endogene factoren ontwikkeld. Deze module beschrijft een protocol voor het meten van lengte en gewicht, bloeddruk, cholesterol en glucosegehalte. Hiermee kan ook op een gestandaardiseerde manier informatie over endogene factoren worden verkregen. De module is inmiddels door een paar GGD’en gebruikt.
De Lokale en Nationale Monitors Jeugdgezondheid, Volksgezondheid en Gezondheid Ouderen worden gecoördineerd door GGD Nederland, Actiz en het RIVM.
Bronnen
Literatuur
Begrippen
Afkortingen
Afdrukken