Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekte van Parkinson
Omvang van het probleem

Beschrijving van gebruikte gegevensbronnen

Huisartsenregistraties

Voor bepaling van de prevalentie en incidentie van ziekte van Parkinson in de huisartspraktijk zijn de volgende vijf huisartsenregistraties gebruikt:

De vijf huisartsenregistraties verschillen niet alleen in algemene werkwijze van elkaar, maar hanteren elk bij het registreren van ziekte van Parkinson specifieke regels. Daarom is de betekenis van de cijfers uit de vijf registraties niet altijd gelijk. Zie daarom ook: Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties.

Doodsoorzakenstatistiek

De sterftecijfers zijn afkomstig van de CBS Doodsoorzakenstatistiek.

Bevolkingsonderzoek: het ERGO-onderzoek

In het Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen (ERGO-)onderzoek is in 1990-1993 bij 6.969 personen van 55 jaar en ouder de prevalentie van de ziekte van Parkinson bepaald (De Rijk et al., 1996a). Personen die in een verzorgingshuis woonden waren wel in het onderzoek opgenomen, personen die in een verpleeghuis verbleven niet. In een eerste screeningsronde werd bij alle personen een uitgebreid interview afgenomen, het medicijngebruik nagevraagd en een neurologisch onderzoek verricht. Follow-up onderzoek vond plaats in de perioden 1993-1994 en 1997-1999 (De Lau et al., 2004).

In aanvulling op het vervolgonderzoek van personen met (symptomen van) parkinsonisme, werd het cohort d.m.v. een link met het geautomatiseerde medische dossier van de huisartsen voortdurend gemonitord op nieuwe gevallen van parkinsonisme. Op deze manier werd de incidentie van parkinsonisme vastgesteld (De Lau et al., 2004).

Diagnostiek in het ERGO-onderzoek

Alle personen die minstens één symptoom van parkinsonisme hadden, anti-Parkinsonmedicatie gebruikten of zeiden de ziekte van Parkinson te hebben, werden nader onderzocht. Hierbij werden ook specialistenbrieven ingezien. De diagnose van parkinsonisme werd gesteld als gedocumenteerd was dat anti-Parkinsonmedicijnen een therapeutisch effect hadden of als minimaal twee van de vier hoofdsymptomen aanwezig waren: tremor (beven), rigiditeit (stijfheid), bradykinesie (traagheid van bewegen) of verlies van het normale onbewuste evenwichtsgevoel. Bij de ziekte van Parkinson moesten alle andere mogelijke oorzaken van parkinsonisme worden uitgesloten, zoals dementie, multiple systeem-atrofieën, progressieve supranucleaire paralyse, cerebrovasculaire ziekte, het gebruik van neuroleptica en dergelijke.

De diagnose parkinsonisme is zowel in het ERGO-onderzoek als in buitenlands epidemiologisch onderzoek gebaseerd op een combinatie van maximaal vier hoofdsymptomen. In verschillende onderzoeken worden echter verschillende combinaties gehanteerd. De definitie in het ERGO-onderzoek, waar de aanwezigheid van twee hoofdsymptomen vereist is, is een van de minst restrictieve. Bij gebruikmaking van andere combinaties wordt de prevalentie in het ERGO-onderzoek echter niet veel lager (De Rijk et al., 1997b).

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Lau LML de, Giesbergen PCLM, Rijk MC de, Hofman A, Koudstaal PJ, Breteler MMB.Incidence of parkinsonism and Parkinson disease in a general population; The Rotterdam Study. Neurology, 2004; 63: 1240-1244.
  • Rijk MC de, Breteler MMB, Breeijen JH den, Launer LJ, Grobbee DE, Meché FGA van der, et al.Dietary antioxidants and Parkinson's disease: the Rotterdam Study. Arch Neurol, 1997b; 45: 782-5.
  • Rijk MC de, Breteler MMB, Graveland GA, Ott A, Meché FGA van der, Hofman A.De prevalentie van parkinsonisme en de ziekte van Parkinson bij ouderen; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1996a; 140: 196-200.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.