U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Gezondheid en ziekte›Ziekten en aandoeningen›Zenuwstelsel en zintuigen›Gehoorstoornissen›Gehoorstoornissen: Welke zorg gebruiken patiënten en wat zijn de kosten?
Bij de zorg aan mensen met een gehoorbeperking zijn vooral de huisrats, de KNO-arts en de audioloog betrokken. De huisarts kan beoordelen of het gehoorprobleem het gevolg is van geleidingsverlies (bijvoorbeeld een eenvoudig weg te spuiten 'prop' in het oor) of van perceptief gehoorverlies. Ook kan hij bekijken of de patiënt in aanmerking komt voor een consult aan de KNO-arts of een Audiologisch Centrum.
Voordat mensen met een gehoorprobleem naar een huisarts stappen, gaan ze tegenwoordig vaak naar een hoorspeciaalzaak waar getest kan worden of er sprake is van gehoorverlies. Daar kan direct een hoortoestel aangemeten worden wanneer het gaat om ouderdomsslechthorendheid (personen ouder dan 70 jaar). Veel verzekeraars geven een vergoeding bij het aanmeten van een hoortoestel door een audiciën in een hoorspeciaalzaak.
In 2004 waren er 988 ziekenhuisopnamen met 3.175 ligdagen en 1.380 dagbehandelingen in het ziekenhuis voor gehoorstoornissen ontstaan bij kinderen (verworven vroege slechthorendheid en aangeboren afwijkingen van het oor die gehoorverlies veroorzaken; ICD-9-code 389 en 744.0). Voor lawaaislechthorendheid en ouderdomsslechthorendheid vonden in 2004 een klein aantal ziekenhuisopnamen (minder dan 5) en ongeveer tien dagbehandelingen in het ziekenhuis plaats (Bron: LMR).
In de periode 1994-2004 is het aantal opnamen en het aantal dagbehandelingen in het ziekenhuis voor gehoorstoornissen ontstaan bij kinderen eerst met ongeveer 40% gedaald en daarna weer iets gestegen. Omdat de opnameduur met ongeveer 30% is gedaald, is het totaal aantal ziekenhuisopnamedagen nog meer gedaald (ongeveer 45%) dan het aantal ziekenhuisopnamen (zie figuur 1).
Bij deze trends is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking in Nederland.
Figuur 1: Trends in ziekenhuisopnamen, klinische opnamedagen en dagopnamen met verworven vroege slechthorendheid en aangeboren afwijkingen van het oor die gehoorverlies veroorzaken (ICD-9 code 389 en 744.0) als hoofdontslagdiagnose in de periode 1994-2004; gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking en geïndexeerd (1994 is 100) (Bron: LMR).
Naar boven
Gehoorstoornissen waren in 2005 met 712 miljoen euro verantwoordelijk voor 1,0% van de totale kosten van de zorg (Poos et al., 2008). Van de totale uitgaven aan gehoorstoornissen wordt 32,4% aan ziekenhuiszorg en medisch-specialistische zorg uitgegeven en 29,0% aan genees- en hulpmiddelen en lichaamsmaterialen. Als we kijken naar leeftijd, dan blijken de kosten voor ziekenhuiszorg het hoogst te zijn op de leeftijd van 0-9 jaar, terwijl in de leeftijdscategorie 15-34 jaar het meest wordt uitgegeven aan gehandicaptenzorg (waartoe ook doventolken worden gerekend). Bij ouderen met gehoorstoornissen zijn de kosten voor genees- en hulpmiddelen het hoogst (zie figuur 2).
In bovenstaande kosten zijn de maatschappelijke kosten die bijvoorbeeld met ziekteverzuim gepaard gaan niet opgenomen. In de Kosten van Ziektenstudie wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende gehoorstoornissen, maar wordt alles als één groep berekend.
Bij ziekenfondsverzekerden zijn de kosten van het gebruik van auditieve hulpmiddelen in de periode 2001-2005 gemiddeld met 10,1% gestegen (zie: kosten hulpmiddelen).
Figuur 2: Verdeling van de kosten in 2005 aan alle gehoorstoornissen (ICD-9 code 380-389) naar leeftijd en zorgsector (Bron: Kosten van Ziektenstudie).