Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Gehoorstoornissen
Omvang van het probleem

Hoe vaak komen gehoorstoornissen voor?

Eén op de duizend jonge kinderen heeft permanent gehoorverlies

Ongeveer 1 tot 1,5 per 1.000 levend geboren kinderen heeft een permanent gehoorverlies groter dan 40 dB (Bachmann & Arvedson, 1998; Davis et al., 1997; Kennedy & Mc Cann, 2004; Fortnum et al., 2001). Dit beeld wordt bevestigd door uitkomsten van de eindevaluatie van de implementatie van de neonatale gehoorscreening in Nederland (Kauffman-de Boer et al., 2006) in combinatie met de resultaten van de gehoorscreening binnen de Neonatale Intensive Care Units (NICU's). De prevalentie van slechthorendheid is veel hoger binnen de NICU's als gevolg van bijvoorbeeld ernstige vroeggeboorte of zuurstofgebrek rond de geboorte. Van de groep van ongeveer 180 slechthorende kinderen die jaarlijks worden opgespoord, blijkt een derde uit de NICU's afkomstig te zijn. Het aantal kinderen met gehoorverlies neemt toe met de leeftijd. De grootste toename vindt plaats vóór het achtste levensjaar. Het betreft hier kinderen met bekende en onbekende risicofactoren.

Middenoorontsteking belangrijkste veroorzaker van tijdelijk gehoorverlies bij kinderen

Een ontsteking van het middenoorslijmvlies met vochtuittreding (otitis media met effusie; OME) is de voornaamste veroorzaker van tijdelijk gehoorverlies van het geleidingstype bij kinderen. De omvang van dit gehoorverlies is gemiddeld 25 dB en varieert van 10 tot 40 dB (Rovers et al., 2004). Bijna alle kinderen maken episodes van OME door, maar veel episodes blijven onopgemerkt (Zielhuis et al., 1998). Bij ongeveer 35% van deze kinderen met OME gaat het om korte (één tot drie maanden) al dan niet herhaalde episodes van OME. Ongeveer 30% heeft langdurige (drie tot negen maanden) al dan niet herhaalde episodes en 10% van de kinderen maakt episodes door die langer dan een jaar duren (Zielhuis et al., 1990).

OME komt het meest frequent voor rond de leeftijd van een jaar (Rovers et al., 2004). Vanaf de leeftijd van 8 à 9 jaar neemt de frequentie sterk af (Tharpe & Bess, 1999).

Harde muziek kan tot gehoorschade leiden, recente cijfers ontbreken

Veelvuldige geluidsbelasting door bijvoorbeeld het bezoek van popconcerten en houseparty's en door luisteren naar harde muziek door hoofdtelefoons vormt een zodanige belasting voor het gehoor dat schade aan het gehoor kan optreden. Dit is de uitkomst van Nederlands onderzoek dat eind jaren negentig is uitgevoerd (Passchier-Vermeer & Steenbekkers, 2001). De ernst van het gehoorverlies lijkt echter niet zo groot. Van de mannen tussen de 12 en 30 jaar zou 0,5% een gehoorverlies hebben van 4 tot 10 dB bij 6.000 Hz. Wel is er een verband tussen het aantal popmuziekactiviteiten en de mate van het gehoorverlies. Daarnaast hangt het gehoorverlies samen met de aard van de popmuziekactiviteiten. Van het bezoeken van discotheken is niet aangetoond dat hierdoor gehoorschade ontstaat. Naar schatting 0,4% van de jongeren heeft een gehoorverlies van 30 dB of meer bij 4.000 en 6.000 Hz als gevolg van het beluisteren van harde muziek door hoofdtelefoons. Recente cijfers over gehoorschade als gevolg van het luisteren naar harde muziek ontbreken. Op basis van internationale epidemiologische onderzoeken concludeert de 'Scientific Committee on Emerging and Newly-Identified Health Risks' (SHENIR) dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van gehoorbeperkingen onder tieners en jongvolwassenen. Ook lijkt er geen sprake van een aanmerkelijk gehoorverlies bij jongeren onder de 21 jaar als gevolg van blootstelling aan harde muziek (SHENIR, 2008).

Huisartsenregistraties: ruim half miljoen mensen met slechthorendheid

Op 1 januari 2007 waren er 623.400 (95%-betrouwbaarheidsinterval: 575.800 - 675.800) mensen met slechthorendheid (puntprevalentie): 341.000 mannen en 282.400 vrouwen (42,2 per 1.000 mannen en 34,2 per 1.000 vrouwen). In 2007 kwamen er ongeveer 61.900 nieuwe patiënten met slechthorendheid bij (incidentie). Dit brengt het totaal aantal mensen met gediagnosticeerde slechthorendheid op 685.300 (95%-betrouwbaarheidsinterval: 661.400 - 713.700) in 2007 (jaarprevalentie). In deze cijfers zijn lawaai- en ouderdomsslechthorendheid samengenomen, omdat de huisarts hierin niet altijd onderscheid maakt en/of kan maken.

Vooral vanaf de leeftijd van 50 jaar neemt het aantal mensen met deze lawaai- en ouderdomsslechthorendheid sterk toe (zie: detailsPrevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht).

Voor meer informatie over de verschillende huisartsenregistraties, zie: detailsAchtergrond bij keuze van huisartsenregistraties voor incidentie- en prevalentieschatting.

Voor meer informatie over de schattingen en de betrouwbaarheidsintervallen, zie detailsSchattingsmethode incidentie en prevalentie 2007.

Slechts een deel van slechthorenden geregistreerd door huisartsen

Het totaal aantal mensen met slechthorendheid ligt waarschijnlijk vele malen hoger dan geschat op basis van registratie van lawaai- en ouderdomsslechthorendheid door huisartsen. Dit blijkt uit zowel bevolkingsenquêtes als bevolkingsonderzoeken.

Enquête: bijna twee miljoen mensen met gehoorproblemen

Naar schatting 3,0% van de totale bevolking van 12 jaar en ouder heeft enige tot zeer grote moeite een gesprek te voeren met één ander persoon, terwijl 14,1% enige tot zeer grote moeite heeft een gesprek te volgen in een groep van drie of meer personen (al dan niet met een hoortoestel). Voor mensen van 75 jaar en ouder zijn deze percentages respectievelijk 9,8% en 40,5%. Dit blijkt uit de uitkomsten van de CBS-POLS, gezondheid en welzijn enquête van 2007.

De uitkomsten van de enquête zijn grafisch weergegeven in: detailsFiguren slechthorendheid CBS-POLS gezondheid en arbeid, 2007.

Omgerekend naar de bevolkingsomvang van 12 jaar en ouder in 2007, ondervinden ongeveer 418.100 personen gehoorbeperkingen tijdens gesprekken met één ander persoon. Hiervan zijn ongeveer 106.400 personen 75 jaar of ouder.

Ongeveer 1.983.000 personen ondervinden gehoorbeperkingen bij een gesprek in een groep van drie of meer personen. Hiervan zijn ongeveer 440.500 personen 75 jaar of ouder.

Onderzoek: ruim 1,2 miljoen ouderen slechthorend

Op basis van een onderzoek onder een representatieve groep van volwassenen van 60 jaar en ouder (LASA) wordt het aantal slechthorenden van 60 jaar of ouder in Nederland geschat op 1.256.000 (Smits et al., 2006). In dit onderzoek is het spraakverstaan in achtergrondruis gemeten.

detailsBeschrijving gebruikte bronnen

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Bachmann KR, Arvedson JC.Early identification and intervention for children who are hearing impaired. Pedriatric Rev, 1998; 19: 155-165.
  • Davis AJ, Bamford J, Wilson I, Ramkalawan T, Forshaw M, Wright S.A critical review of the role of neonatal hearing screening in the detection of congenital hearing impairment. Health Technol Assess, 1997; 1(10): 1-176.
  • Fortnum HM, Summerfield AQ, Marshall DH, Davis AC, Bamford JM.Prevalence of permanent childhood hearing impairment in the United Kingdom and implications for universal neonatal hearing screening: questionnaire based ascertainment study. BMJ, 2001; 323: 1-6.
  • Kauffman-de Boer M, Uilenburg N, Schuitema T, Vinks E, Brink G van den, Ploeg K van der, et al.Landelijke implementatie neonatale gehoorscreening. Amsterdam: NSDSK, 2006.
  • Kennedy C, Mc Cann D.Universal neonatal hearing screening moving from evidence to practice. Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed, 2004; 89: 378-383.
  • Passchier-Vermeer W, Steenbekkers JHM.Gehoorschade door popmuziek; popconcerten, houseparty's en discotheken. TNO-publicatie nr. 2001-149. Leiden: TNO, 2001.
  • Rovers MM, Schilder AGM, Zielhuis GA, Rosenfeld RM.Otitis media (seminar). The Lancet, 2004; 363: 465-473.
  • SHENIR, Scientific Committee on Emerging and Newly-Identified Health Risks.Scientific opinion on the Potential health risks of exposure to noise from personal music players and mobile phones including a music playing function. 2008.
  • Smits C, Kramer SE, Houtgast T.Speech reception thresholds in noise and self-reported hearing disability in a general adult population. Ear and Hearing, 2006; 27: 538-549.
  • Tharpe AM, Bess FH.Minimal, progressive, and fluctuating hearing losses in children. Characteristics, identification, and management. Pediatr. Clin. North Am., 1999; 46(1): 65-78.
  • Zielhuis GA, Gerritsen AAM, Gorissen WHM, Dekker LJ, Rovers MM, Wilt G van der, et al.Hearing deficits at school age; the predictive value of otitis media in infants. Int. J. of Pediatr. Otorhinolaryngology, 1998; 44: 227-234.
  • Zielhuis GA, Rach GH, Broek P van den.The occurrence of otitis media with effusion in Dutch preschool children. Clin. Otolaryngol., 1990; 15: 147-153.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

OME
Otitis media met effusie
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.