Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Gehoorstoornissen
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Gehoorstoornissen: Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?

Diagnostiek Behandeling

Diagnostiek

Kinderen krijgen al enkele dagen na de geboorte een gehoortest

De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) neemt kinderen enkele dagen na de geboorte een gehoortest af. Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM voert de regie over dit gehoorscreeningsprogramma voor pasgeborenen. Hierbij worden twee onderzoekstechnieken gebruikt:

  • het meten van oto-akoestische emissies (OAE-screening);
  • de geautomatiseerde hersenstam audiometrie (AABR-screening).

Voor een eerste screening wordt gebruikgemaakt van de OAE-methode. Als de eerste screening onvoldoende is (er wordt aan één of beide oren geen voldoende gehoor aangetoond), dan wordt in een tweede screening de OAE-methode herhaald. Als ook de tweede screening onvoldoende is, wordt in een derde screening gebruikgemaakt van de AABR-methode. Als ook de derde screening onvoldoende is, wordt het kind verwezen naar een audiologisch centrum, voor nader onderzoek.

Neonatale gehoorscreening leidt tot minder vals-positieven

De bovenbeschreven neonatale gehoorscreening is tussen juli 2002 en juli 2006 landelijk geïmplementeerd en heeft de gehoorscreening op de leeftijd van negen maanden vervangen, zoals deze vanaf 1965 plaatsvond. De huidige screening leidt tot minder vals-positieven die vooral worden veroorzaakt door tijdelijk gehoorverlies als gevolg van vocht in het middenoor. Met de huidige screening is het percentage verwijzingen naar een audiologisch centrum teruggebracht van 5% naar 0,3% (Kauffman-de Boer et al., 2006).

Zie ook:

Alertheid op slechthorendheid bij kinderen blijft geboden

Wanneer de uitslag van een gehoortest goed is, betekent dit dat het gehoor van het kind op het moment van testen vrijwel zeker voldoende is. Een enkele keer echter ligt de oorzaak van de slechthorendheid in de gehoorzenuw of hersenen (auditieve neuropathie). Deze vorm van slechthorendheid wordt niet met de OAE-methode opgemerkt. Om deze reden worden kinderen met een verhoogde kans op auditieve neuropathie getest met een andere methode, de AABR-methode. Omdat slechthorendheid zich later kan ontwikkelen, ook al in het eerste levensjaar, moeten ouders en professionals (huisartsen, crècheleidsters, consultatiebureau-artsen, JGZ-artsen) alert blijven op symptomen van gehoorverlies.

Definitie slechthorendheid bij volwassenen hangt af van meetmethode

Slechthorendheid kan bij volwassenen vastgesteld worden aan de hand van verschillende methoden. Het toondrempelaudiogram en het spraakaudiogram zijn niet-objectieve standaard tests. Deze tests vormen vaak de basis voor verder onderzoek (zie: Nederlands Leerboek Audiologie).

Om het functioneren van een persoon in het dagelijkse leven te evalueren worden spraak-in-ruis-testen gebruikt (Plomp & Mimpen, 1979, Smits et al., 2004). Daarnaast bestaan er vragenlijsten om de eigen beleving van slechthorendheid in kaart te brengen (Kramer et al., 1995, Kramer et al., 1996). Elk van deze methoden meet verschillende aspecten van slechthorendheid. De definitie van slechthorendheid is dus mede afhankelijk van de methode waarmee die gemeten is (Chorus et al., 1995; Passchier-Vermeer, 1995, Duijvestijn et al., 1999, NVA).

Naar boven


Behandeling

Bij slechthorendheid door geleidingsverlies is behandeling mogelijk

Wanneer er sprake is van een geleidingsverlies, dan kan dit vaak worden behandeld door een huisarts of KNO-arts. Het gaat dan bijvoorbeeld om een oorsmeerprop of een acute middenoorontsteking. Op de kinderleeftijd treedt vaak een ontsteking in het middenoor op met vochtuittreding (otitis media met effusie), ook wel ‘lijmoor’ genoemd. Door de vochtophoping worden geluidstrillingen minder goed overgedragen naar het binnenoor. Binnen drie maanden treedt bij de helft van de kinderen spontaan verbetering op en binnen zes maanden bij driekwart van de patiëntjes. Medicatie heeft geen, of hooguit een kortstondige invloed op het beloop van otitis media met effusie. Een chirurgische behandeling (met trommelvliesbuisjes of verwijderen van de neusamandel) is meestal niet nodig. Behandeling wordt aanbevolen als de klachten een duidelijk nadelige invloed hebben op het functioneren en op de ontwikkeling van het kind (NHG, 2005i).

Behandeling perceptieve slechthorendheid richt zich op vermindering van beperkingen

Perceptieve slechthorendheid is over het algemeen niet te verhelpen of te verminderen met medicamenten of chirurgie. De behandeling is gericht op het aanpassen van geluid aan het niet goed functionerend gehoor en/of het aanpassen van de omgeving waardoor de akoestiek verbetert. Voor geluidsversterking zijn verschillende hoortoestellen beschikbaar. Deze aanpassingen gaan slechthorendheid niet tegen, maar verminderen wel de mate waarin de slechthorendheid beperkend is.

Hoortoestellen alleen effectief bij slechthorenden met restgehoor

Slechthorenden met restgehoor kunnen door het gebruik van een hoortoestel signaalgeluiden, vooral van de gesproken taal, beter waarnemen. Hoortoestellen (ook wel gehoorapparaat of hoorapparaat genoemd) versterken het geluid. Ze bestaan in principe uit een microfoon, die het geluid opvangt, een versterker en een telefoon (luidspreker), die het geluid weer doorgeeft. Het hoortoestel achter het oor (oorhanger) is het meest gangbaar. Daarnaast zijn er ook hoortoestellen die in het oor worden gedragen.

De beengeleider is een hoortoestel waarbij geluiden omgezet worden in trillingen (vibraties) die overgebracht worden op het bot van de schedel. Doordat de schedel in trilling wordt gebracht, vibreert ook het binnenoor mee, zodat het geluid gehoord wordt.

Technische mogelijkheden van hoortoestellen nemen toe

De ontwikkeling van nieuwe en betere hoortoestellen gaat snel. Hoortoestellen kunnen worden aangepast aan het geconstateerde gehoorverlies. Er zijn toestellen die afhankelijk van de sterkte van het aangeboden geluid de toegepaste versterking automatisch regelen. Hoortoestellen met meer dan één versterkingsprogramma bieden de slechthorende, afhankelijk van akoestische omstandigheden, de meest geschikte aanpassing van het geluid. De meeste hoortoestellen zijn digitaal, dat wil zeggen dat de geluidsaanpassing met verfijnde digitale technieken wordt uitgevoerd. Het is nog niet goed mogelijk een spreker uit omgevingsrumoer te selecteren. Het hoortoestel blijft een hulpmiddel; ernstige communicatieve beperkingen door vooral perceptief gehoorverlies kunnen er maar voor een deel mee worden ondervangen (NVA).

Bij zeer ernstige slechthorendheid directe stimulatie gehoorzenuw

Heeft een slechthorende te weinig restgehoor, dan is een hoortoestel geen optie. In een dergelijk geval kan een cochleair implantaat (CI) uitkomst bieden. Een cochleair implantaat wordt direct onder de huid geïmplanteerd en stimuleert de gehoorzenuw via in het slakkenhuis (cochlea) aangebrachte elektrodes. Aangedane delen van het oor, zoals defecte haarcellen in het slakkenhuis, worden hierbij omzeild. Dit stelt doven en/of zeer ernstig slechthorenden weer in staat geluiden op te vangen.

De resultaten met CI zijn indrukwekkend, zeker bij heel jonge kinderen. Hoewel het hier om een relatief kleine groep kinderen gaat, is het potentieel belang van een vroege implantatie zeer groot. Sommige kinderen met audiometrische gehoorverliezen van meer dan 90 dB (traditioneel ‘doof’) kunnen dankzij het implantaat als ‘slechthorend’ worden aangemerkt (Van den Broek et al., 1998).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Broek P Van den, Vermeulen A, Brokx J, Snik A.Cochlear Implantation in Deaf Children. Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, 1998; 142(47): 2581-6.
  • Chorus AMJ, Kremer A, Oortwijn WJ, Schaapveld K.Slechthorendheid in Nederland. Achtergrondinformatie bij een knelpuntennotitie. TNO-rapport nr. 95.076. Leiden: TNO, 1995.
  • Duijvestijn JA, Anteunis LJ, Hendriks JJ, Manni JJ.Definition of hearing impairment and its effect on prevalence figures. A survey among senior citizens. Acta Otolaryngolog, 1999; 119(4): 420-423.
  • Kauffman-de Boer M, Uilenburg N, Schuitema T, Vinks E, Brink G van den, Ploeg K van der, et al.Landelijke implementatie neonatale gehoorscreening. Amsterdam: NSDSK, 2006.
  • Kramer SE, Kapteyn TS, Festen JM, Tobi H.Factors in subjective hearing disability. Audiology, 1995; 34: 311-320.
  • Kramer SE, Kapteyn TS, Festen JM, Tobi H.The relationships between self-reported hearing disability and measures of auditory disability. Audiology, 1996; 35: 277-287.
  • NHG, Nederlands Huisartsen Genootschap.Standaard M18: Otitis media met effusie. Utrecht, 2005i.
  • Passchier-Vermeer W.Uncertainties in noise-induced permanent treshold shift. TNO-publication no. 95.008. Leiden: TNO, 1995.
  • Plomp R, Mimpen AM.Improving the reliability of testing the speech reception threshold for sentences. Audiology, 1979; 18(1): 43-52.
  • Smits C, Kapteyn TS, Houtgast T.Development and validation of an automatic speech-in-noise screening test by telephone. Int J Audiol, 2004; 43(1): 15-28.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

KNO
Keel-, neus- en oorheelkunde
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.