Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Gehoorstoornissen
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Wat zijn gehoorstoornissen en wat is het beloop?

Ziektebeeld en beloop Beperkingen

Gehoorstoornissen zijn stoornissen waarbij gehoorverlies optreedt als gevolg van een afwijking van het gehoororgaan. Gehoorverlies is te onderscheiden in oorzaak en ernst. Gehoorverlies kan aangeboren en verworven zijn. Daarnaast kan het permanent zijn of van tijdelijke aard (zie 'Ziektebeeld en beloop'). Doordat het gehoor(orgaan) diverse functies heeft (zoals het detecteren van geluid en het verstaan van spraak) kunnen gehoorstoornissen leiden tot een diversiteit van beperkingen (zie ‘Beperkingen’).


Ziektebeeld en beloop

Indeling gehoorverlies mogelijk op basis van oorzaak

De internationale classificatie van ziekten (ICD) gaat bij de indeling van gehoorverlies uit van de oorzaak. De ICD-10-classificatie onderscheidt ondermeer:

  • Gehoorverlies door een geleidingsstoornis: hierbij wordt het geluid niet goed door de gehoorgang en/of het middenoor geleid.
  • Gehoorverlies door een perceptiestoornis: hierbij doet het probleem zich voor in het binnenoor (het slakkenhuis) of in de gehoorzenuw.
  • Gemengd gehoorverlies: hierbij is sprake van zowel een geleidingsstoornis als van een perceptiestoornis.
  • Overige vormen van gehoorverlies, waaronder lawaai- en ouderdomsslechthorendheid.

Ook indeling naar ernst gehoorverlies mogelijk

Aan de hand van hoortesten kan een indeling naar de ernst van het gehoorverlies worden gemaakt. Met behulp van toonaudiometrie wordt de gehoordrempel vastgesteld. Een zuivere toon wordt bij verschillende frequenties aangeboden. Bepaald wordt hoe zacht de toon mag zijn om nog net hoorbaar te zijn. De afwijking van de gehoordrempel ten opzichte van de normaalwaarde wordt uitgedrukt in 'decibel Hearing Level' (dB HL). Om de mate van gehoorverlies vast te stellen wordt vaak het gemiddelde verlies in dB HL bij de frequenties 500, 1.000, 2.000 en 4.000 Hz berekend. Wanneer dit gemiddelde tussen 0 en 20 dB HL ligt, spreekt men van een normaal gehoor. De andere categorieën zijn:

  • mild gehoorverlies: 20-40 dB HL
  • matig gehoorverlies: 40-60 dB HL
  • ernstig gehoorverlies: 60-80 dB HL
  • zeer ernstig gehoorverlies: 80-90 dB HL
  • doof: >90 dB HL

Toonaudiometrie richt zich slechts op één facet van het horen: het detecteren van geluiden. In welke mate met het overgebleven gehoor tonen kunnen worden onderscheiden en of spraak kan worden verstaan, wordt hiermee niet vastgesteld (zie 'Beperkingen').

Gehoorverlies tijdelijk of permanent

Bij geleidingstoornissen kan het geluid het binnenoor niet goed bereiken. Dit kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een prop oorsmeer of vocht in het oor als gevolg van een middenoorontsteking. Het gehoorverlies is dan tijdelijk. Ook problemen met het trommelvlies of de gehoorbeentjes kunnen de oorzaak zijn van geleidingstoornissen.

Bij perceptief gehoorverlies is er meestal sprake van een afwijking van het binnenoor, zoals niet goed functionerende haarcellen. Ook kan er een afwijking aan de gehoorzenuw zijn of een probleem met de overdracht van haarcellen naar de gehoorzenuw. Het gehoorverlies is dan permanent.

Hoorprobleem soms veroorzaakt door verstoorde verwerking geluidssignaal

Naast de genoemde geleidings- en perceptiestoornissen, kan er sprake zijn van een centraal Auditief Verwerkingsprobleem (AVP). De patiënt heeft dan een duidelijk hoorprobleem, terwijl daar met de standaard audiometrische tests geen aanwijzingen voor zijn. Mensen met een AVP hebben problemen met het uitvoeren van meer complexe hoortaken, zoals het selecteren van (spraak)signalen temidden van andere, het combineren en/of integreren van (spraak)signalen en het waarnemen of verwerken van gestoorde signalen (Neijenhuis et al., 2001).

Er zijn aangeboren, verworven, erfelijke en niet-erfelijke stoornissen

Bij kinderen is slechthorendheid vaak al kort na de geboorte aanwezig. Tot aan het 9e jaar kan de prevalentie echter nog toenemen met 50 tot 90% (Fortnum et al., 2001). Bij ongeveer de helft van de kinderen met een gehoorstoornis op jonge kinderleeftijd is de aandoening erfelijk. De slechthorendheid is dan niet altijd al bij de geboorte aanwezig, maar kan zich ook pas later manifesteren. In een kwart van de gevallen is de oorzaak verworven, bijvoorbeeld als gevolg van een infectie tijdens de zwangerschap of door een zuurstoftekort rond de geboorte, of als gevolg van meningitis. In een kwart van de gevallen is de oorzaak niet te achterhalen (Meuwese-Jongejeugd & Straaten, 2008).

Lawaaislechthorendheid ontstaat door herhaalde blootstelling aan lawaai

Het binnenoor is een heel gevoelig en kwetsbaar orgaan. Het neemt zachte geluiden waar en verdraagt harde geluiden. Een zeer hard geluid kan ertoe leiden dat het binnenoor gedurende een aantal uren minder gevoelig is. Er treedt dan een tijdelijke drempelverschuiving op. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het bezoek aan een disco. Vaak gaat dit gepaard met oorsuizen (tinnitus). Wanneer het oor opnieuw aan hard geluid wordt blootgesteld, nog voordat het oor is hersteld van de voorgaande blootstelling, zal na verloop van tijd het herstel niet meer volledig zijn. Er treedt dan een zogenaamde 'lawaaidip' op. Dit gehoorverlies treedt op in een bepaald deel van het hoge-tonengebied. Wanneer men gedurende vele jaren aan lawaai wordt blootgesteld, zal de dip groter worden. Niet alleen wordt de dip dan dieper, maar ook breidt deze zich uit over een groter frequentiegebied (in eerste instantie over de hogere frequenties en later ook over de lagere). We spreken dan van lawaaislechthorendheid, door de huisarts doorgaans geregistreerd met ICPC-code H85. Het beginstadium van lawaaislechthorendheid (waarin met name hoge tonen niet goed hoorbaar zijn) wordt door de betrokkene vaak niet opgemerkt. Het oorsuizen dat kan optreden als gevolg van blootstelling aan lawaai wordt vaak als hinderlijker ervaren dan het gehoorverlies.

Een akoestisch trauma (bijvoorbeeld als gevolg van een explosie) onderscheidt zich van lawaaislechthorendheid doordat er hierbij sprake is van een acute aantasting van het gehoor.

Tabel 1: Onderverdeling van gehoorverlies volgens de ICD-10-classificatie.

Omschrijving

ICD-10-code

lawaai-effecten op het binnenoor (door lawaai geïnduceerd gehoorverlies; akoestisch trauma)

H83.3

Gehoorverlies door stoornissen in geleiding en perceptie (inclusief aangeboren doofheid)

H90

gehoorverlies door geleidingsstoornis

H90.0-H90.2

gehoorverlies door perceptiestoornis

H90.3-H90.5

gehoorverlies door combinatie van geleidings- en perceptiestoornis

H90.6-H90.8

Overige vormen van gehoorverlies

H91

gehoorverlies door toxische stoffen

H91.0

ouderdomsslechthorendheid (presbyacusis)

H91.1

acuut gehoorverlies met onbekende oorzaak

H91.2

doofstomheid, niet elders geclassificeerd

H91.3

overige gespecificeerde vormen van gehoorverlies

H91.8

gehoorverlies, niet gespecificeerd

H91.9

Ouderdomsslechthorendheid heeft vooral betrekking op hoge tonen

Van ouderdomsslechthorendheid (presbyacusis) is sprake wanneer bij een ouder iemand in beide oren een perceptief gehoorverlies wordt geconstateerd dat niet door andere oorzaken kan worden verklaard dan door fysiologische veroudering van het hoorzintuig. Door de huisarts wordt ouderdomsslechthorendheid doorgaans geregistreerd met ICPC-code H84. In een vroeg stadium betreft het gehoorverlies vooral de hogere tonen, in de loop der jaren breidt het verlies zich uit naar de lagere tonen. De eerste verschijnselen kunnen zich al openbaren rond het dertigste levensjaar. Als de gehoorscherpte geleidelijk vermindert, is dat door de persoon zelf vaak moeilijk te onderkennen, zeker wanneer er sprake is van hoge-tonenverlies. Vanwege de relatief grote geluidssterkte in de lagere frequenties, blijft iemand de (spraak)geluiden wel horen, maar kan ze niet goed herkennen of verstaan. Dit komt omdat een belangrijk deel van de medeklinkers zich in het hoge-tonengebied bevindt. Hierdoor denkt hij of zij dat de spreker wel hoorbaar is, maar onduidelijk spreekt. Verliest iemand gevoeligheid voor lage tonen, dan zal hij of zij het gehoorverlies sneller onderkennen (Kapteyn et al., 1995).

Geen onderscheid in oorzaak, maar wel in ernst

Ouderdoms- en lawaaislechthorendheid kunnen veelal niet worden onderscheiden. Het gehoorverlies kan wel op basis van ernst in de volgende categorieën worden ingedeeld:

  • licht: gehoorverlies dat door betrokkene wordt opgemerkt in lawaaiige omgevingen
  • matig: gehoorverlies waar betrokkene ook in een stille omgeving last van heeft
  • ernstig: gehoorverlies dat met een hoortoestel slechts zeer ten dele is te compenseren
  • zeer ernstig/doofheid: een zo ernstig gehoorverlies dat men zelfs met geluidsversterking niet via geluid kan communiceren; om te communiceren is aanvullende informatie nodig, bijvoorbeeld visuele informatie door het zien van gezichtsexpressie en spraakbeeld, gebaren en lichaamstaal of door tactiele informatie (tast)

Naar boven


Beperkingen

De beperkingen door slechthorendheid zijn divers

Het gehoor(orgaan) heeft diverse functies. Hierdoor zijn ook de beperkingen als gevolg van slechthorendheid divers. Iemand met een slecht functionerend gehoor kan op vijf verschillende hoorgebieden beperkingen ervaren (Kramer et al., 1995):

  • detecteren van geluiden
  • herkennen en (onder)scheiden (discrimineren) van geluiden
  • verstaan van spraak in een stille omgeving
  • verstaan van spraak in rumoer
  • lokaliseren van geluiden

Verder hebben veel slechthorenden er last van dat ze geluiden die voor een goedhorende niet hinderlijk zijn als abnormaal hard ervaren. Ten slotte komen tinnitus (oorsuizen) en evenwichtsklachten regelmatig voor bij slechthorenden.

Ernstige vroege slechthorendheid leidt tot verminderde spraak- en taalontwikkeling

De opvallendste gevolgen van ernstige slechthorendheid op jonge leeftijd zijn een vertraagde of afwezige ontwikkeling van spraak en (gesproken) taal. Daarmee samenhangende gevolgen zijn een beperkte of vertraagde ontwikkeling van cognitieve functies, problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling en verminderde deelname aan de samenleving. Ernstige slechthorendheid leidt verder tot een verhoogde kwetsbaarheid voor ongevallen in het verkeer.

Hoorproblemen leiden soms tot sociaal isolement

De beperkingen in het horen kunnen leiden tot een verminderde deelname aan maatschappelijke activiteiten en tot een sociaal isolement (Danermark, 2005). In tal van studies is de samenhang tussen slechthorendheid en eenzaamheid, neerslachtigheid, stress en een verkleind sociaal netwerk aangetoond (Kramer, 2005; Nachtegaal et al., 2009b). Slechthorendheid in het arbeidsproces is gerelateerd aan een verhoogde behoefte aan herstel na het werk (Nachtegaal et al., 2009a).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Danermark B.A review of the psychosocial effects of hearing impairment in the working-age population. In: Stephens D, Jones L, eds. The impact of genetic hearing impairment. London and Philadelphia: Whurr Publishers, 2005: 106-136.
  • Fortnum HM, Summerfield AQ, Marshall DH, Davis AC, Bamford JM.Prevalence of permanent childhood hearing impairment in the United Kingdom and implications for universal neonatal hearing screening: questionnaire based ascertainment study. BMJ, 2001; 323: 1-6.
  • Kapteyn TS, Hackenitz E, Wijkel D.Maatregelen ter beïnvloeding van het gebruik van een hoortoestel. Een geprotocolleerde voorschrijfprocedure en een aanvullend huisbezoek. Huisarts Wet 1995; 38: 535-538.
  • Kramer SE, Kapteyn TS, Festen JM, Tobi H.Factors in subjective hearing disability. Audiology, 1995; 34: 311-320.
  • Kramer SE.The psychosocial impact of hearing loss among elderly people: a review. In: Stephens D, Jones L, eds. The impact of genetic hearing impairment. London and Philadelphia: Whurr Publishers, 2005: 137-164.
  • Meuwese-Jongejeugd J, Straaten HLM van.Werkboek Neonatale gehoorscreening. Amsterdam: VU University Press, 2008.
  • Nachtegaal J, Kuik DJ, Anema JR, Goverts ST, Festen JM, Kramer SE.Hearing status, need for recovery after work, and psychosocial work characteristics: results from an Internet based National Survey on Hearing. International Joernal of Audiology, 2009a; 48: 684-691.
  • Nachtegaal J, Smit JH, Bezemer PD, Beek JHM van, Festen JM, Kramer SE.The association between hearing status and psychosocial health before age of 70 years: results from an Internet based National Survey on Hearing. Ear and Hearing, 2009b; 30(3): 302-312.
  • Neijenhuis CAM, Stollman M, Snik A, Broek P van den.Development of a central auditory test battery for adults. Audiology, 2001; 40: 69-77.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

ICD
International Classification of Diseases
Internationale classificatie van ziekten.
ICD-10
International Classification of Diseases, tenth revision
ICPC
International classification of primary care
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.