Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekten en aandoeningen

Welke ziekten hebben de hoogste prevalentie?

Twee maten voor het vóórkomen van ziekten

Voor het tellen van het aantal ziektegevallen zijn twee maten te onderscheiden: prevalentie en incidentie. Prevalentie betreft het aantal ziektegevallen dat op een bepaald moment (puntprevalentie) of in een bepaalde periode (bijvoorbeeld jaarprevalentie) aanwezig is. Incidentie is het aantal nieuwe ziektegevallen in een bepaalde periode (meestal een jaar).

Voor kortdurende ziekten is incidentie een geschikte maat. Een rangorde van ziekten op basis van incidentie is te vinden in Welke ziekten hebben de hoogste incidentie?.

Puntprevalentie is vooral een geschikte maat voor chronische ziekten en jaarprevalentie voor ziekten die weliswaar langdurig zijn, maar episodisch verlopen.

Ziekten gerangschikt naar vóórkomen

Om ziekten en aandoeningen in het Kompas onderling te kunnen vergelijken op basis van vóórkomen, zijn ze in tabel 1 gerangordend naar puntprevalentie. Hiervoor is gebruikgemaakt van gegevens afkomstig van zorgregistraties. Overigens zijn niet alle aandoeningen uit het Kompas in de tabel terug te vinden. Reden hiervoor is dat voor een aantal ziekten geen geschikte bron voor de puntprevalentie beschikbaar is en/of dat er sprake is van kortdurende aandoeningen (onder andere infectieziekten) waarvoor prevalentiecijfers weinig betekenis hebben.

Chronische lichamelijke aandoeningen komen het meest voor

Op basis van gegevens uit zorgregistraties komen diabetes mellitus, artrose en coronaire hartziekten het meest voor in Nederland. Baarmoederhalskanker, maagkanker, slokdarmkanker en aids sluiten de rij (zie tabel 1).

Kanttekeningen bij de cijfers

De cijfers uit zorgregistraties kunnen het vóórkomen van een ziekte in de bevolking onderschatten. In zorgregistraties worden alleen die personen met een ziekte meegeteld, die in het zorgcircuit bekend zijn met de betreffende ziekte. Voor depressie is de prevalentie op basis van bevolkingsonderzoek een factor 1,5 hoger dan de prevalentie op basis van zorgregistraties. Voor angststoornissen is dit een factor tien. Deze discrepantie heeft verschillende oorzaken. Ten eerste zoeken niet alle mensen met (soms zelfs ernstige) symptomen of klachten hulp. Verder is de (huis)arts niet altijd op de hoogte van ziekten omdat hulp werd gezocht via andere hulpverlenende instanties (bijvoorbeeld ambulante geestelijke gezondheidszorg, optometrist, fysiotherapeut). Ook zijn de criteria die de arts bij diagnose hanteert soms strenger dan die in epidemiologisch onderzoek worden aangehouden. Artsen missen daarnaast sommige diagnoses omdat de patiënt de symptomen en/of klachten niet duidelijk presenteert, of omdat de arts deze niet juist interpreteert. En ten slotte wachten (huis)artsen soms het natuurlijk beloop af, voordat zij een diagnose stellen (en de behandeling starten). Ze registreren dan een symptoomdiagnose, die niet meetelt in het totaal aantal ziektegevallen.

Voor achterliggende cijfers en bronnen, zie: detailsAchtergrondcijfers bij tabel

Tabel 1: Rangordening a van aandoeningen naar puntprevalentie b (absoluut aantal gevallen); gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2007 (gebaseerd op gegevens uit zorgregistraties).

a Binnen elke kolom staat de aandoening met de hoogste puntprevalentie bovenaan. Niet meegenomen zijn enkele aandoeningen waarvoor geschikte (punt)prevalentiecijfers ontbreken of waarvoor (punt)prevalentiecijfers niet zinvol zijn. Dit zijn alle infectieziekten met uitzondering van aids en verder eetstoornissen, gedragsstoornissen, ADHD, autisme, Downsyndroom, aneurysma van de buikaorta, decubitus, heupfractuur, vroeggeboorten, gezondheidsproblemen bij op tijd geborenen en acute lichamelijke letsels. Voor de prevalentie van dementie, multiple sclerose, beroerte en de ziekte van Parkinson zijn ook verpleeghuisgegevens meegenomen in de schatting; voor schizofrenie zijn ook gegevens uit psychiatrische ziekenhuizen meegenomen.

b Voor drugs- en alcoholafhankelijkheid is de jaarprevalentie gebruikt en voor alle kankers is de 10-jaarsprevalentie gebruikt.

c Alleen artrose van de ledematen. Nek- en rugartrose vallen onder nek- en rugklachten.

d Het betreft de volgende gezichtsstoornissen: maculadegeneratie, glaucoom en staar.

.

Begrippen en afkortingen

Definities

10-jaarsprevalentie
Het aantal mensen dat op 1 januari van een bepaald jaar nog in leven is en bij wie in de 10 jaar daaraan voorafgaand, de ziekte is gediagnosticeerd. Gebruikelijke maat in kankerregistratie.
Prevalentie
Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.
Standaardisatie
Het vergelijkbaar maken van cijfers (bijvoorbeeld sterftecijfers) die betrekking hebben op verschillende jaren of populaties, door rekening te houden met verschillen in bijvoorbeeld leeftijdsverdeling. Een veel gebruikte methode is zogenaamde 'directe standaardisatie', die de leeftijdsspecifieke cijfers van een populatie (de 'indexpopulatie') toepast op de leeftijdsverdeling van een gekozen 'standaardpopulatie'.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.