Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Verstandelijke handicap
Geografische verschillen

Verstandelijke handicap: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Ongeveer 1 tot 3% van de wereldbevolking heeft een verstandelijke handicap

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat dat 1% tot 3% van de bevolking een verstandelijke handicap heeft. Hiervan heeft 0,3% een matige tot ernstige handicap (WHO, 2001f). De grote variatie in geschatte prevalentie komt door verschillen tussen studies in gebruikte criteria, methoden en leeftijdsgroepen (WHO, 2001f). Uitgaande van een iets conservatievere schatting van 1 tot 2,5% zouden 4,5 miljoen tot 11,3 miljoen mensen in de Europese Unie een verstandelijke handicap hebben. Daarvan heeft 1,3 miljoen een matige tot ernstige handicap (POMONA, 2004). Voor Nederland zouden de genoemde percentages leiden tot een beduidend hoger aantal mensen met een verstandelijke handicap dan de schatting van 115.000 op basis van Ras et al., 2010. Voor het aantal mensen met een ernstige handicap is de afwijking tussen de Nederlandse schatting (60.000) en die op basis van de WHO (50.000 met een matige tot ernstige handicap) minder groot. De WHO-schattingen komen overeen met de geschatte prevalentie bij schoolkinderen van 0,4% voor matige tot ernstige handicap en een totale prevalentie van 3% bij schoolkinderen (Roeleveld et al., 1997).

Zie ook:

Beperkt aantal Europese studies geven lagere prevalentie

Voor een beperkt aantal Europese landen zijn prevalentiecijfers uit bevolkingsonderzoeken beschikbaar (zie tabel 1). Hieruit blijkt bijvoorbeeld een totale prevalentie van 0,7% in Ierland, 0,8% in Nederland en 0,4% in Zweden (POMONA, 2004). Deze prevalentiecijfers zijn lager dan de schattingen van de WHO van 1 tot 3%. De prevalenties voor de getoonde landen zijn overigens niet goed vergelijkbaar door verschillen in gebruikte definities en methoden. Ook zijn de cijfers van de verschillende landen mogelijk niet allemaal even representatief. De Nederlandse cijfers van het POMONA-onderzoek (Van Schrojenstein Lantman-de Valk et al., 2002a) leunen bijvoorbeeld sterk op een onderzoek dat niet erg representatief is voor Nederland. Dit onderzoek betreft namelijk slechts één provincie, waarin bovendien personen van buiten de provincie in intramurale voorziening zijn opgenomen. Dergelijke tekortkomingen zouden ook bij de cijfers voor de andere landen kunnen gelden.

Directe vergelijking tussen landen niet mogelijk

Door verschillen in definitie en methodologie variëren de prevalentieschattingen uit verschillende onderzoeken aanzienlijk. Dit maakt het onmogelijk de prevalentie tussen landen te vergelijken (POMONA, 2004; Walsh, 2008; WHO, 2001f). Definities van verstandelijke handicap variëren van een IQ onder een bepaalde grenswaarde tot mensen die in aanmerking komen voor speciale zorgvoorzieningen. Gebruik van speciale voorzieningen wordt daarmee vaak gelijkgesteld aan prevalentie. Bovendien kan de mate waarin een maatschappij het functioneren van de burgers als een probleem ziet verschillen. Daarnaast zijn er verschillen in methodologie, zoals het baseren van de prevalentie op bevolkingsonderzoek of op registraties van mensen met een verstandelijke handicap die zorg ontvangen. Het percentage mensen dat geregistreerd staat, is veel kleiner dan uit bevolkingsonderzoeken blijkt (POMONA, 2004).

Tabel 1: Prevalentie van verstandelijke handicap in een aantal EU-landen (POMONA, 2004).

Methode (jaar)

Prevalentie (%) (matig, ernstig, diep)

Prevalentie (%) (totaal)

Denemarken

Bevolkingsonderzoek (1976)

0,3

-

Finland

Register (2003)

0,1

-

Bevolkingsonderzoek (1986)

0,6 a

0,6 b en 1,4 c

Bevolkingsonderzoek (2003)

-

1,1

Ierland

Register (2003)

0,4

0,7

Nederland

Huisartsenregistratie (1997)

-

0,8

Combinatie zorggebruik en huisartsenregistratie (2002)

-

0,6-0,7

Zweden

Bevolkingsonderzoek (1984)

-

0,4

Verenigd Koninkrijk

Diverse studies (1976-2002)

-

0,2-0,7

Register (2002)

-

0,3

a ernstig

b mild

c borderline

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • POMONA.Health Indicators For People With Intellectual Disability in the Member States. Final Report. November 2002 - October 2004. 2004.
  • Ras M, Woittiez I, Kempen H van, Sadiraj K.Steeds meer verstandelijk gehandicapten? Ontwikkelingen in vraag en gebruik van zorg voor verstandelijk gehandicapten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2010; 2010(4).
  • Roeleveld N, Zielhuis GA, Grabreëls F.The prevalence of mental retardation: a critical review of recent literature. Developmental Med & Child Neurology 1997; 39: 125-132.
  • Schrojenstein Lantman-de Valk HMJ van, Heurn-Nijsten EWA van, Wullink M.Prevalentie-onderzoek mensen met een verstandelijke beperking in Nederland. Maastricht: Universiteit Maastricht, 2002a.
  • Walsh PN.Health indicators and intellectual disability. Curr Opin Psychiatry, 2008; 21(5): 474-8.
  • WHO, World Health Organization.The World Health Report 2001: Mental Health: New Understanding, New Hope. Geneve: WHO, 2001f.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

EU
Europese unie
IQ
Intelligentie quotiënt
WHO
World Health Organization
Wereldgezondheidsorganisatie. URL: http://www.who.int
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.