Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Dementie
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Welke factoren beïnvloeden de kans op dementie?

Aantal risicofactoren bekend maar nog veel onduidelijk

Aan het ontstaan van dementie ligt een ingewikkeld samenspel van genetische gevoeligheid en omgeving ten grondslag. Diverse risicofactoren zijn beschreven, maar voor de meeste is de kennis over hun relatie met dementie nog beperkt. De belangrijkste risicofactoren van dementie worden hieronder toegelicht. De gegevens zijn voornamelijk ontleend aan een overzichtsrapport van de Gezondheidsraad (Gezondheidsraad, 2002b).

Leeftijd duidelijke determinant, geslacht minder duidelijk

Met de leeftijd neemt de kans op dementie toe. Van de bekende risicofactoren is dit de sterkste. Hoewel in veel onderzoeken geen verschil in incidentie van dementie wordt gevonden tussen mannen en vrouwen, zijn er ook diverse onderzoeken die wel verschillen aantonen. Zo wordt in de Rotterdamse ERGO-studie en een groot prospectief Europees onderzoek (waar het Rotterdamse dementie-onderzoek deel van uitmaakt) tot 90 jaar voor Alzheimer dementie geen geslachtsverschil gezien, maar boven de 90 jaar bleek de incidentie onder vrouwen hoger te zijn dan onder mannen. De incidentie van vasculaire dementie was juist onder mannen hoger (Andersen et al., 1999; Ruitenberg et al., 2001). In een ander onderzoek werd ook voor Alzheimer dementie een hogere incidentie onder vrouwen gezien (Di Carlo et al., 2002) en voor vasculaire dementie onder mannen (Di Carlo et al., 2002; Kukell et al., 2002). Er zijn diverse verklaringen geopperd voor het geslachtsverschil bij Alzheimer dementie, waaronder een vroeger overlijden van mannen met een hoog risico op Alzheimer dementie.

Rol van opleidingsniveau in ontstaan van dementie nog onduidelijk

Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat mensen met een lage opleiding een hogere kans hebben op dementie (Gezondheidsraad, 2002b; Qiu et al., 2001; Kukell et al., 2002; Di Carlo et al., 2002). Echter, verschillende onderzoeken vonden ook een tegengesteld verband of geen verband of een verband voor alleen de groep met 'mogelijke/beginnende dementie' (Ganguli et al., 2000). In het ERGO-onderzoek en het Europese onderzoek werd alleen voor vrouwen een verband gevonden (Ott et al., 1999; Launer et al., 1999; Letenneur et al., 2000). Dat verband was tamelijk sterk.

Er zijn verschillende hypothesen geopperd die het verband tussen een lage opleiding en een verhoogde kans op dementie verklaren, zoals die van de 'cognitieve reserve' of 'detecion bias'. De gedachte hierbij is dat personen met een lagere opleiding in een vroeger pathologisch stadium worden gediagnosticeerd dan personen met een hogere opleiding. De onderzoekers opperen dat factoren die zelden worden onderzocht mogelijk het verband verklaren. Gedacht kan worden aan omstandigheden in de vroege jeugd of tijdens de vruchtbare leeftijd, die samenhangen met sociale status èn met de hersenontwikkeling.

Genetische factoren spelen duidelijke rol

Er zijn drie genen bekend waarbij mutaties vrijwel zeker leiden tot de ziekte van Alzheimer (één daarvan komt vaak voor bij Down-syndroom) en één gen die bij aanwezigheid verhoogde kans geeft op dementie. Mogelijk zijn er nog andere genen in het spel, of is er een verhoogd risico als er tevens geheel andere risicofactoren aanwezig zijn.

Vrouwen die voor het 35e jaar een kind met het Down-syndroom krijgen, hebben mogelijk een verhoogde kans op Alzheimer dementie. Mensen met Alzheimer in de familie hebben een iets grotere kans om zelf de vroege variant van Alzheimer te krijgen.

Risicofactoren voor hart- en vaatziekten ook risicofactoren voor dementie

Er komen steeds meer aanwijzingen dat hoge bloeddruk, atherosclerose, type 2 diabetes mellitus, roken en het zogenaamde apoE4-gen de kans op het krijgen van vasculaire dementie verhogen, maar ook op de ziekte van Alzheimer. In tegenstelling tot wat eerder werd gedacht, blijkt ook roken het risico op dementie te verhogen (Reitz et al., 2007). Verder lijken een verhoogd serum cholesterol, atriumfibrilleren, overmatige vetinname en verhoging van bepaalde stollingsfactoren in het bloed risicofactoren voor dementie te zijn.

Dementie-achtig beeld bij sommige andere aandoeningen

Dementie komt in verhoogde mate voor bij personen met de ziekte van Parkinson (Breteler et al., 1995b; De Rijk et al., 1995). Mogelijk spelen bij het ontstaan van beide ziekten gemeenschappelijke processen een rol. Ook kan het zijn dat de ziekte van Parkinson de hersenen kwetsbaar maakt voor dementie.

Ook bij andere aandoeningen bestaat er een verhoogde kans op dementie, zoals bij de ziekte van Pick, de ziekte van Huntington, Down syndroom, hiv en de ziekte van Creutzfeldt-Jacob.

Voor overige factoren nog onvoldoende bewijslast

Er wordt nog onderzocht of bepaalde ontstekingsremmers beschermen tegen het krijgen van Alzheimer dementie, evenals het gebruik van oestrogenen door vrouwen na de menopauze en het gebruik van hoge doses vitamine E en C. Over alcoholgebruik zijn de meningen verdeeld. Mogelijk dat alleen zware drinkers die tevens genetisch een verhoogd risico hebben, een hogere kans op dementie hebben.

In het verleden werd ernstig hoofdletsel vaak als risicofactor aangemerkt, maar in recente prospectieve studies wordt geen verband met dementie gevonden.

Veel andere factoren zijn onderzocht, maar een relatie met dementie is niet overtuigend vastgesteld. De meeste bewijslast is er nog voor de factoren inactieve leefstijl, dragerschap van het Herpes simplex virus, blootstelling aan aluminium, zink en koper, het bezit van veel broers en zussen en diverse sociale en psychologische factoren. Zo helpt een rijk sociaal netwerk op oudere leeftijd vermoedelijk om dementie uit te stellen (Schoemaker et al., 2002).

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Andersen K, Launer LJ, Dewey ME, Letenneur L, Ott A, Copeland JRM.Gender differences in the incidence of AD and vascular dementia. The EURODEM Study. Neurology 1999; 53(9): 1992-7.
  • Breteler MMB, Groot RRM de, Romunde LKJ van, Hofman A.Risk of dementia in patients with Parkinson's disease, epilepsy, and severe head trauma: a register-based follow-up study. Am J Epidemiol 1995b; 142: 1300-1305.
  • Di Carlo A, Baldereschi L, Lepore V, Bracco L, Maggi S, Bonaiuto S.Incidence of dementia, Alzheimers disease, and vascular dementia in Italy. The ILSA Study. J Am Geriatr Soc 2002; 50(1): 41-8.
  • Ganguli M, Dodge HH, Chen P, Belle S, DeKosky ST.Ten-year incidence of dementia in a rural elderly US community population. The MoVIES Project. Neurology 2000; 54(54): 1109-16.
  • Gezondheidsraad.Dementie. Den Haag: Gezondheidsraad, 2002b; publicatienr. 2002/04.
  • Kukell WA, Higdon R, Bowen JD, McCormick WC, Teri L, Schellenberg GD.Dementia and Alzheimer disease incidence. A prospective cohort study. Arch Neurol 2002; 59: 1737-46.
  • Launer LJ, Andersen K, Dewey ME, Letenneur l, Ott A, Amaducci A.Rates and risk factors for dementia and Alzheimers disease. Results from EURODEM pooled analyses. Neurology 1999; 52: 78-84.
  • Letenneur L, Launer LJ, Anderson K, Dewey ME, Ott A, Copeland JR.Education and the risk for Alzheimers disease: sex makes a difference. EURODEM pooled analyses. EURODEM Incidence Research Group. Am J Epidemiol 2000; 151(11): 1064-71.
  • Ott A, Rossum CTM van, Harskamp F van, Mheen H van de, Hofman A, Breteler MMB.Education and the incidence of dementia in a large population-based study: The Rotterdam Study. Neurology 1999; 53: 663-666.
  • Qiu C, Bäckman L, Winblad B, Agüero-Torres H, Fratiglioni L.The influence of education on clincally diagnosed dementia incidence and mortality data from the Kungsholmen Project. Arch Neurol 2001; 58: 2034-9.
  • Reitz C, Heijer T den, Duijn C van, Hofman A, Breteler MM.Relation between smoking and risk of dementia and Alzheimer disease: the Rotterdam Study. Neurology, 2007; 69(10): 998-1005.
  • Rijk MC de, Breteler MMB, Ott A, Graveland GA, Meché FGA van der, Hofman A.Prevalence of Parkinson's disease with and without dementia: The Rotterdam Study. In: Knook DL, Dittmann-Kohli F, Duursma SA, et al. (eds.). Ageing in a changing Europe. Abstract book of the third European Congress of Gerontology. Utrecht: Netherlands Institute of Gerontology, 1995.
  • Ruitenberg A, Ott A, Swieten JC van, Hofman A, Breteler MM.Incidence of dementia: does gender make a difference? Neurobiol Aging, 2001; 22(4): 575-80.
  • Schoemaker CG, Rigter HGM, Graaf R de, Cuijpers P.Nationale monitor geestelijke gezondheid. Jaarbericht 2002. Utrecht: Bureau NMG, 2002.

Begrippen en afkortingen

Definities

Atherosclerose
Een vernauwing van de slagaders als gevolg van plaquevorming en trombusvorming. Een plaque is een verdikking van de bloedvatwand, bestaande uit een brij van witte-bloedcellen, gladde spiercellen, bloedplaatjes, bindweefsel, calcium (kalk) en vetten zoals cholesterol. Bij beschadiging van de plaque kunnen bloedplaatjes aanhechten en kunnen stolsels ontstaan (trombi). Deze kunnen het bloedvat ter plekke afsluiten. De gevolgen van deze bloedvatvernauwing (herseninfarct, hartinfarct, angina pectoris, perifeer vaatlijden) worden ook vaak tot het begrip atherosclerose gerekend.
Atriumfibrilleren
Ongecoördineerd samentrekken van de afzonderlijke spiervezels van de boezem (voorkamer) van het hart doordat de elektrische activatie onregelmatig is.
Incidentie
Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief.
Type 2 diabetes mellitus
Diabetes mellitus als gevolg van stoornissen in de insulinesecretie en/of het niet optimaal benutten van de aanwezige insuline door weefsels (insulineresistentie).
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.6.1, 31 januari 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.