Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Dementie
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Dementie: Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?

Diagnostiek van dementie

De diagnose dementie wordt nog vaak op grond van uiteenlopende en onvolledige criteria gesteld. Het opstellen van gestandaardiseerde criteria heeft alleen zin als de vertegenwoordigers van verschillende medische disciplines die criteria ook consequent en volledig toepassen. Er zijn inmiddels wel twee richtlijnen voor de diagnostiek van dementie ontwikkeld: de Multidisciplinaire richtlijn ‘Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie' (Van Gool et al., 2006) en de NHG-Standaard ‘Dementie’ (Wind et al., 2003).

In westerse landen wordt voor het opsporen van cognitieve stoornissen veel gebruikgemaakt van korte screeners zoals de Mini-Mental State Examination (MMSE). Via deze vragenlijstjes worden ‘mogelijke gevallen’ opgespoord. De uiteindelijke diagnose wordt vervolgens met behulp van strengere criteria gesteld. Er worden bij het gebruik van de screeners ziektegevallen gemist. Mede daarom zijn, als aanvulling op de MMSE, alternatieven ontwikkeld. Voorbeelden daarvan zijn:

  • de Informant Questionnaire on Cognitive Decline in the Elderly (IQCODE), waarbij het cognitieve functioneren door een informant (familielid, vriend) wordt beoordeeld (Jorm & Jacomb, 1989);
  • de Elderly Cognitive Questionnaire, die speciaal ontwikkeld is voor gebruik in ontwikkelingslanden (Kua & Ko, 1992).

Met medicijnen kunnen alleen nevensymptomen worden behandeld

Het kernsymptoom van dementie, verslechtering van het cognitieve functioneren, is in de meeste gevallen niet met medicijnen te behandelen. Er zijn momenteel twee medicijnen geregistreerd voor de behandeling van de ziekte van Alzheimer: cholinesteraseremmers (Rivastigmine) en memantine. De effecten van deze middelen zijn echter bescheiden en de bijwerkingen, vooral van Rivastigmine, aanzienlijk (Van Gool et al., 2006; Verhey, 2006). Daarom dient na de start van een eventuele behandeling met deze medicijnen regelmatig overwogen te worden of de behandeling niet beter gestopt kan worden. In de praktijk worden dergelijke middelen overigens wel op steeds grotere schaal voorgeschreven (Verhey, 2006).

De medicamenteuze behandeling van dementie is in de praktijk vooral gericht op nevensymptomen van dementie, zoals wanen, depressieve stemming, en gedragsstoornissen. In de CBO-richtlijn wordt uitgebreid ingegaan op het met medicijnen behandelen van deze bijkomende stoornissen (Van Gool et al., 2006).

In de CBO-richtlijn wordt benadrukt dat een eventuele medicamenteuze behandeling altijd vooraf moet worden gegaan door niet-medicamenteuze vormen van zorg. Voorbeelden daarvan zijn het aanbieden van structuur, en psycho-educatie en praktische ondersteuning van de mantelzorger en de patiënt (Van Gool et al., 2006). De inhoud en het effect van de psychosociale interventies worden in de richtlijn niet nader uitgewerkt.

Psychosociale behandeling verbetert kwaliteit van leven

Er is tegenwoordig steeds meer aandacht voor het verbeteren van de kwaliteit van leven van mensen met dementie. Veelgebruikte persoonsgerichte benaderingswijzen zijn (De Lange, 2006):

  • Cognitieve stimuleringsprogramma's.
  • Emotiegeörienteerde programma's.
  • Zintuigstimuleringsprogramma's.
  • Bewegingstimuleringsprogramma's.
  • Stimuleren van (plezierige) activiteiten.
  • Psychotherapeutische interventies.

In geïntegreerde belevingsgerichte zorg worden elementen uit bovenstaande benaderingswijzen samengenomen. Het kan bestaan uit ‘validation’ (meegaan in de werkelijkheidsbeleving van patiënten en hun emoties bevestigen), reminiscentie (herinneringen opnieuw doorleven) en snoezelen (zintuigactivering) (De Lange, 2006).

De persoonsgerichte benaderingswijzen worden de laatste jaren steeds vaker wetenschappelijk op hun effectiviteit getoetst. Er worden inderdaad effecten gevonden op diverse gebieden (voor een overzicht, zie De Lange, 2006).

Voorlichting over dementie verbeterd

Een recente ontwikkeling is dat er meer openheid over de ziekte is. Het is steeds gebruikelijker om de diagnose en het beloop van de ziekte ook met de patiënt zelf te bespreken (Wind et al., 2003). Er bestaan gespreksgroepen voor mensen met beginnende dementie om te leren omgaan met de gevolgen. Op veel plaatsen is tegenwoordig ook casemenagement voor ouderen met dementie en hun mantelzorgers beschikbaar. Daarnaast zijn er diverse Alzheimercafés. Hier wordt voorlichting gegeven aan mensen met dementie en hun mantelzorgers. Ook is het mogelijk daar ervaringen met elkaar te delen (Gezondheidsraad, 2002b).

Ondersteuning van mantelzorgers

Tweederde van de mensen met dementie woont thuis. Dit doet een groot beroep op hun mantelzorgers, die daarbij risico lopen op overbelasting en psychische problemen (Gezondheidsraad, 2002b). Ondersteuning van mantelzorgers door het geven van informatie en emotionele en praktische steun is daarom belangrijk. Gecombineerde interventies voor mensen met dementie én hun mantelzorgers hebben de meeste kans van slagen en zorgen vaak voor uitstel van verpleeghuisopname (Smits et al., in press).

Nieuw zijn de ontmoetingscentra waar steun voor de dementerende en de mantelzorger geïntegreerd wordt aangeboden. Voor de dementerende is er een laagdrempelige dagbesteding. Voor de mantelzorger zijn er spreekuren, gespreksgroepen en informatieve bijeenkomsten (Gezondheidsraad, 2002b). Voor een overzicht van regionale programma's voor mensen met dementie en hun mantelzorgers, zie de website van het landelijk dementieprogramma.

Kijk ook eens bij CBO-richtlijn en NHG-standaard

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Gezondheidsraad.Dementie. Den Haag: Gezondheidsraad, 2002b; publicatienr. 2002/04.
  • Gool WA van, Stam CJ, Steeknoek A, Hagemeijer A.Richtlijn 'Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie'. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2006; 150(15): 839-843.
  • Jorm AF, Jacomb PA.The Informant Questionnaire on Cognitive Decline in the Elderly (IQCODE): socio-demographic correlates, reliability, validity and some norms. Psychol Med 1989; 19: 1015-22.
  • Kua EH, Ko SM.A questionnaire to screen for cognitive impairment among elderly people in developing countries. Acta Psychiatr Scand 1992; 85: 119-222.
  • Lange J de.Persoonsgerichte benaderingswijzen bij dementie. In Pot AM, Kuin Y en Vink M (red.). Handboek ouderenpsychologie. Utrecht: De Tijdstroom, 2006.
  • Smits CH, Lange J de, Dröes RM, Meiland F, Vernooij-Dassen M, Pot AM.Effects of combined intervention programmes for people with dementie living at home and their caregivers: A systematic review. International journal of geriatric Psychiatry, 2007; 22(12): 1181-93.
  • Verhey FRJ.De medicamenteuze behandeling van de ziekte van Alzheimer. Tijdschrift voor Psychiatrie, 2006; 48: 17-26.
  • Wind AW, Gusselkloo J, Vernooij-Dassen MJFJ, Bouma M, Boomsma LJ, Boukes FS.NHG-Standaard Dementie (tweede herziening). Huisarts Wet 2003; 46(13): 754-767.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

CBO
Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO (voorheen: Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing)
URL: http://www.cbo.nl
MMSE
Mini mental state examination
Screeningsinstrument waarmee een globale indruk van het cognitief functioneren van ouderen kan worden verkregen aan de hand van een aantal vragen. De MMSE bevat twintig items en de te behalen scores variëren van nul tot dertig punten, waarbij een hogere score staat voor een beter cognitief functioneren. De vragen zijn gegroepeerd in zeven categorieën, waarvan elke categorie een verschillend domein van cognitief functioneren representeert: oriëntatie in de tijd (vijf punten), ruimtelijke oriëntatie (vijf punten), het registreren van drie woorden (drie punten), concentratie en rekenen (vijf punten), het herinneren van drie woorden (drie punten), taal (acht punten) en visueel inzicht (een punt) (Tombaugh & McIntyre, 1992).
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.6.1, 31 januari 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.