Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Dementie
Omvang van het probleem

Beschrijving gebruikte bronnen

Epidemiologisch bevolkingsonderzoek

ERGO

In het ERGO (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen)-onderzoek werden tussen midden 1989 en midden 1993 7.528 personen van 55 jaar en ouder (inclusief verzorgingshuisbewoners) gescreend op dementie. Degenen die positief scoorden, werden verder onderzocht (Ott et al., 1996). Er werd gescreend door middel van een ‘Mini Mental State Examination’ (MMSE) en de ‘Geriatric Mental State Schedule’ (GMS). Bij personen met een positieve screeningstest (MMSE <26 en/of GMS >0) werd de ‘Cambridge mental disorders of the elderly examination’ (CAMDEX) afgenomen. De CAMDEX bestaat uit een cognitietest (CAMCOG) en een gestandaardiseerde neurologische en psychiatrische anamnese. Daarnaast werd een bekende van personen die positief op de screeningstest scoorden, geïnterviewd. Personen met een CAMCOG-score < 80 of van wie de arts dementie vermoedde, werden door een neuroloog onderzocht. Op basis daarvan werd eventueel aanvullend onderzoek verricht (neuropsychologisch onderzoek, MRI-scan). Van de bewoners van verzorgingshuizen die al bekend waren met dementie en de personen die na screening medewerking weigerden, werden via huisarts, specialist en RIAGG aanvullende gegevens achterhaald. Bij het stellen van de diagnose dementie werden de DSM-III-R criteria gebruikt. De volgende indeling werd gemaakt:

  • Ziekte van Alzheimer: diagnose gesteld op basis van NINCDS-ADRDA-criteria (criteria voor Alzheimer dementie die veel toegepast worden in epidemiologisch onderzoek, gepubliceerd in 1984). Er werd onderscheid gemaakt in ‘mogelijk’ en ‘waarschijnlijk’ ziekte van Alzheimer. Patiënten met volgens deze criteria ‘mogelijke’ ziekte van Alzheimer die (nog) niet voldeden aan de DSM-III-R criteria van dementie, werden toch meegeteld.
  • Vasculaire dementie: patiënten die voldeden aan criteria van multi-infarct dementie volgens de DSM-III-R of na een beroerte voldeden aan de NINDS-AIREN-criteria (criteria voor vasculaire dementie, gepubliceerd in 1993).
  • Dementie bij de ziekte van Parkinson: als de dementie ontstond bij een patiënt die al bekend was met idiopathisch parkinsonisme.
  • Overige dementie: dementie op basis van alcoholmisbruik, tumor cerebri of ‘normal pressure hydrocephalus’.

Tussen midden 1993 en eind 1994 werden op dezelfde wijze 5.571 personen die bij het hiervoor beschreven onderdeel geen dementie hadden, opnieuw gescreend en bij een positieve uitslag verder onderzocht. Hierdoor kon de incidentie vastgesteld worden (Ott et al., 1997).

Zorgregistraties

Huisartsenregistraties

Voor bepaling van de prevalentie en incidentie van dementie in de huisartspraktijk zijn de volgende vijf huisartsenregistraties gebruikt:

De vijf huisartsenregistraties verschillen niet alleen in algemene werkwijze van elkaar, maar hanteren elk bij het registreren van dementie specifieke regels. Daarom is de betekenis van de cijfers uit de vijf registraties niet altijd gelijk. Zie daarom ook: Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties.

Schattingen uit huisartsenregistraties zijn op minder objectiveerbare (gestandaardiseerde) wijze totstandgekomen dan cijfers uit epidemiologische bevolkingsonderzoeken zoals het ERGO-onderzoek. Ook zal een huisarts niet altijd de lichtere gevallen van dementie detecteren, maar pas een diagnose stellen als sprake is van een duidelijke achteruitgang in het cognitief functioneren (beloopscriterium). Een belangrijk voordeel van deze werkwijze is dat het aantal ten onrechte gediagnosticeerden laag is (hoge specificiteit). Hoewel een minder sensitief instrument, geven huisartsregistraties een betrouwbare ondergrens aan voor (de veranderingen in) het aantal personen in de bevolking in Nederland waarbij (in de loop der jaren) de diagnose dementie is gesteld.

Trends in de prevalentie en incidentie in de huisartsenpraktijk zijn afkomstig uit de CMR-Nijmegen e.o. en het RNH.

Sterftestatistiek

CBS Doodsoorzakenstatistiek

De sterftecijfers hebben betrekking op alleen sterftegevallen met dementie als primaire doodsoorzaak. In 1990 werd dementie weinig als doodsoorzaak gecodeerd door het CBS. Door veranderingen in de codeerregels werd het na 1990 veel gebruikelijker dementie als primaire doodsoorzaak te coderen (CBS, persoonlijke mededeling).

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, Harskamp F van, Koning I de, Hofman A.De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1996; 140: 200-205.
  • Ott A, Breteler MMB, Harskamp F van, Grobbee DE, Hofman A.The incidence of dementia in the Rotterdam Study. In: Iqbal K, Winblad B, Nishimura T, Takeda M, Wisniewski HM (eds.). Alzheimer's disease: biology, diagnosis and therapeutics. Chichester: John Wiley & Sons Ltd., 1997.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

CAMDEX
Cambridge mental disorders of the elderly examination
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
URL: http://www.cbs.nl
DSM
Diagnostic and statistical manual of mental disorders
Classificatie voor psychische stoornissen. De DSM is ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van de American Psychiatric Association. De vierde editie (DSM-IV) verscheen in 1994. De evidence-based tekstrevisie daarvan (DSM-IV-TR) verscheen in 2000.
GMS
Geriatric mental state schedule
MMSE
Mini mental state examination
Screeningsinstrument waarmee een globale indruk van het cognitief functioneren van ouderen kan worden verkregen aan de hand van een aantal vragen. De MMSE bevat twintig items en de te behalen scores variëren van nul tot dertig punten, waarbij een hogere score staat voor een beter cognitief functioneren. De vragen zijn gegroepeerd in zeven categorieën, waarvan elke categorie een verschillend domein van cognitief functioneren representeert: oriëntatie in de tijd (vijf punten), ruimtelijke oriëntatie (vijf punten), het registreren van drie woorden (drie punten), concentratie en rekenen (vijf punten), het herinneren van drie woorden (drie punten), taal (acht punten) en visueel inzicht (een punt) (Tombaugh & McIntyre, 1992).
MRI
Magnetic resonance imaging
Magnetische Resonantie Computer Tomografie. Een onschadelijke beeldvormende techniek waarmee dwarsdoorsneden van het lichaam kunnen worden gemaakt. Het maakt gebruik van de eigenschap van atoomkernen om onder invloed van radiogolven zelf energie uit te gaan stralen.
RIAGG
Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.