Bij angststoornis is sprake van angstklachten zonder reële dreiging
Wanneer heftige angstklachten optreden zonder een reële bedreiging, is er mogelijk sprake van een angststoornis. Het ontbreken van een reële dreiging onderscheidt angststoornissen van normale gevoelens van vrees of angst. De symptomen zijn in beide gevallen hetzelfde: hartkloppingen, een droge mond, een beklemd gevoel, nerveuze spanning, prikkelbaarheid, rusteloosheid, verhoogde spierspanning of slaap- en concentratieproblemen.
Verschillende soorten angststoornissen
Er zijn verschillende soorten angststoornissen. Sommige van deze aandoeningen worden een fobie genoemd. Het gemeenschappelijke kenmerk van angststoornissen is dat er sprake is van angst. Bij één persoon kunnen meer angststoornissen voorkomen (). Ook gaan angststoornissen vaak gepaard met een depressieve stoornis of met stoornissen in het gebruik van psychoactieve middelen zoals alcohol, cannabis en benzodiazepinen ().
De onderverdeling van angststoornissen wordt meestal weergegeven volgens de -IV (zie tabel 1). Deze indeling loopt in grote lijnen parallel aan de indeling in de -10. In de ICD-10 vormen angststoornissen echter niet een apart hoofdstuk, maar maken deel uit van het hoofdstuk 'neurotische, stressgerelateerde en somatoforme stoornissen'.
Bij paniekstoornis heeft iemand meerdere onverwachte paniekaanvallen
Een paniekstoornis is het herhaaldelijk optreden van plotse, onverwachte aanvallen van intense angst (). De persoon ervaart onverwacht een grote angst zonder dat daar een directe aanleiding voor is. Deze angstaanvallen gaan gepaard met lichamelijke symptomen als ademnood, hartkloppingen, pijn op de borst, misselijkheid, duizeligheid, beven, zweten, koude rillingen en tintelingen. Daarnaast kunnen de volgende psychische symptomen voorkomen: derealisatie (gevoel dat de buitenwereld niet meer echt is), depersonalisatie (gevoel buiten het eigen lichaam of de eigen geest te staan of als in een droom te leven) en de angst om dood te gaan, gek te worden of de controle te verliezen.
Tabel 1: Onderverdeling van angststoornissen volgens de -IV.
|
Paniekstoornis zonder agorafobie
|
300.01
|
|
Gegeneraliseerde angststoornis (met inbegrip van overmatige angststoornis in de kinderleeftijd)
|
300.02
|
|
Paniekstoornis met agorafobie
|
300.21
|
|
Agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis
|
300.22
|
|
Sociale fobie
|
300.23
|
|
Specifieke fobie
|
300.29
|
|
Obsessieve-compulsieve stoornis
|
300.3
|
|
Posttraumatische stressstoornis
|
309.81
|
|
Acute stressstoornis
|
308.3
|
|
Angststoornis door alcohol a
|
291.8
|
|
Angststoornis door drugs a
|
292.89
|
|
Angststoornis door een lichamelijke aandoening a
|
293.89
|
|
Angststoornis niet anderzins omschreven
|
300.00
|
a Wordt niet officieel tot de angststoornissen gerekend, het is een complicatie bij andere stoornissen en ziekten. Wordt hier niet verder uitgelegd.
Agorafobie kan voorkomen met of zonder paniekstoornis
Bestaat er bij een paniekstoornis vermijdingsgedrag, dan is er sprake van een paniekstoornis met agorafobie. Men vermijdt dan situaties van waaruit vluchten onmogelijk of schaamtevol is. Agorafobische vermijdingssituaties zijn: openbaar vervoer, drukke winkels en supermarkten, theaters en kerken, wachten in een rij, tunnels en snelwegen ().
Agorafobisch vermijdingsgedrag kan ook voorkomen zonder dat men een paniekaanval heeft gehad (). Het vermijdingsgedrag hangt dan vaak samen met de angst voor paniekachtige verschijnselen zoals duizelingen, diarree, de angst om controle over blaas of darmen te verliezen of te moeten overgeven. Bij ouderen komt de angst om te vallen regelmatig voor ().
Mensen met gegeneraliseerde angststoornis leven continu in grote angst
Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis leven continu in grote angst (). Ze maken zich zorgen over veel verschillende dingen of gebeurtenissen in het dagelijks leven, vandaar de term gegeneraliseerd. De angst gaat gepaard met piekeren over gevaren en problemen die zouden kunnen optreden maar waar geen concrete aanleiding toe is, zoals over gezondheid, huisvesting, financiën, verlies van werk. Klachten die kunnen optreden zijn: vermoeidheid, prikkelbaarheid, concentratieproblemen, spierpijn, droge mond, misselijkheid, hartkloppingen, duizeligheid, slikklachten, diarree, zweten en wazig zien.
Sociale fobie kenmerkt zich door angst en vermijdingsgedrag voor sociale situaties
Een sociale fobie kenmerkt zich door angst en vermijdingsgedrag voor sociale situaties (). Men is bang door anderen geobserveerd te worden en negatief beoordeeld, bekritiseerd of vernederd te worden. Men vermijdt daardoor spreken in het openbaar en eten of schrijven in gezelschap. Men is bang om in sociale situaties te gaan blozen, trillen of zweten. Deze angst kan uiteindelijk leiden tot het vermijden van sociale contacten.
Specifieke fobieën worden veroorzaakt door specifieke voorwerpen of situaties
Angst en vermijdingsgedrag kunnen ook voorkomen in situaties anders dan bij agorafobie of sociale fobie. Mensen met een specifieke fobie hebben een duidelijke angst die niet weggaat, die overdreven en onredelijk is en die wordt veroorzaakt door een voorwerp of een specifieke situatie (). Men onderscheidt de volgende typen:
- diertype (angst voor allerlei dieren)
- natuurtype (angst voor storm, nacht, water en andere natuurverschijnselen)
- bloed-, injectie- en verwondingentype (angst voor medische ingrepen)
- situationele type (hoogtevrees, engtevrees, vliegangst, angst om auto te rijden).
Dwanggedachten en dwanghandelingen kenmerken obsessieve-compulsieve stoornis
Een obsessieve-compulsieve stoornis wordt gekenmerkt door dwanggedachten (obsessies) en/of dwanghandelingen (compulsies). Dit zijn hardnekkige, irrationele gedachten en/of handelingen die iemand als ongewenst maar niet te stoppen ervaart. Voorbeelden zijn wasdwang, controledwang, teldwang en herhalingsdwang.
Acute en posttraumatische stressstoornis ontstaat na ernstige traumatische ervaring
Na een ernstige traumatische ervaring (mishandeling, gijzeling, verkrachting, oorlogshandelingen, concentratiekampen) ontstaan klachten van herbelevingen van dit trauma. De patiënt vermijdt situaties die deze herbelevingen kunnen oproepen. Vaak zijn er ook slaapstoornissen, concentratieproblemen, prikkelbaarheid, affectvervlakking (weinig emotionele uiting), interesseverlies en amnesie (stoornis van het geheugen). Duren de klachten niet langer dan drie maanden, dan is er sprake van een acute stressstoornis. In andere gevallen spreekt men van een posttraumatische stressstoornis ().