Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Maagkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patient.

Maagkanker: Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?

Diagnostiek Behandeling

Diagnostiek

Diagnose door endoscopie met afname van biopten

Een endoscopisch onderzoek van de maag wordt routinematig verricht bij patienten met klachten die passen bij maagkanker. Bij verdacht uitziend slijmvlies worden meerdere biopten afgenomen. Indien een maagzweer wordt ontdekt worden ook biopten afgenomen, omdat het maagcarcinoom zich kan presenteren als een maagzweer. Ook bij een normale uitslag en na behandeling van de zweer dient een herhaalde endoscopie met biopten te worden verricht.

In sommige gevallen van het diffuse-type maagcarcinoom, is geen of nauwelijks sprake van oppervlakkige afwijkingen aan het slijmvlies. De tumor breidt zich in dit geval uit in de wand van de maag. Diepere biopten zijn dan nodig om een diagnose te kunnen stellen. Een echo-endoscopie ter beoordeling van de dikte van de maagwand kan hierbij ook van nut zijn. Conventionele röntgenfoto’s met contrast kunnen eventueel gemaakt worden indien de tumor niet kan worden gepasseerd met de scopie om verder uitbreiding van het proces vast te stellen

Alternatieven in de diagnostiek voorhanden

1. Echo-endoscopie

Echo-endoscopie blijkt redelijk nauwkeurig in het vaststellen van de uitbreiding van maagkanker: 89% voor het T-stadium en 76% voor het N-stadium (Rosch, 1995). De nauwkeurigheid voor de CT in stagering (stadium indeling) is minder en bedraagt 44 en 50%, respectievelijk. Door de verdergaande ontwikkeling van de echo-endoscopie zoals de mogelijkheid van cytologische punctie van verdachte lymfeklieren wordt een nog nauwkeurigere stagering van patiënten met maagkanker mogelijk.

2. Uitwendige Echografie

Het onderzoek is goedkoop, snel en non-invasief. Uitzaaingen in de lever kunnen worden aangetoond evenals de ophoping van vocht in de buikholte (ascites).

3. CT-scan

De CT-scan kan uitzaaingen op afstand detecteren zoals. in de lever en long en de aanwezigheid van uitzaaingen op het buikvlies. Echter, het is minder accuraat in het bepalen van de diepte van infiltratie in de maagwand en het detecteren van uitzaaiingen in normale of licht-vergrote lymfeklieren.

Tabel 1: Overzicht van mogelijkheden voor diagnostiek.

Diagnostiek

Huidig gebruik

(Beoogd) effect

Endoscopie (kijkbuis), biopten (weefselhapjes) nemen

+

Bepalen histologisch type: kwaad- of goedaardig?

Echo-endoscopie (de maag van binnenuit onderzoeken m.b.v. geluidsgolven). Eventueel gecombineerd met biopten nemen

+

Bepalen doorgroei in omgeving en regionale lymfeklieren

Uitwendig echografie

+

Vaststellen uitzaaiingen bovenbuikorganen (bijv. lever), overmatig buikvocht (ascites) en/of afwijkende lymfeklieren

CT-scan

+

Zie echografie. CT-scan geeft een beter beeld van longen en buikvlies voor beoordelen uitzaaiingen

Kijkoperatie (diagnostische laparoscopie); vaak alleen bij cardiacarcinomen

+

Vaststellen uitzaaiingen in de buik

Diagnose maagkanker in een laat stadium

Helaas presenteert het merendeel van de patienten met maagkanker zich in een laat stadium van de ziekte. Dit komt doordat de meeste klachten dan pas ontstaan. Een op genezing gerichte behandeling is dan niet altijd meer mogelijk. De 5-jaars overleving van de totale groep patienten gediagnostiseerd met maagkanker is dan ook slechts 5%. Ongeveer 50% van de patienten komt in aanmerking voor een op genezing gerichte behandeling.


Behandeling

Curatieve behandelingen

Chirurgische behandeling leidt niet vaak tot volledige genezing

Operatieve verwijdering van een maagtumor is in principe de enige behandeling die uitzicht biedt op genezing en langdurige overleving. Afhankelijk van de tumorlokalisatie en –grootte wordt een deel van de maag of de gehele maag verwijderd (maagresectie) tesamen met lokale lymfeklieren. In sommige gevallen is het geindiceerd om bij doorgroei van de tumor andere omringende organen (milt, alvleesklier) ook te verwijderen.

De ingreep gaat gepaard met een ziekenhuissterfte van ongeveer 4-10% (Bonenkamp et al., 1999). Bovendien krijgt ongeveer 35% tijdens de ziekenhuisopname (van gemiddeld 2 weken) complicaties die samenhangen met de operatie. De 5-jaarsoverleving na deze, in opzet curatieve, behandeling is circa 30-45%. Stadium-specifieke overlevingspercentages zijn de volgende: Stadium I 60-80%, stadium II: 40%, stadium III: 15-20%, stadium IV: 5-10%.

De ziekte keert vaak terug in het geopereerde gebied of in andere organen (lever, buikvlies). De overleving na operatie is sterk afhankelijk van de leeftijd van de patiënt, de algehele conditie en bijkomende ziekten.

Chemo-radiotherapie na curatieve operatie

Aanvullende chemotherapie na een operatie waarbij geen tumorresten zijn achtergebleven geeft geen verlenging van de overleving. Dit wordt daarom niet aanbevolen (Hermans et al., 1993). Het nut van post-operatieve radiotherapie is ook niet bewezen. Recent verschenen echter de resultaten van een onderzoek naar de waarde van post-operatieve chemotherapie in combinatie met radiotherapie. Uit de studie bleek dat post-operatieve chemo-radiotherapie overwogen moet worden, met name bij patiënten met een verhoogd risico voor terugkeer van de ziekte (Macdonald et al., 2001). Echter, de toxiciteit van de behandeling is aanzienlijk. Ook de kwaliteit van deze studie staat ter discussie. Het is vooralsnog in Nederland geen standaard behandeling.

Endoscopische behandelingen

Als de tumor beperkt is gebleven tot de oppervlakkige maagwand is een lokale behandeling/verwijdering van de tumor te overwegen; zeker bij patiënten die een hoog operatierisico hebben. Dit kan via endoscopische behandelingen (fotodynamische therapie, endoscopische mucosaresectie of ablatie). Deze in opzet curatieve behandelingen worden echter vooralsnog voornamelijk in studieverband toegepast.

Palliatieve behandelingen

Palliatieve behandeling door maagverwijdering

Als de tumor niet meer lokaal te verwijderen is, dan is de behandeling gericht op het verminderen van (te verwachten) klachten (palliatie). Vaak blijkt pas tijdens een in opzet curatieve operatie dat de tumor toch niet geheel verwijderd kan worden. Bij iedere patiënt die chirurgisch niet te genezen is, maar geen uitgebreide uitzaaiingen heeft (uitzaaiingen beperkt tot of lever, of buikvlies of lymfeklieren), dient een palliatieve maagverwijdering (maagresectie) overwogen te worden en kan dit zelfs leiden tot een langere overleving (Thompson et al., 1993;Hartgrink et al., 2002). Hoewel de overleving slechts 8-11 maanden is, kan de maagresectie symptomen van bloeding, pijn of obstructie verlichten of wegnemen. Als er echt geen resectie meer mogelijk is, dan is een bypass (=omleiding) rond de tumor een optie.

Palliatieve behandeling door radiotherapie en/of chemotherapie

Als er sprake is van een niet (geheel) te verwijderen tumor kan radiotherapie worden overwogen. Eventueel in combinatie met chemotherapie kan dit een verlenging van de overleving geven (Willett, 2002). Ook bij ernstige bloedingen uit tumoren kan radiotherapie worden toegepast (Minsky, 1996). Het effect van chemotherapie bij patiënten met maagkanker in een vergevorderd stadium is slechts gering maar wel significant (Webb et al., 1997). Soms geeft het verlenging van de levensduur en/of een verbetering van de kwaliteit van leven (Ohkuwa et al., 2000). Daarom moet bij niet te genezen patiënten chemotherapie zeker overwogen worden. Op de huidige chemotherapeutica reageert 20 tot 40% van de patiënten. De overleving is hierbij tussen de 6 en 12 maanden (Meyerhardt & Fuchs, 2002). Er is een studie verricht naar de kwaliteit van leven van patienten met chemotherapie voor inoperabel maagkanker versus “best supportive care”. De kwaliteit van leven scores waren significant hoger in de chemotherapie groep. Dit gold voor ca. 50% van de patienten (Glimelius et al., 1997)

Bij patienten met een niet te verwijderen (irresectabel) carcinoom die een goede respons vertonen op chemotherapie dient alsnog een eventuele resectie te worden overwogen. Bij irresectabele maagtumoren die zich bevinden in de proximale maag en passageklachten geven, is endoscopische plaatsing van een stent te overwegen.

Tabel 2.Overzicht van mogelijkheden voor behandeling.

Behandeling

Huidig gebruik

(Beoogd) effect

Operatieve verwijdering van de maagtumor

+

Genezing

Fotodynamische therapie of endoscopische mucosaresectie

Deels experimenteel

Genezing bij oppervlakkige tumoren

Palliatieve operatie: zo klein mogelijke ingreep, bijvoorbeeld verwijdering van primaire tumor en het maken van een overloopje om voedselpassageproblemen te verminderen.

+

Verlichting van klachten

Chemotherapie

+

Verlichting van klachten en mogelijk (minimale) verlenging van leven

Chemotherapie voorafgaand aan operatie

Experimenteel

Om overlevingskansen te vergroten

Radiotherapie

+

Verlichten van klachten, behandelen bloeding uit tumor

Endoscopische palliatie: buis/stent of laserbehandeling

+

Waarborgen voedselpassage, behandelen bloeding uit tumor

Endoscopische technieken verbeterd

De endoscopische technieken zijn verbeterd, met name door het beschikbaar komen van de echo-endoscopie gecombineerd met een biopt afname. Hierdoor kan de uitgebreidheid van de ziekte (stagering) beter worden beoordeeld. Vooral bij maagkanker in een vroeg stadium is nu een betere selectie mogelijk van patiënten die in aanmerking komen voor nieuwe niet-chirurgische maar in opzet curatieve behandelingsvormen (zoals endoscopische mucosa-resectie en/of fotodynamische therapie). Deze ontwikkeling heeft geen directe betekenis voor de incidentie en sterfte van maagkanker. In de nabije toekomst worden geen verdere technologische vernieuwingen in de diagnostiek van maagkanker verwacht.

Behandeling van maagkanker is niet verbeterd

Onderzoek naar de waarde van uitgebreidere en meer radicale chirurgie en adjuvante chemotherapie hebben geen verbetering op de overleving aangetoond. Ook de palliatieve behandeling van het lokaal inoperabele of uitgezaaid maagcarcinoom is de laatste jaren niet verbeterd. De prognose van patiënten met maagkanker zal hierdoor voorlopig matig tot slecht blijven .

Ontwikkelingen in behandeling moeilijk voorspelbaar

Het zal in de periode tot 2015 waarschijnlijk mogelijk worden om personen die geïnfecteerd zijn met Heliobacter pylori vroeg op te sporen. Mogelijk komt er ook een vaccin beschikbaar. De incidentie en sterfte aan maagkanker zou hierdoor kunnen afnemen (zie Welke factoren beïnvloeden de kans op maagkanker?). Omdat de effectiviteit van behandeling van maagkanker met de huidige chemotherapieschema’s tegenvalt (tijdelijke verbetering in 35% van de gevallen), gaat onderzoek naar nieuwe middelen en nieuwe combinaties van chemotherapeutica gewoon door. Er zijn reeds enkele fase II studies gepubliceerd die een veelbelovend effect van nieuwe chemotherapeutica voor maagkanker hebben beschreven (Valverde et al., 2006). Hogere responspercentages (tot 50%) zijn beschreven voor deze nieuwe chemotherapeutica die aangrijpen op onder andere groeifactorreceptoren, vaatnieuwvorming (angiogenese) en geprogrammeerde celdood (apoptose). Wellicht dat het geven van chemotherapie voorafgaand aan een operatie een grotere kans op genezing en een langere overleving kan geven.

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Bonenkamp JJ, Hermans J, Sasako M, Velde CJ van de.Extended lymph-node dissection for gastric cancer. Dutch Gastric Cancer Group. N Engl J Med 1999; 340: 908-14.
  • Glimelius B, Ekstrom K, Hoffman K, Graf W, Sjoden PO, Haglund U, et al.Randomized comparison between chemotherapy plus best supportive care with best supportive care in advanced gastric cancer. Ann Oncol, 1997; 8(2): 163-168.
  • Hartgrink HH, Putter H, Klein KE, Bonenkamp JJ, Velde CJ van de. Value of palliative resection in gastric cancer. Br J Surg,2002; 89(11): 1438-1443.
  • Hermans J, Bonenkamp JJ, Boon MC, Bunt AM, Ohyama S, Sasako M.Adjuvant therapy after curative resection for gastric cancer: meta-analysis of randomized trials. J Clin Oncol 1993; 11: 1441-7.
  • Macdonald JS, Smalley SR, Benedetti J, Hundahl SA, Estes NC, Stemmermann GN.Chemoradiotherapy after surgery compared with surgery alone for adenocarcinoma of the stomach or gastroesophageal junction. N Engl J Med 2001; 345(10): 725-30.
  • Meyerhardt JA, Fuchs CS.Chemotherapy options for gastric cancer. Semin Radiat Oncol 2002; 12: 176-86.
  • Minsky BD.The role of radiation therapy in gastric cancer. Semin Oncol 1996; 23: 390-6.
  • Ohkuwa M, Ohtsu A, Boku N, Yoshida S, Miyata Y, Shirao K.Long-term results for patients with unresectable gastric cancer who received chemotherapy in the Japan Clinical Oncology Group (JCOG) trials. Gastric Cancer, 2000; 3: 145-50.
  • Rosch T. Endosonographic staging of gastric cancer: a review of literature results. 1995; 5(3): 549-557. Gastrointest Endosc Clin N Am,1995; 5(3): 549-557.
  • Thompson GB, Heerden JA van, Sarr MG.Adenocarcinoma of the stomach: are we making progress? Lancet 1993; 342: 713-8.
  • Valverde CM, Macarulla T, Casado E, Ramos FJ, Martinelli E, Tabernero J. Novel targets in gastric and esophageal cancer. Crit Rev Oncol Hematol,2006; 59(2): 128-38.
  • Webb A, Cunningham D, Scarffe JH, Harper P, Norman A, Joffe JK.Randomized trial comparing epirubicin, cisplatin, and fluorouracil versus fluorouracil, doxorubicin, and methotrexate in advanced esophagogastric cancer. J Clin Oncol 1997; 15: 261-7.
  • Willett CG.Results of radiation therapy in gastric cancer. Semin Radiat Oncol 2002; 12: 170-5.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

CT
Computer tomography
Röntgentechniek waarbij een computerprogramma meerdere afbeeldingen van het lichaam combineert tot dwarsdoorsneden of driedimensionale beelden van organen/weefsels.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.