Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Huidkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Welke factoren beïnvloeden de kans op huidkanker?

Basaalcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom Melanoom

Basaalcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom

Overmatig zonlicht risicofactor

De belangrijkste risicofactor voor basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom is overmatige blootstelling aan ultraviolette straling, vooral uit zonlicht. Hoewel voor het plaveiselcelcarcinoom de totale hoeveelheid zonlicht gedurende het hele leven de belangrijkste oorzaak lijkt te zijn, is de relatie voor basaalcelcarcinomen veel complexer (Armstrong & Kricker, 2001). Overexpositie op jeudige leeftijd en intense intermitterende exposities ook gedurende de puberteit lijken vooral van belang voor het ontstaan van basaalcelcarcinomen (Rubin et al., 2005). Hierdoor lopen met name personen met een buitenberoep een hoger risico op het krijgen van plaveiselcelcarcinoom. Chronische beschadiging door röntgenstraling, littekenvorming en ontstekingsprocessen kunnen ook een rol spelen bij het ontstaan van plaveiselcelcarcinoom, evenals beroepsmatige blootstelling aan toxische stoffen. Waarschijnlijk spelen ook virale infecties, in het bijzonder door diverse humane papillomavirussen, een bevorderende rol bij het ontwikkelen van plaveiselcelcarcinomen (Shamanin et al., 1996; Zur Hausen, 2001; Struijk et al., 2005; Karagas et al., 2006).

Familiair syndroom in 1- 5% van de basaalcelcarcinoom patiënten

Er bestaat een erfelijke vorm van het basaalcelcarcinoom: het Nevoïd Basaalcelcarcinoom Syndroom (NBCCS, ook wel Goltz-Gorlin syndroom genoemd). Eén tot vijf procent van alle gevallen van basaalcelcarcinoom op jonge leeftijd of van meervoudig basaalcelcarcinoom komt op rekening van dit syndroom. Families met NBCCS komen in aanmerking voor screening (Menko & Veer, 1998).


Melanoom

Overmatige blootstelling aan UV-straling (op jonge leeftijd) belangrijke risicofactor

Overmatige en onregelmatige blootstelling aan UV-straling van zonlicht en/of bruiningsapparatuur wordt beschouwd als de belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van melanomen (Chin, 2003; Marks, 2000). Dit geldt in elk geval voor de zeldzame huidtumoren (LMM en ALM). Voor de meest voorkomende vormen van melanoom (SSM en NM) is de relatie met UV-straling complex. Zo is de incidentie van melanoom weliswaar het hoogst in gebieden met een zonnig klimaat en veel blanke inwoners (met name Australië en de zuidelijke staten van Noord-Amerika). In Europa is onder blanke populaties de incidentie echter juist het laagst in de zonnige gebieden rond de Middellandse Zee en het hoogst in Scandinavië. Veel melanomen (SSM en NM) komen bovendien voor op de meer bedekte delen van het lichaam en bij personen met een binnenberoep. Uit recent onderzoek aan melanomen met duidelijke verschillen in UV-expositie blijkt dat in deze groepen ook duidelijk verschillende genetische veranderingen aantoonbaar zijn (Curtin et al., 2005), voor een deel de UV paradox verklarend.

Er wordt aangenomen dat een toename in onregelmatige overmatige blootstelling aan UV-straling, bijvoorbeeld tijdens zonvakanties, een belangrijk deel van de stijging in de incidentie veroorzaakt. Een dergelijke blootstelling, met name tijdens de kinderjaren, zou de kans op het later ontwikkelen van melanoom verhogen, een hypothese die inmiddels ook in dierexperimenteel onderzoek bevestigd lijkt te worden (Noonan et al., 2001). Echter, deze hypothese van ‘intermitterend’ zonlicht (onregelmatige blootstelling aan UV-straling) kan de wereldwijde incidentiestijging van de laatste decennia niet volledig verklaren (Marks, 2000). Zie ook straling.

Meer kans op melanoom door bepaalde pigmentatiekenmerken

Het staat vast dat bepaalde pigmentatiekenmerken, zoals het hebben van veel sproeten, een licht en pigmentarm huidtype, lichtblond of rossig haar en blauwe ogen, een verhoogd risico voor het ontstaan van melanomen geven (Evans et al., 1988a; MacKie, 1998). Het risico is dan met een factor 1,5 tot 4 verhoogd. Inwoners van Noordeuropese landen hebben gemiddeld een lichter huidtype dan Zuideuropeanen. Dit verklaart gedeeltelijk de hoge incidentiecijfers van Scandinavië en Engeland, en de lage incidentiecijfers in Zuid-Europa (De Vries et al., 2003b). Ook het hebben van veel moedervlekken (naevi) is een sterke risicofactor, met name wanneer de moedervlekken onregelmatig zijn en een diameter van meer dan 2 mm hebben (dysplastische naevi). Het risico is verhoogd met een factor 2 tot 20 (Evans et al., 1988a).

Familiair syndroom in ongeveer 6-10% van de melanoomgevallen

Melanoom komt in ongeveer 6-10% van de gevallen voor als onderdeel van een familiair syndroom (het FAMMM-syndroom, Familiair Atypical Multiple Mole-melanoma syndroom): bij twee of meer eerstegraads familieleden komen melanomen voor, waarbij de helft van de familieleden een bont patroon van onregelmatig begrensde en gepigmenteerde moedervlekken (dysplastisch naevi) heeft. De moedervlekken liggen vaak in groepen gerangschikt over het hele lichaam, vooral op de romp. De aanwezigheid van drie of meer moedervlekken wordt beschouwd als een risicofactor voor het ontstaan van melanomen. Er zijn sterke aanwijzingen dat leden van FAMMM-families drager zijn van een melanoomgen (CDKN2-gen en CDK-4 gen) dat verantwoordelijk is voor de vorming van familiaire melanomen (Tsai & Tsao, 2004).

Familiaire melanoompatiënten kunnen mutatieanalyse laten uitvoeren

Familiaire melanoompatiënten kunnen een mutatieanalyse laten uitvoeren bij de afdeling Klinische Genetica. Hierbij wordt gekeken naar mutaties in het CDKN2A-gen. Bij een positieve uitslag kunnen andere familieleden zich desgewenst presymptomatisch laten testen. Mutatiedragers en personen die waarschijnlijk FAMMM hebben, worden periodiek onderzocht. Eén of twee keer per jaar wordt de huid geïnspecteerd vanaf ongeveer 12 jaar. FAMMM dragers hebben ook en verhoogd risico op het verkrijgen van alvleeskliercarcinoom. Daarom wordt soms de alvleesklier onderzocht in een trial opzet. Echter er zijn nog geen beeldvormende of andere technieken die alvleeskliercarcinoom met zekerheid vroeg detecteren. Bij personen die mogelijk FAMMM hebben kan vanaf een bepaalde leeftijd een jaarlijkse controle overwogen worden (Bron: Signaleringscommissie Kanker van KWF, Biomarkers bij preventie, diagnostiek en behandeling van kanker, 2006).

Criteria voor FAMMM (Bron: StOET & VKGN, Werkgroep Klinische Oncogenetica 2001): 

  • Melanoom met/zonder dysplastische naevi bij twee eerstegraads verwanten, of
  • Melanoom met/zonder dysplastische naevi bij tenminste drie verwanten in dezelfde tak van een familie

Door milieuvervuiling mogelijk toename van huidkanker

Ook andere factoren, zoals milieuvervuiling, zijn van belang voor de kans op melanoom. De ozonlaag, een beschermende laag rondom de aarde, filtert een groot deel van de schadelijke UV uit het zonlicht voor deze de aarde bereikt. De stralen van de zon moeten echter verschillende ‘diktes’ van ozonlaag doorkruisen, afhankelijk van de plaats op aarde: op de evenaar vallen de stralen recht in en bereikt relatief veel UV de aarde, meer afgelegen van de evenaar wordt deze baan door de ozonlaag langer en kan minder UV de aarde bereiken. In het voorjaar echter is de baan die het zonlicht door de ozonlaag af moet leggen korter in de hogere breedtegraad-gebieden (De Vries et al., 2006). Vervuiling tast de ozonlaag aan waardoor er ‘gaten’ ontstaan. De dunnere ozonlaag kan de UV-straling (met name het schadelijke UV-B) minder goed tegengehouden, waardoor het risico voor melanoom en andere huidtumoren kan toenemen. Het duurt waarschijnlijk vele tientallen jaren voordat huidkanker tot ontwikkeling komt. Een effect van het dunner worden van de ozonlaag zal daarom pas over een aantal jaren duidelijk kunnen worden (De Vries et al., 2006)

Sinds enkele decennia is bekend dat er een ‘gat’ in de ozonlaag is. Dit bevindt zich met name rondom de Zuidpool maar ook boven andere gebieden op aarde is de ozonlaag soms erg dun. De hoeveelheid UV die dan op aarde terechtkomt, is aanzienlijk hoger, zonder dat de temperatuur verandert. Op den duur, met een maximum dat wordt voorspeld rond 2050 (Slaper et al., 1996), zouden in Nederland zo’n 2000 extra gevallen per jaar van huidkanker kunnen ontstaan als gevolg van het verdunnen van de ozonlaag. Het hoogste extra risico als gevolg van het verdunnen van de ozonlaag in Europa treedt op in de landen rond de Middellandse zee; het is daar ruim het dubbele van dat in Nederland (MNP, 2006b).

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Armstrong BK, Kricker A.The epidemiology of UV induced skin cancer. J Photochem Photobiol B, 2001; 63(1-3): 8-18.
  • Chin L.The genetics of malignant melanoma: lessons from mouse and man. Nat Rev Cancer, 2003; 3(8): 559-70.
  • Curtin JA, Fridlyand J, Kageshita T, Patel HN, Busam KJ, Kutzner H, et al.Distinct sets of genetic alterations in melanoma. N Engl J Med, 2005; 353(20): 2135-2147.
  • Evans RD, Kopf AW, Lew RA, Rigel DS, Bart RS, Friedman RJ, et al.Risk factors for the development of malignant melanoma-I: review of case-control studies. J Dermatol Surg Oncol, 1988a; 14: 393-408.
  • Karagas MR, Nelson HH, Sehr P, Waterboer T, Stukel TA, Andrew A.Human papillomavirus infection and incidence of squamous cell and basal cell carcinomas of the skin. J Natl Cancer Inst, 2006; 98(6): 389-395.
  • MacKie RM.Incidence, risk factors and prevention of melanoma. Eur J Cancer, 1998; 34 Suppl 3: s3-s6.
  • Marks R.Epidemiology of melanoma. 2000; 25(6): 459-463. Clin Exp Dermatol, 2000; 25(6): 459-463.
  • Menko F, Veer L van't.Erfelijke aanleg voor kanker. In: Leschot N, Brunner H, editors. Klinische Genetica in de praktijk. Maarssen: Elsevier/Bunge, 1998.
  • MNP, Milieu- en natuurcompendium.Aantasting van de ozonlaag: Oorzaken en effecten. Laatst gewijzigd op 22 februari 2005. Bilthoven, 2006b.
  • Noonan FP, Recio JA, Takayama H, Duray P, Anver MR, Rush WL, et al.Neonatal sunburn and melanoma in mice. Nature, 2001; 413(6853): 271-272.
  • Rubin AI, Chen EH, Ratner D.Rubin AI, Chen EH, Ratner D. Basal-cell carcinoma. N Engl J Med, 2005; 353(21): 2262-2269.
  • Shamanin V, Hausen H zur, Lavergne D, Proby CM, Leigh IM, Neumann C.Human papillomavirus infections in nonmelanoma skin cancers from renal transplant recipients and nonimmunosuppressed patients. J Natl Cancer Inst 1996; 88: 802-11.
  • Slaper H, Velders GJM, Daniel JS, Gruijl FR de, Leun JC van der.Estimates of ozone depletion and skin cancer incidence to examine the Vienna Convention achievements. Nature, 1996; 384(6606): 256-8.
  • Struijk L, Schegget J ter, Bouwes Bavinck JN, Feltkamp MC.Human papillomavirus in the aetiology of skin cancer. Ned Tijdschr Geneeskd, 2005; 149(10): 518-22.
  • Tsai KY, Tsao H.The genetics of skin cancer. Am J Med Genet C Semin Med Genet, 2004; 131C(1): 82-92.
  • Vries de E, Rhee van der H, Coebergh JWW.Trends, oorzaken, aanpak en gevolgen van de huidkankerepidemie in Nederland en Europa. Ned Tijdschr Geneeskunde, 2006; 150(20): 1108-1115.
  • Vries E de, Bray FI, Coebergh JW, Parkin DM.Changing epidemiology of malignant cutaneous melanoma in Europe 1953-1997: rising trends in incidence and mortality but recent stabilizations in western Europe and decreases in Scandinavia. Int J Cancer, 2003b; 107(1): 119-126.
  • Zur Hausen HH.Oncogenic DNA viruses. Oncogene, 2001; 20(54): 7820-7823.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

StOET
Stichting voor de Opsporing van Erfelijke Tumoren
URL: http://www.stoet.nl/
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.11, 28 maart 2013
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.