Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Borstkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Welke factoren beïnvloeden de kans op borstkanker?

Risicoverhogende factoren Beschermende factoren

Niet alle determinanten van borstkanker bekend

Er zijn veel (mogelijke) risicofactoren voor borstkanker bekend (zie tabel 1). Echter, niet alle gevallen van borstkanker kunnen door één of meer van deze factoren verklaard worden.

Tabel 1: Factoren die het risico op borstkanker (mogelijk) verhogen en de sterkte van het verband.

Risicoverhogende factor

Sterkte verband

Genetische factoren (BRCA1/2 genmutaties en/of borstkanker in de familie

++

Eerder borstkanker gehad

++

Kinderloosheid of hoge leeftijd bij geboorte eerste kind

++

Niet of slechts korte tijd geven van borstvoeding

+

Vroege menstruatie

++

Late menopauze

++

Hormonale substitutie/suppletie

++

Gebruik anticonceptiepil

+/-

Overgewicht na de menopauze

+

Alcoholgebruik

+

Borstkanker in de familie verhoogt het risico

Een vrouw met één eerstegraadsfamilielid met borstkanker heeft een ongeveer tweemaal verhoogd risico op borstkanker. Bij twee eerstegraads familieleden met borstkanker is het risico drie- tot viermaal verhoogd (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 2001). Een vrouw heeft nog hogere risico’s als ze familieleden heeft bij wie zich op jonge leeftijd borstkanker ontwikkelde in beide borsten.

Mutatie in twee erfelijke genen verhoogt het risico met 40 tot 85 procent

BRCA is een afkorting voor BReast CAncer en staat voor de twee erfelijke borst- en eierstokkankergenen BRCA1 en BRCA2. Vrouwen met een mutatie in het BRCA1- of BRCA2-gen hebben een risico van 40 tot 85% om borstkanker te krijgen (Anglian Breast Cancer Study Group, 2000). Geschat wordt dat bij 5% van alle vrouwen met borstkanker een genetisch defect in het BRCA1- of BRCA2-gen een rol speelt. In Nederland zijn 700 tot 900 families geïdentificeerd met een mutatie. Een mutatie in het BRCA1-gen wordt viermaal vaker gezien dan een mutatie in het BRCA2-gen.

Verhoogde kans na goed- of kwaadaardige borstaandoening

Vrouwen die borstkanker hebben gehad, hebben een drie- à viermaal verhoogd risico om ook kanker in de andere borst te krijgen. Dit betekent dat bij 15 à 20% van de vrouwen die borstkanker overleven, binnen twintig jaar voor de tweede keer borstkanker wordt gediagnosticeerd. Goedaardige borstaandoeningen met specifieke weefselkenmerken verhogen de kans op een kwaadaardige aandoening twee à drie keer. Andere goedaardige aandoeningen lijken geen verhoogd risico op te leveren. Een voorbeeld hiervan is het fibroadenoom, ontstaan door gezamenlijke groei van bindweefsel en klierepitheel (Hartmann et al., 2005).

Hoger risico bij vrouwen zonder kinderen

Bij vrouwen die nooit zwanger zijn geweest, is het risico op borstkanker ongeveer tweemaal zo groot als bij vrouwen die wel kinderen hebben. Hierbij is de leeftijd waarop een vrouw haar eerste kind krijgt belangrijk. Vrouwen die na hun 35ste hun eerste kind krijgen, lopen ongeveer evenveel risico als vrouwen zonder kinderen, en driemaal zoveel risico als vrouwen die voor hun 18de een kind kregen. Onafhankelijk van de leeftijd waarop het eerste kind werd geboren, heeft een groot aantal kinderen een grotere beschermende werking. Waarschijnlijk houdt het risico op borstkanker verband met het aantal menstruele cycli dat een vrouw doormaakt. Hoe geringer het aantal cycli, des te lager de expositie aan met name oestrogenen en des te lager het risico op borstkanker.

Vroege menstruatie en late menopauze verhogen het risico

De leeftijd bij de eerste menstruatie en bij de menopauze zijn geassocieerd met borstkanker. Wanneer de eerste menstruatie vóór het twaalfde levensjaar optreedt, is het risico 30% hoger dan wanneer het na het veertiende jaar optreedt. Vrouwen bij wie de menopauze na het 55ste levensjaar intreedt, hebben nadien een tweemaal zo hoog risico op borstkanker dan vrouwen bij wie de menopauze vóór het 45ste jaar begint. De beschermende werking van een vroege menopauze kan worden toegeschreven aan het beëindigen van de functie van de eierstokken. Vrouwen bij wie op jonge leeftijd de eierstokken zijn weggehaald, hebben ook decennia na de operatie nog een verlaagde kans op borstkanker (Kelsey & Berkowitz, 1988).

Hormonale substitutie verhoogt het risico op borstkanker

Hormonale substitutie of suppletie (gebruik van oestrogenen) verhoogt het risico op borstkanker. In grootschalige onderzoeken in de Verenigde Staten werd een toename van de kans op borstkanker gevonden bij vrouwen die postmenopauzaal langer dan vijf jaar oestrogeensubstitutie gebruikten. De kans op het krijgen van borstkanker was bij deze vrouwen 30-40% groter dan voor vrouwen die geen hormonen hadden gebruikt (Colditz et al., 1995; Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 1997). Tumoren die onder invloed van hormonale substitutie ontstaan, zijn vaak van het lobulaire type (Chen et al., 2002a).

Een grote Britse studie bevestigt de eerder gevonden toename van het risico van borstkanker bij het gebruik van producten met alleen een oestrogeen (toename 20-40%). Daarenboven toont de studie aan dat de toename van het risico veel groter is (90-210%) bij het gebruik van een combinatietherapie van oestrogeen en een progestageen (Million Women Study, 2003).

De toename van de kans op borstkanker is afhankelijk van de duur van de behandeling. De kans neemt af vanaf het moment dat de hormoonsuppletietherapie (HST) wordt gestaakt. Vijf jaar na stopzetting van de therapie is het risico van borstkanker weer hetzelfde als bij vrouwen die nooit HST hebben gebruikt. Er blijkt geen verschil te zijn in het risico van borstkanker tussen specifieke preparaten of de wijze van toepassing.

Verhoogd risico door anticonceptiepil

Vrouwen die de pil slikken hebben een verhoogd risico van 24% op het krijgen van borstkanker in vergelijking tot vrouwen die de pil niet slikken. Voor vrouwen die 1-4 jaar geleden zijn gestopt met de pil is er een verhoogd risico van 16%. Vrouwen die 5-9 jaar geleden zijn gestopt met de pil, hebben een verhoogd risico van 7%. Voor vrouwen die al langer dan tien jaar geen anticonceptiepil meer slikken is er geen verhoogd risico meer. De duur van het gebruik van de anticonceptiepil, de dosis en de samenstelling hebben geen effect op het risico. Vrouwen die vóór de leeftijd van 20 jaar beginnen met het slikken van de pil hebben een wat hogere kans op het krijgen van borstkanker gedurende het gebruik van de pil. Het absolute risico van borstkanker is echter laag in deze leeftijdsgroep (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 1996).

Overgewicht mogelijke risicofactor

Bij vrouwen na de menopauze is overgewicht een risicofactor. Het risicoverhogend effect van overgewicht na de menopauze wordt geschat op 30 tot 50%. Vóór de menopauze hebben vrouwen met overgewicht geen verhoogd risico om borstkanker te krijgen (KWF, 2005c).

Mogelijk verband met alcoholgebruik

Er bestaat mogelijk een oorzakelijk verband tussen alcoholconsumptie en een verhoogde kans op borstkanker. De precieze aard van dit verband is echter niet duidelijk. In een analyse van de gegevens van zes prospectieve studies is een risicotoename gevonden van ongeveer 7% bij inname van 10 gram alcohol per dag (ongeveer 0,75 á 1 glas). Tot een inname van 60 gram per dag (ca. 5 glazen) neemt het risico lineair toe (CGHFBC, 2002b). Er zijn onvoldoende gegevens om bij een hogere dagelijkse inname de aard van het verband vast te stellen.

Naar boven


Beschermende factoren

Gunstig effect lichamelijke activiteit

Vrouwen die regelmatig lichamelijk actief zijn, hebben naar schatting 20 tot 40% minder kans op borstkanker dan vrouwen die weinig lichamelijk actief zijn. Deze schatting is gebaseerd op de resultaten van zowel cohortstudies als patiënt-controlestudies naar het effect van lichamelijke activiteit op het risico van borstkanker. Het effect van lichamelijke activiteit op het risico van borstkanker is gelijk voor vrouwen met en zonder overgewicht (KWF, 2005c)

Beschermend effect borstvoeding

Borstvoeding heeft een beschermende werking tegen borstkanker die zich voor de menopauze (premenopauzaal) ontwikkelt. In een omvangrijk patiënt-controleonderzoek onder premenopauzale vrouwen bedroeg de risicovermindering 22% bij vrouwen die in totaal (aan één of meer kinderen) 4-12 maanden borstvoeding hadden gegeven. De vermindering van het risico was groter naarmate de vrouwen op jongere leeftijd borstvoeding hadden gegeven (Newcomb et al., 1994). Eerdere studies vonden alleen risicovermindering na het zéér langdurig geven van borstvoeding, dat wil zeggen één tot twee jaar over het gehele leven. Dat is in Nederland ongebruikelijk lang. Er is geen relatie gevonden tussen het geven van borstvoeding en borstkanker die zich na de menopauze ontwikkelt. Een meta-analyse heeft het beschermende effect van borstvoeding op het ontstaan van borstkanker bevestigd (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 2002).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Anglian Breast Cancer Study Group.Prevalence and penetrance of BRCA1 and BRCA2 mutations in a population-based series of breast cancer cases. Br J Cancer 2000; 83: 1301-8.
  • CGHFBC, Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer.Alcohol, tobacco and breast cancer; collaborative reanalysis of individual data from 53 epidemiological studies, including 58515 women with breast cancer an 90067 women without the disease. Br J Cancer, 2002b; 87: 1234-1245.
  • Chen CL, Weiss NS, Newcomb P, Barlow W, White E.Hormone replacement therapy in relation to breast cancer. JAMA 2002a; 287: 734-41.
  • Colditz GA, Hankinson SE, Hunter DJ, Willett WC, Manson JE, Stampfer MJ, et al.The use of estrogens and progestins and the risk of breast cancer in postmenopauzal women. N Engl J Med, 1995; 332: 1589-93.
  • Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer.Breast cancer and hormonal contraceptives: collaborative re-analysis of individual data on 53 297 women with breast cancer and 100 239 women without breast cancer from 54 epidemiological studies. Lancet 1996; 347: 1713-27.
  • Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer.Breast cancer and hormone replacement therapy: collaborative reanalysis of data from 51 epidemiological studies of 52,705 women with breast cancer and 108,411 women without breast cancer. Lancet 1997; 350: 1047-59.
  • Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer.Familial breast cancer: collaborative reanalysis of individual data from 52 epidemiological studies incusing 58,209 women with breast cancer and 101,986 women without the disease. Lancet 2001; 358: 1389-99.
  • Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer.Breast cancer and breastfeeding: collaborative reanalysis of individual data from 47 epidemiological studies in 30 countries, including 50302 women with breast cancer and 96973 women without the disease. Lancet 2002; 360: 187-95.
  • Hartmann LC, Sellers TA, Frost MH, Lingle WL, Degnim AC, Gosh K, et al.Benign breast disease and the risk of breast cancer. N. Engl. J. Med., 2005; 353(21): 229-237.
  • Kelsey JL, Berkowitz GS.Breast cancer epidemiology. Cancer Res 1988; 48: 5615-23.
  • KWF Kankerbestrijding. De rol van lichaamsbeweging bij preventie van kanker. Van Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding. Den Haag: KWF Kankerbestrijding,2005c.
  • Million Women Study.Breast cancer and hormone-replacement therapy in the Million Women Study. The Lancet, 2003; 362: 419-427.
  • Newcomb PA, Storer BE, Longnecker MP, Mittendorf R, Greenberg ER, Clapp RW, et al.Lactation and a reduced risk of premenopausal breast cancer. N Engl J Med 1994; 330: 81-87.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

BRCA
BReast CAncer
Gen dat betrokken is bij het ontstaan van erfelijke borst- en eierstokkanker.
HST
Hormoonsuppletietherapie

Definities

Lobulaire
Borsttumoren van het lobulaire type zijn ontstaan in de melkkliertjes en groeien meestal verspreid door de borst.
Meta-analyse
Een kwantitatieve methode om op basis van aanwezige informatie tot een globale conclusie te komen, bijvoorbeeld een nauwkeuriger schatting van de grootte van het effect van een behandeling of interventie.
Prospectief
‘Vooruitkijkend’, op de toekomst gericht. Zie ook cohortonderzoek.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.11, 28 maart 2013
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.