Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Baarmoederhalskanker
Geografische verschillen

Baarmoederhalskanker: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Incidentie Sterfte Overleving

Incidentie

Incidentie van baarmoederhalskanker in Nederland laag

De incidentie van baarmoederhalskanker is in Nederland laag vergeleken met andere EU-landen. In het oosten van de Europese Unie is de incidentie het hoogst (zie figuur 1).

Incidentie daalt door screening

De afgelopen decennia is de incidentie van baarmoederhalskanker in veel Europese landen afgenomen. Bij jongere vrouwen wordt in sommige landen echter een toename gerapporteerd. De daling is een gevolg van de invoering van effectieve screeningsprogramma's. Screening identificeert voorstadia van baarmoederhalskanker nog voordat zich daadwerkelijk kanker heeft ontwikkeld. Daardoor daalt de incidentie. In een aantal Oost-Europese landen is de incidentie nog altijd hoog omdat daar vaak geen effectieve screening plaatsvindt (Bray et al., 2005a).

Ongeveer 75-80% van het aantal gevallen van baarmoederhalskanker betreft plaveiselcelcarcinomen en ongeveer 20-25% adenocarcinomen. Hoewel de incidentie van plaveiselcelcarcinomen in veel West-Europese landen de afgelopen decennia is gedaald, is de incidentie van adenocarcinomen in een aantal landen relatief toegenomen. Ook in Nederland lijkt er sprake te zijn van een toename van adenocarcinomen, vooral onder jonge vrouwen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor Nederland de trend in absolute zin is gebaseerd op een klein aantal gevallen (Bulk et al., 2005; Bray et al., 2005b). Een mogelijke oorzaak van de relatieve toename van adenocarcinomen ten opzichte van plaveiselcelcarcinomen is het feit dat de gebruikte screeningsmethoden vaker fout-negatieve uitslagen geven bij adenocarcinomen. Hierdoor is het gunstige effect van screening op de incidentie van dit type baarmoederhalskanker minder groot.

Figuur 1: EU-landen met de hoogste en laagste incidentie van baarmoederhalskanker; gestandaardiseerd naar de wereldbevolking (GLOBOCAN).

EU-landen met hoogste en laagste incidentie van baarmoederhalskanker

Sterfte

Sterfte aan baarmoederhalskanker laag in Nederland

Ook de sterfte aan baarmoederhalskanker ligt in Nederland onder het gemiddelde van de EU-27 en EU-15. Net als de incidentie is ook de sterfte aan baarmoederhalskanker hoger bij landen in het oosten van de Europese Unie (zie figuur 2).

Sterfte aan baarmoederhalskanker in Europa neemt af sinds jaren 60

In de periode 1960-1998 nam de sterfte aan baarmoederhalskanker bij jonge vrouwen (20-44 jaar) af in alle West-Europese landen, behalve Ierland. In sommige Oost-Europese landen nam de sterfte ook af, terwijl deze in Roemenië en Bulgarije sinds 1980 toenam (Levi et al., 2000). Deze trends hebben zich voortgezet tussen 1995 en 2005 (WHO-HFA, 2007). De afname in sterfte bij jonge vrouwen komt grotendeels door screening. Screening leidt tot vroegere diagnose van een tumor, waardoor de genezingskans toeneemt. Het grote verschil in sterfte onder Europese landen benadrukt het belang van de invoering van screeningsprogramma's in Oost-Europa (Levi et al., 2000; Levi et al., 2004b).

Figuur 2: EU-landen met hoogste en laagste sterfte ten gevolge van baarmoederhalskanker (ICD-10-code C53) in 2004; gestandaardiseerd naar de Europese bevolking (Bron: Eurostat, 2007).

EU-landen met hoogste en laagste sterfte ten gevolge van baarmoederhalskanker (ICD-10 C53) in 2004

Overleving

Overleving van baarmoederhalskanker in Nederland gunstig

De relatieve 5-jaarsoverleving van baarmoederhalskanker in Nederland behoort tot de beste van Europa. De relatieve 5-jaarsoverleving is ook hoog in Zweden en Spanje. In Slovenië, Slowakije, Portugal, Estland en Polen is de overleving het laagst (zie figuur 3, Sant et al., 2003a). In de meeste Europse landen is de overleving tussen begin jaren 80 en eind jaren 90 toegenomen. In Estland, Polen, Slowakije en Slovenië is de overleving echter niet duidelijk toegenomen (Coleman et al., 2003).

Screening heeft effect op overleving

Screening kan zowel tot een toename als afname van overleving leiden. Screening leidt tot opsporing van de ziekte in een vroeg stadium waarin deze nog goed behandelbaar is en de kans op genezing toeneemt. Dit heeft een gunstig effect op de overleving. Screening leidt echter ook tot de opsporing en behandeling van voorstadia die nog niet kwaadaardig zijn. Hierdoor neemt de incidentie af. De overleving wordt dan vooral bepaald door de agressieve vormen van kanker die zich in de perioden tussen de momenten van screening ontwikkelen en niet tijdig opgespoord worden. Juist deze agressieve vormen hebben een ongunstige prognose en daarmee dus een negatief effect op overleving (Gatta et al., 1999).

Noord- en West-Europese landen hebben effectieve screeningsprogramma's waardoor de incidentie er laag is en overleving in die landen vooral betrekking heeft op de meer agressieve vormen van kanker. Desondanks is de overleving in deze landen hoger dan in Estland, Polen, Slowakije en Slovenië, die geen screeningsprogramma's hebben. Dit suggereert ook verschillen in de beschikbaarheid van effectieve behandelingen (Coleman et al., 2003).

Zie ook: Baarmoederhalskankerpreventie: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Figuur 3: Relatieve 5-jaarsoverleving van baarmoederhalskanker (ICD-9-code 180) in een aantal EU-landen. De diagnose werd gesteld in de periode 1990-1994 (EUROCARE-3, 2003; Sant et al., 2003a).

Relatieve 5-jaarsoverleving van baarmoederhalskanker in een aantal EU-landen
.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Bray F, Loos AH, McCarron P, Weiderpass E, Arbyn M, Moller H.Trends in cervical squamous cell carcinoma incidence in 13 European countries: changing risk and the effects of screening. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev, 2005a; 14(3): 677-86.
  • Bray F, Carstensen B, Moller H, Zappa M, Zakelj MP, Lawrence G, et al.Incidence trends of adenocarcinoma of the cervix in 13 European countries. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev, 2005b; 14(9): 2191-9.
  • Bulk S, Visser O, Rozendaal L, Verheijen RHM, Meijer CJLM.Cervical cancer in the Netherlands 1989-1998: Decrease of squamous cell carcinoma in older women, increase of adenocarcinoma in younger women. Int J Cancer, 2005; 113: 1005-9.
  • Coleman MP, Gatta G, Verdecchia A, Esteve J, Sant M, Storm H, et al.EUROCARE-3 summary: cancer survival in Europe at the end of the 20th century. Ann Oncol, 2003; 14(Suppl 5): v128-49.
  • Gatta G, Capocaccia R, Hakulinen T, Sant M, Verdecchia A, De Angelis G, et al.Variations in survival for invasive cervical cancer among European women, 1978-89. EUROCARE Working Group. Cancer Causes Control;, 1999; 10(6): 575-81.
  • Levi F, Lucchini F, Negri E, Boyle P, La Vecchia C.Cancer mortality in Europe, 1995-1999, and an overview of trends since 1960. Int J Cancer, 2004b; 110(2): 155-69.
  • Levi F, Lucchini F, Negri E, Franceschi S, La Vecchia C.Cervical cancer mortality in Young woman in Europe: patterns and trends. Eur. J. Cancer, 2000; 36(17): 2266-71.
  • Sant M, Aareleid T, Berrino F, Bielska Lasota M, Carli PM, Faivre J, et al.EUROCARE-3: survival of cancer patients diagnosed 1990-94. Results and commentary. Ann Oncol, 2003a; 14(Suppl 5): v61-118.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

EU
Europese unie
EU-15
De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden
België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden.
EU-27
De 27 landen die vanaf 1 januari 2007 de Europese Unie vormen.
België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden.
ICD-10
International Classification of Diseases, tenth revision
ICD-9
International Classification of Diseases, ninth revision
Relatieve 5-jaarsoverleving
Relatieve 5-jaarsoverleving
De kans dat iemand vijf jaar na diagnose van een bepaalde ziekte niet aan die ziekte overleden is. Deze kans wordt geschat door deling van de geobserveerde overleving (onafhankelijk van doodsoorzaak) van de patiëntengroep gedeeld door de verwachte overleving van een groep met een zelfde leeftijds- en geslachtsopbouw uit de algemene populatie (op basis van sterftetafels van de algemene bevolking).
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.