U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Gezondheid en ziekte›Ziekten en aandoeningen›Infectieziekten en parasitaire ziekten›Soa›Gonorroe›Neemt het aantal mensen met gonorroe toe of af?
Voor heteroseksuele mannen en voor vrouwen daalde in de periode 2004-2010 het percentage positieve testen, van respectievelijk 2,7% en 1,5% in 2004 tot 1,6% en 1,3% in 2010 (zie figuur 1). Ook bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) was er sprake van een daling: van 10,8% in 2004 naar 8,3% in 2010 (Vriend et al., 2011).
Het aantal gonorroediagnosen dat bij de huisartsen wordt gesteld, schommelt. Het aantal diagnosen bij mannen ligt tussen de 2.000 en 3.000 per jaar, maar lijkt sinds 2007 enigszins te dalen (zie figuur 2). Ook is bij vrouwen geen duidelijke trend over de tijd waar te nemen.
Het is niet exact aan te geven hoeveel nieuwe gevallen van gonorroe er jaarlijks binnen de gehele bevolking optreden. Sinds 1999 is gonorroe niet meer aangifteplichtig. Sindsdien biedt de soa-surveillance alleen zicht op de gediagnosticeerde gevallen van gonorroe bij mensen die zich hebben laten testen bij soa-centrum en op de personen die bij de huisarts zijn gediagnosticeerd. Omdat gonorroe in veel gevallen asymptomatisch verloopt, met name bij vrouwen, zijn de gepresenteerde cijfers waarschijnlijk een onderschatting van het werkelijk aantal gonorroediagnosen.
De bacterie die gonorroe veroorzaakt, Neisseria gonorrhoea, heeft resistentie ontwikkeld tegen een aantal antibiotica, waaronder ciprofloxacine, dat tot 2003 nog als eerste keus voor behandeling werden gebruikt. De resistentie tegen ciprofloxacine bij gonorroepatiënten in de soa-centra is in korte tijd gestegen, tot 47% in 2010 (Vriend et al., 2011). Resistentie tegen de huidige medicatie (ceftriaxon) is in Nederland nog niet gerapporteerd. Resistentie zou in de toekomst kunnen leiden tot meer gevallen van gonorroe die niet kunnen worden behandeld waardoor het aantal gevallen van gonorroe zal stijgen. Monitoring van antibioticaresistentie is van groot belang, om zo tijdig behandeladviezen bij te kunnen stellen indien nodig.
Er zijn geen andere ontwikkelingen in risicofactoren en in diagnostiek en behandeling van gonorroe bekend of voorzien, die van invloed zouden kunnen zijn op de toekomstige trend.
Zie: Beschrijving van de gebruikte gegevensbronnen.
Figuur 1: Aantal testen en percentage positieve gonorroetesten in de periode 2004-2010, bij vrouwen, heteromannen en MSM (Bron: SOA-centra).
Figuur 2: Aantal gonorroediagnosen bij mannen en vrouwen, gesteld bij de huisarts, 2002-2009 (Bron: LINH).
Naar boven