Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Coronaire hartziekten
Omvang van het probleem

Neemt het aantal mensen met een coronaire hartziekte toe of af?

Prevalentie en incidentie Ziekenhuisopnamen Sterfte Verklaringen voor trends

Prevalentie en incidentie

Levensprevalentie van doorgemaakt hartinfarct meer dan verdubbeld tussen 1971 en 2006

Het aantal mensen dat in het leven ooit een hartinfarct heeft gehad en nog in leven is (de zogenaamde levensprevalentie van een doorgemaakt hartinfarct) is voor zowel mannen als vrouwen meer dan verdubbeld tussen 1971 en 2006 (zie figuur 1). Deze stijging vond bij zowel mannen als vrouwen vooral plaats in de leeftijdsklassen van 65 jaar en ouder. Bij vrouwen trad de stijging vooral op in de perioden 1972-1977 en 1996-1998, bij mannen vond de stijging vooral in de jaren zeventig en tachtig plaats. Sinds 1990 is de prevalentie bij mannen ongeveer op gelijk niveau gebleven (zie figuur 1).

Geen trend in jaarprevalentie coronaire hartziekten

In de periode 1980-2006 is geen duidelijke trend aanwezig in de jaarprevalentie van coronaire hartziekten (grafiek wordt hier niet getoond).

Incidentie acuut hartinfarct niet duidelijk veranderd

De incidentie van het acute hartinfart lijkt over de periode 1991-2006 niet duidelijk te zijn veranderd. In de eerste helft van de jaren negentig lijkt de incidentie van het hartinfarct te zijn gestegen en tussen 1997-2000 gedaald, waardoor in 2006 de incidentie weer ongeveer op het niveau van 1991 zit (zie figuur 2).

De incidentie van angina pectoris vertoonde tot ongeveer 2003 geen duidelijke trend, maar lijkt nu te dalen.

Door demografie stijgt absolute aantal patiënten met 45%

Uitgaande van alleen demografische ontwikkelingen zal het absoluut aantal personen met een coronaire hartziekte tussen 2007 en 2025 met 45% stijgen. Als de trends uit het verleden zich doorzetten, zal de toename vermoedelijk minder groot zijn. De uiteindelijke uitkomst hangt af van ontwikkelingen in de incidentie (nieuwe ziektegevallen) ten gevolge van risicofactoren in de bevolking en de diagnostiek en behandeling van patiënten.

detailsBeschrijving gebruikte gegevensbronnen

Figuur 1: Trends in levensprevalentie van hartinfarct (driejarig voortschrijdend gemiddelde) in de periode 1971-2006; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd a (1972 is 100) (Bron: CMR-Nijmegen e.o.).

trend levensprevalentie hartinfarct 1971-2006

a in 1972 was de levensprevalentie voor mannen 8,2 per 1.000 en voor vrouwen 3,9 per 1.000.

Figuur 2: Trends in de incidentie van hartinfarct en angina pectoris in de periode 1991-2006 (driejarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1991 is 100) (Bronnen: CMR-Nijmegen e.o.; RNH).

trend incidentie hartinfarct 1991-2006 trend angina pectoris 1991-2006

Naar boven


Ziekenhuisopnamen

Daling aantal ziekenhuisopnamen voor coronaire hartziekten

Sinds de tweede helft van de jaren negentig daalt het gestandaardiseerd aantal ziekenhuisopnamen voor coronaire hartziekten gestaag (ICD-9-codes 410-414, zie donkerblauwe lijn figuur 3).

In de periode daarvoor, van 1980 tot 1995, is het aantal ziekenhuisopnamen voor coronaire hartziekten sterk gestegen. Voor mannen en vrouwen is de trend hetzelfde, alleen vond de relatief grootste stijging voor mannen in de leeftijdsklasse van 55-85 jaar plaats terwijl die voor vrouwen in de leeftijdsklasse van 45-75 jaar plaatsvond (NHS, 1994; NHS, 1995; NHS, 1996). De stijging in het aantal ziekenhuisopnamen in deze periode kwam voor rekening van 'overige acute of subacute vormen van coronaire hartziekten' (ICD-9-code 411) en de chronische vormen van coronaire hartziekten (ICD-9-code 412-414).

Aantal ziekenhuisopnamen acuut hartinfarct gedaald

Het gestandaardiseerd aantal ziekenhuisopnamen voor acuut hartinfarct (ICD-9-code 410, zie lichtblauwe lijn in figuur 3) daalde in de periode 1985-2007 met 48%.

Figuur 3: Ziekenhuisopnamen met coronaire hartziekte als hoofddiagnose naar ICD-9-code in de periode 1980-2007; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1980 is 100) (Bron: LMR).

trend ziekenhuisopnamen chz 1980-2007

a in 1980 was het aantal ziekenhuisopnamen voor mannen 21.508 (ICD-9-code 410), 4.428 (ICD-9-code 411) en 16.103 (ICD-9-code 412-414) en voor vrouwen respectievelijk 8.956, 2.106 en 6.681 (gestandaardiseerd naar 1990).

ICD-9-code 410: acuut hartinfarct, ICD-9-code 411: overige acute of subacture vormen van coronaire hartziekten, ICD-9-code 412-414: chronische vormen van coronaire hartziekten

Naar boven


Sterfte

Sterfte acuut hartinfarct sterk gedaald

De sterfte aan een acuut hartinfarct is in de periode 1980-2009 voor mannen met 81% en voor vrouwen met 77% gedaald (zie figuur 4, sterfte gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990). De daling vond plaats in alle leeftijdsklassen bij mannen en vrouwen.

Sterfte overige coronaire hartziekten ook sterk gedaald

De sterfte aan de overige coronaire hartziekten is vanaf 1996 ook sterk gedaald: voor mannen met 50% en voor vrouwen met 49% (zie figuur 4). Tussen 1970 en 1979 was de sterfte ook al gedaald. In de jaren tachtig en begin jaren negentig bleef deze sterfte ongeveer op een gelijk niveau (NHS, 1994).

Geen daling in sterfte aan overige hartaandoeningen

De daling in de sterfte aan coronaire hartziekten in de jaren negentig is niet gecompenseerd door een toename van de sterfte aan overige hartaandoeningen, zoals hartfalen (ICD-9-code 428) en andere (acute) hartdood (ICD-9-codes 427.5, 429.9, 798.1 en 798.2). De sterfte ten gevolge van hartfalen en andere (acute) hartdood (dus zonder coronaire hartziekten) is sinds 1991 ongeveer gelijk gebleven (CBS Doodsoorzakenstatistiek).

Sterke daling ziekenhuissterfte hartinfarct

Het percentage patiënten dat overleed in het ziekenhuis ten gevolge van een acuut hartinfarct daalde in de periode 1980-2007 zowel voor mannen als vrouwen met meer dan de helft (zie figuur 5).

Figuur 4: Sterfte aan acuut hartinfarct en aan overige coronaire hartziekten in de periode 1980-2009; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd a (1980 is 100) (CBS Doodsoorzakenstatistiek).

trend sterfte hartinfarct 1980-2009 trend sterfte overige CHZ 1980-2009

a in 1980 was de gestandaardiseerde sterfte aan acuut hartinfarct voor mannen 195,0 per 100.000 en voor vrouwen 130,0 per 100.000. De sterfte aan overige coronaire hartziekten was voor mannen en vrouwen respectievelijk 38,0 en 30,4 per 100.000 (gestandaardiseerd naar 1990).

Figuur 5: Sterftepercentage van ziekenhuisopnamen met acuut hartinfarct als hoofddiagnose in de periode 1980-2007; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2000 (mannen en vrouwen samen) (LMR).

trend ziekenhuissterfte hartinfarct 1980-2007

Naar boven


Verklaringen voor trends

De daling in de sterfte aan coronaire hartziekten kan worden verklaard door een lagere incidentie en/of een betere overleving van patiënten. Trends in het verleden zullen doorwerken in de toekomstige cijfers. Wat het netto-effect van trends in risicofactoren en behandeling zal zijn op het aantal nieuwe patiënten met coronaire hartziekten, is niet aan te geven.

Door veranderingen in risicofactoren verandert incidentie

Door veranderingen in de verdeling van risicofactoren verandert de incidentie (en daarmee de sterfte en de prevalentie) van coronaire hartziekten. Ook kan de ernst van de ziekte bij optreden hierdoor afnemen. Een aantal trends in de determinanten (risicofactoren) van coronaire hartziekten is ongunstig en een aantal is gunstig. Indien er daadwerkelijk een daling in de incidentie is opgetreden, betekent dit dat de positieve trends in risicofactoren meer invloed hebben op de trends in coronaire hartziekten dan de negatieve trends in risicofactoren (zie ook: welke factoren beïnvloeden de kans op een coronaire hartziekte?). Gunstige en ongunstige trends in het (recente) verleden die mogelijk doorwerken in de huidige en toekomstige cijfers zijn:

  • Daling van het percentage personen met een te hoog totaal cholesterolgehalte, met name als gevolg van een sterke toename van het gebruik van cholesterolverlagende medicatie.
  • Daling van het percentage rokers in de tachtiger jaren (en een stabilisatie in de jaren negentig).
  • Daling van de inname van transvetzuren sinds het begin van de jaren negentig (na aanpassingen door de voedingsmiddelenindustrie).
  • Toename van het aantal mensen met overgewicht.
  • Toename van het aantal mensen met diabetes mellitus.
  • Daling in de consumptie van groente, fruit en vezels (zie: trends in voeding).

Stijging overleving door verbeterde behandelingen

De toegenomen mogelijkheden in medische behandeling en de verbeterde toepassing van de beschikbare behandelingsmethoden hebben bijgedragen aan de daling in de sterfte aan coronaire hartziekten. Een verbeterde overleving heeft ook effect op de incidentie van een hernieuwd (recidief) hartinfarct. Het gaat hierbij om de volgende factoren:

  • Vroege opsporing van personen met een groot hartinfarct (hartinfarct met ST-elevatie) door verbeterde diagnostiek buiten het ziekenhuis (pre-hospital triage).
  • Vroege opsporing van risicofactoren bij coronaire hartziekten, zoals verhoogde bloeddruk, te hoog totaal cholesterolgehalte en diabetes mellitus, bij personen die (nog) geen coronaire hartziekte hebben.
  • Sterke intensivering van de behandeling in de acute fase van het hartinfarct: de toepassing van reperfusietherapie (PCI) is sterk gestegen en verbeterd.
  • Een uitgebreider en efficiënter gebruik van medicijnen zoals β-blokkers, aspirine, ACE-remmers, angiotensine-II-antagonisten en, wellicht het meest belangrijk, statines.
  • Ook in de herstelfase na een hartinfarct is het gebruik van β-blokkers, ACE-remmers, aspirine, nieuwe bloedplaatjesremmers en orale anticoagulantia sterk toegenomen (Widdershoven et al., 1997, Deckers et al., 2010).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Deckers JW, Veerhoek RJ, Smits PC, Jansen CG.Trends in prevalentie en behandeling van risicofactoren van coronaire hartziekte: het Euroaspire-project. Ned Tijdschr Geneeskd, 2010; 154: A1229.
  • NHS, Nederlandse Hartstichting.Hart- en vaatziekten in Nederland 1994. Cijfers over ziekte en sterfte. Den Haag: NHS, 1994.
  • NHS, Nederlandse Hartstichting.Hart- en vaatziekten in Nederland 1995. Cijfers over ziekte en sterfte. Den Haag: NHS, 1995.
  • NHS, Nederlandse Hartstichting.Hart- en vaatziekten in Nederland 1996. Cijfers over ziekte en sterfte. Den Haag: NHS, 1996.
  • Widdershoven JWMG, Gorgels APM, Vermeer F, et al.Changing characteristics and in-hospital outcome of patiënts admitted with acute myocardial infarction - observations from 1982 to 1994. Eur Heart J 1997; 18: 1073-1080.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

ACE
Angiotensine converting enzyme
ICD
International Classification of Diseases
Internationale classificatie van ziekten.
PCI
Percutane coronaire interventie
Ook wel dotteren of ballondilatatie genoemd. Techniek waarbij een opblaasbare ballon op (bijna) dichtgeslibde plaatsen in de hartslagaders (kransslagaders) het bloedvat wat kan oprekken. Het doel van deze techniek is de doorbloeding van de hartspier weer beter op gang te brengen.

Definities

ST-elevatie
Toestand na een acuut coronair incident waarbij een bepaald segment (ST-segment) van de grafische weergave van de electrische activiteit van het hart (het electrocardiogram) hoger ligt dan bij gezonde personen
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.