Naar schatting hadden 675.500 mensen in 2003 een coronaire hartziekte: 409.300 mannen en 266.200 vrouwen. Dat is 51,0 per 1.000 mannen en 32,5 per 1.000 vrouwen. Van deze mensen hadden 329.500 mensen angina pectoris: 178.500 mannen (22,2 per 1.000) en 151.000 vrouwen (18,4 per 1.000 vrouwen). Voor zowel mannen als vrouwen stijgen deze prevalenties met de leeftijd. De jaarprevalenties zijn geschat op basis van vijf huisartsenregistraties en zijn gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.
We presenteren hier geen jaarprevalentie van het acute hartinfarct omdat dit een kortdurende aandoening is. Na het doormaken van een hartinfarct wordt de ziekte chronisch en komt dan in de categorie coronaire hartziekten (en later eventueel hartfalen) terecht. Onder 'incidentie' presenteren we wel de cijfers van het aantal nieuwe gevallen met een acuut hartinfarct.
In bevolkingsonderzoek worden wel prevalenties van het acute hartinfarct gepresenteerd en dan gaat het om de mensen die ooit een hartinfarct hebben gehad. De gestandaardiseerde prevalentie van een doorgemaakt hartinfarct bij personen van 55 jaar en ouder wordt op basis van het -onderzoek voor 2000 geschat op 114 per 1.000 mannen en 41 per 1.000 vrouwen (absoluut 192.200 mannen en 85.100 vrouwen). In het ERGO-onderzoek worden personen die meerdere hartinfarcten hebben gehad, slechts een keer meegeteld. Deze cijfers geven dus het aantal 55-plussers weer dat een of meer hartinfarcten heeft doorgemaakt.
Zou men de getallen uit het ERGO-onderzoek willen vergelijken met getallen uit huisartsenregistraties dan moet men rekening houden met de volgende zaken:
- het ERGO-onderzoek is een bevolkingsonderzoek onder mensen van 55 jaar en ouder
- coronaire hartziekten komen onder de 55 jaar veel minder voor; de huisartsencijfers worden berekend alsof de prevalenties voor alle leeftijden hetzelfde zijn
- de getallen zijn uit 1997-1999; de prevalentie en incidentie van coronaire hartziekten zijn in de huisartsenregistraties echter nauwelijks veranderd, dus we kunnen aannemen dat de getallen uit het ERGO-onderzoek vergelijkbaar zouden zijn met getallen uit 2003.
De incidentie (het aantal nieuwe gevallen) van het acute hartinfarct werd in 2003 geschat op 28.200: 17.700 mannen (2,2 per 1.000) en 10.500 vrouwen (1,3 per 1.000). Hierbij moet men bedenken dat het gaat om het totaal aantal infarcten als zodanig; een patiënt kan in de loop van het jaar meerdere infarcten krijgen.
De incidentie van angina pectoris was 36.800: 19.200 mannen (2,4 per 1.000) en 17.600 vrouwen (2,1 per 1.000).
De incidenties zijn geschat op basis van huisartsenregistraties en zijn gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.
Vooral bij oudere personen kan het voorkomen dat een hartinfarct niet als zodanig wordt opgemerkt. Dit noemen we 'stille infarcten'. Achteraf zijn deze infarcten wel op het electrocardiogram () zichtbaar. Personen met een stil infarct hebben een verhoogde kans op sterfte aan coronaire hartziekten (). Bij de cijfers uit de huisartsenregistraties worden deze stille infarcten niet meegeteld, omdat de huisarts ze (ook) niet heeft opgemerkt.
In de periode 1971-2004 kreeg 14,4% van de mensen die een eerste hartinfarct hadden gehad, een nieuw hartinfarct; 12% kreeg een tweede hartinfarct, 2% een derde en bijna 1% een vierde of vijfde. Deze gegevens komen uit de .
Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties
Aanvullende informatie gebruikte bronnen
Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht (periode 2003-2004)
In de VTV 2010 zijn recentere gegevens gepresenteerd; zie: Incidentie, prevalentie en sterfte naar leeftijd en geslacht in 2007.