Sterfte in Nederland relatief laag
In Nederland is de sterfte aan beroerte relatief laag, evenals in Oostenrijk en Duitsland, de meeste Scandinavische landen en een aantal mediterrane landen. De sterfte aan beroerte is vooral in de nieuwere lidstaten van de Europese Unie () hoog (onder andere Bulgarije, Roemenië, Letland, Litouwen en Slowakije) (zie figuur 1) (, 2011).
Sterfte aan beroerte daalt in meeste Europese landen
In Nederland en de rest van West-Europa, daalt de sterfte door beroerte sinds midden jaren zestig van de vorige eeuw. In Oost-Europese landen steeg de sterfte tot eind jaren tachtig en/of begin jaren negentig, maar in de meeste van deze landen daalt de sterfte sinds midden jaren negentig ook (, 2011; ; ; ). In Roemenië, Rusland en enkele landen van de voormalige Sovjet-Unie was er nog wel sprake van een stijging tussen 1985-1989 en 2000-2004 ().
Gunstige veranderingen in risicofactoren leiden tot sterftedaling
Verschillende factoren dragen bij aan de sterftedaling in Europa: een afname van het aantal rokers, verbeterde voeding (meer groente/fruit en onverzadigde vetten, minder verzadigde en transvetten) en meer lichamelijke activiteit, verbeteringen in de behandeling van verhoogde bloeddruk en verhoogd cholesterol en verbeterde zorg bij een beroerte (). Gunstige ontwikkelingen in risicofactoren (zoals roken en een verhoogde bloeddruk) kunnen leiden tot een daling van de incidentie en het is aannemelijk dat veranderingen in incidentie leiden tot vergelijkbare veranderingen in sterfte (). In landen met hoge inkomens is de incidentie van beroerte tussen 1970 en 2008 met gemiddeld 42% gedaald ().
Zie ook:
Internationale verschillen door verschillen in risicofactoren en registratie
Verschillen tussen landen in risicofactoren voor beroerte en in de behandeling van beroerte, verhoogde bloeddruk en verhoogd cholesterol verklaren een deel van de internationale verschillen in sterfte aan beroerte en verschillende trends. Internationale verschillen in sterfte en sterftetrends kunnen echter ook (deels) het gevolg zijn van registratieverschillen (). Zo kan er in het ene land een structurele neiging bestaan om sterfte bij onverwacht overlijden te coderen als plotselinge dood en in het andere land als beroerte.
Ziekenhuissterfte voor beroerte gemiddeld in vergelijking met andere EU-landen
De kans om binnen een maand na ziekenhuisopname voor een beroerte te overlijden is in Nederland gemiddeld vergeleken met andere EU-landen (zie figuur 2 en figuur 3). In Denemarken en Finland is het percentage patiënten dat binnen een maand na ziekenhuisopname voor een herseninfarct overlijdt minder dan de helft van het percentage dat in Nederland overlijdt, respectievelijk 2,6% en 2,8% versus ruim 5,7%. Voor hersenbloeding is de situatie in Nederland ook niet gunstig. In Finland is de sterfte het laagste, 6,5%. Dat staat in schril contrast met de 22,4% in Nederland. Ook in Oostenrijk, Zweden, Duitsland en Italië is de kans om binnen een maand na ziekenhuisopname voor een herseninfarct of hersenbloeding te overlijden lager dan in Nederland ().
Zie voor meer informatie:
30-dagensterfte na ziekenhuisopname voor acuut hartinfarct of beroerte (Zorgbalans)
Incidentie van beroerte niet goed vergelijkbaar tussen landen
Het is aannemelijk dat de positie die Nederland in internationaal perspectief inneemt ten aanzien van sterfte, ook geldt voor de incidentie van beroerte. Er zijn echter geen recente en internationaal goed vergelijkbare gegevens over de incidentie van beroerte. Incidentiecijfers van beroerte zijn voor een groot aantal landen beschikbaar gekomen uit het -project (; ). Dit betreft met name de incidentie van een eerste beroerte. Aan dit project deden 18 regio's mee, uit onder andere: Australië, Canada, China, Denemarken en Finland, Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. Nederland nam geen deel aan het -project maar de cijfers uit de huisartsenregistraties komen redelijk overeen met de gepresenteerde cijfers uit het -project.
Zie ook:
Hoe vaak komt beroerte voor en hoeveel mensen sterven eraan?
Figuur 1: landen met de hoogste en de laagste sterfte aan beroerte in 2009, naar geslacht; gestandaardiseerd naar de Europese standaard populatie (Bron: , 2011).
* voorlopig cijfer
ECHI indicatoren (European Community Health Indicators) worden gebruikt om de volksgezondheid in de EU te monitoren en te vergelijken. Het Kompas maakt bij de internationale vergelijkingen waar mogelijk gebruik van ECHI. Deze grafiek gaat over ECHI indicator 79. 30-day in-hospital case-fatality of AMI and stroke.
Sterfte na ziekenhuisopname voor een herseninfarct is onderdeel van deze indicator, sterfte na ziekenhuisopname voor een hersenbloeding niet.
Figuur 2: Percentage patiënten van 45 jaar en ouder dat na ziekenhuisopname voor een herseninfarct binnen 30 dagen overlijdt (inclusief dagopnamen) in een aantal EU-landen a in 2009 (gestandaardiseerd voor leeftijd en geslacht volgens de OECD-2005-populatie van 45 jaar en ouder) (Bron: ).
a Alleen gegevens beschikbaar voor -lidstaten die ook lid zijn van de . Voor een overzicht van lidstaten van de OECD zie:
lidstaten OECD
Figuur 3: Percentage patiënten van 45 jaar en ouder dat na ziekenhuisopname voor een hersenbloeding binnen 30 dagen overlijdt (inclusief dagopnamen) in een aantal EU-landen a in 2009 (gestandaardiseerd voor leeftijd en geslacht volgens de OECD-2005-populatie van 45 jaar en ouder) (Bron: ).
a Alleen gegevens beschikbaar voor -lidstaten die ook lid zijn van de . Voor een overzicht van lidstaten van de OECD zie:
lidstaten OECD