Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Beroerte
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Wat is beroerte en wat is het beloop?

Ziektebeeld Beloop Kwaliteit van leven

Ziektebeeld

Beroerte is een hersenbloeding of herseninfarct

Beroerte, ook wel aangeduid met cerebrovasculaire aandoeningen/accidenten (CVA), omvat een verzameling ziektebeelden waarbij sprake is van een stoornis in de bloedvoorziening van de hersenen. De meest voorkomende aandoeningen zijn het herseninfarct en de hersenbloeding. Een herseninfarct wordt veroorzaakt door een afsluiting van een bloedvat. Een hersenbloeding of een subarachnoïdale bloeding wordt veroorzaakt door het openbarsten van een bloedvat.

Meeste beroertes zijn herseninfarcten

Beroertes kunnen worden onderscheiden in drie groepen van oorzaken (Bamford et al., 1990):

  • herseninfarct: beroerte ten gevolge van een afsluiting van een slagader die een deel van de hersenen van bloed voorziet. Ongeveer 75% van de beroertes berust op een herseninfarct, inclusief de TIA's (zie hierna).
  • hersenbloeding (ook wel intracerebrale bloeding genoemd): beroerte ten gevolge van een gescheurd bloedvat in of rond de hersenen: ongeveer 15% van de beroertes.
  • subarachnoïdale bloeding: bloeding in de ruimte tussen de hersenvliezen, net onder de schedel: 5% van de beroertes berust hierop.

Een klein deel van de beroertes (5%) wordt veroorzaakt door zeldzame afwijkingen en deze groep wordt geclassificeerd als 'overige beroertes'.

Herseninfarcten ingedeeld op grond van duur van de verschijnselen

Herseninfarcten kunnen worden onderscheiden in een klinisch syndroom waarvan de verschijnselen langer dan 24 uur duren en in een klinisch syndroom waarvan de verschijnselen korter dan 24 uur duren. Dat laatste is een Transient Ischemic Attack (TIA) (Franke & Limburg, 2006). De plotselinge uitvalsverschijnselen bij een TIA zijn het gevolg van een tijdelijke afsluiting van de bloedsomloop in een deel van de hersenen of het netvlies in een oog. Als de bloedtoevoer zich herstelt, verdwijnen de uitvalsverschijnselen weer.

In registraties indeling volgens ICD, E-code of ICPC-code

Voor sterftestatistieken en ziekenhuisregistraties gebruikt men de ICD-classificatie (zie tabel 1) om een onderverdeling van beroertes te maken. In huisartsenregistraties maakt men gebruik van een indeling op grond van E-code of ICPC-code. Hierbij staat E-code 1559 voor beroerte en E-code 1551 voor TIA. De betreffende ICPC-codes zijn K90 voor beroerte en K89 voor TIA.

Voor sterftestatistieken en ziekenhuisregistraties gebruikt men de ICD-classificatie (zie tabel 1) om een onderverdeling van beroertes te maken.

Onderliggende oorzaken van beroertes en TIA's zijn hetzelfde

Beroertes en TIA's hebben dezelfde onderliggende oorzaken en dezelfde risico's op ernstige vasculaire gevolgen. Een TIA is in feite een klein herseninfarct. Ook vanuit het oogpunt van secundaire preventie (voorkómen van het optreden van een recidief) is er geen verschil tussen een TIA en een herseninfarct (Franke & Limburg, 2006), en ook aanvullend onderzoek is identiek.

Tabel 1: Onderverdeling van beroerte volgens de ICD-9 en ICD-10.

Indeling beroerte (CVA) en TIA

ICD-9

ICD-10

Subarachnoïdale bloeding

430

I60

Hersenbloeding

431-432

I61-I62

Herseninfarct

433-434

I63

Overige en niet-gespecificeerde beroertes

436-438

I64-I69

Transient (cerebral) Ischaemic Attack (TIA) en verwante syndromen

435

G45

Noot: in de ICD-10 vallen TIA's niet langer onder de hart- of vaatziekten (zoals in de ICD-9), maar onder de ziekten van het zenuwstelsel.

Naar boven


Beloop

Symptomen in de acute fase van een beroerte zeer verschillend

De symptomen van een beroerte tijdens de acute fase kunnen zeer verschillend zijn. Dit is vooral afhankelijk van de plaats van de beschadiging in de hersenen en de grootte van het gebied waar de bloedtoevoer gestoord is.

Vaak voorkomende lange termijngevolgen zijn karakterveranderingen en veranderingen in emoties.

Veel voorkomende korte termijngevolgen van een beroerte zijn:

  • verlammingen, meestal in de tegenovergestelde lichaamshelft
  • uitval van een gezichtsveld
  • problemen met spreken (afasie)
  • stoornis in ruimtelijk inzicht
  • stoornissen in denkvermogen: trager denken, geheugenproblemen
  • slikproblemen
  • incontinentie

Gevolgen voor patiënt bepalen mate van ernst van beroerte

De gevolgen van een beroerte voor het functioneren van de patiënt bepalen de mate van ernst. De aard en ernst van de gevolgen zijn afhankelijk van het deel van de hersenen dat beschadigd is. Naarmate er meer hersenweefsel is beschadigd zijn de gevolgen ernstiger. Naast overlijden van de patiënt als gevolg van een beroerte zijn drie ernstklassen te onderscheiden:

  • voorbijgaande ischemie in een deel van de hersenen, waarbij de acute verschijnselen na korte tijd, meestal binnen een uur, volledig zijn verdwenen en er geen aanwijzingen zijn voor een infarct op de scan van de hersenen (TIA). Een TIA gaat echter vaak wel gepaard met gevolgen op de langere termijn, waaronder concentratiestoornissen.
  • een niet-invaliderend herseninfarct of hersenbloeding waarna de patiënt de dagelijkse bezigheden weer zelfstandig kan uitvoeren.
  • een invaliderend herseninfarct of hersenbloeding.

Kans op beroerte grootst na eerdere beroerte of TIA

Patiënten hebben een hogere kans op een beroerte:

  • na een eerdere beroerte (recidief): 20% van de patiënten die een beroerte hadden gehad en na een jaar nog in leven zijn, krijgt opnieuw een beroerte (Van der Meer & Smith, 1990a).
  • na een eerder doorgemaakte TIA: van de personen die een TIA hebben gehad, krijgt 6% binnen 1-2 jaar een beroerte (Van Ree et al., 1989). Tevens overlijdt per jaar ongeveer 4% van personen die een TIA hebben gehad aan een aandoening met een vasculaire oorzaak. Als bij personen die een TIA hebben gehad ook sprake is van atriumfibrilleren (ongecoördineerde samentrekkingen van de hartboezems) zijn de risico's respectievelijk 12% en 5% (EAFT, 1993).

Snelle diagnose en behandeling noodzakelijk voor vermindering risico op nieuwe beroerte

De kans op een nieuwe beroerte met blijvende gevolgen is het grootst in de eerste weken of maanden na een TIA of een beroerte. Een snelle diagnose en behandeling is dan ook noodzakelijk om het risico op nieuwe vasculaire gebeurtenissen te verminderen.

Kans op beroerte tijdens het hele leven voor mannen en vrouwen gelijk

Mannen en vrouwen hebben dezelfde kans om tijdens het hele leven een beroerte te krijgen (= absolute life-time risico). Op 55-jarige leeftijd is deze kans ongeveer 20% (Hollander et al., 2003). Het life-time risico voor mannen en vrouwen is gelijk, terwijl de incidentie op alle leeftijden voor mannen hoger is dan voor vrouwen. Dit wordt verklaard doordat mannen gemiddeld korter leven (Hollander et al., 2003).

Hoog risico op zorgafhankelijkheid

Een jaar na de beroerte is globaal eenderde van de patiënten afhankelijk van zorg (Franke, 2001). Van alle overlevenden kan 55% na zes maanden niet meer volledig zelfstandig leven, na 3 jaar 49% en na 5 jaar 42% (Van Straten et al., 2001).

Hoog risico op sterfte

De sterfte na het krijgen van een beroerte is hoog. Hierbij is de soort beroerte van belang. De kans op overlijden binnen de eerste maand na een hersenbloeding of een subarachnoïdale bloeding is veel hoger dan na een herseninfarct. Voor mannen is de kans op overlijden na 28 dagen 35% na een subarachnoïdale bloeding, 49% na een hersenbloeding en 21% na een herseninfarct. Voor vrouwen zijn deze percentages 37%, 48% en 24%. De kans op sterfte neemt sterk toe met het stijgen van de leeftijd (zie figuur 1) (Vaartjes et al., 2009).

Uiteindelijke oorzaak van overlijden divers

De directe gevolgen van de hersenschade of bijkomende hartproblemen veroorzaken meestal het overlijden kort na een beroerte. In latere fasen kunnen zich complicaties voordoen die het gevolg zijn van immobiliteit zoals longontsteking en longembolie. Andere complicaties waaraan patiënten kunnen overlijden zijn decubitus, uitdroging, nierfunctiestoornissen en blaasontsteking (Warlow et al., 2001).

Eén op de vijf patiënten overlijdt aan andere vormen van hart- en vaatziekten

De oorzaken (risicofactoren) voor het krijgen van een beroerte zijn in grote mate hetzelfde als de risicofactoren voor het krijgen van een hartinfarct. Derhalve overlijdt een niet onaanzienlijk deel van de patiënten (ongeveer 20%) die getroffen wordt door een beroerte, later aan andere vormen van hart- en vaatziekten, zoals coronaire hartziekte, hartfalen of perifeer vaatlijden.

Figuur 1: Sterfte na een hersenbloeding of herseninfarct voor mannen en vrouwen na 1 maand, 1 jaar en 5 jaar follow-up tijd (Bron: Vaartjes et al., 2009).

Sterftekans beroerte mannen, NHS Sterftekans beroerte vrouwen, NHS

Zie ook:

kompasHoe zijn preventie en zorg georganiseerd?

kompas Hoe vaak komt een beroerte voor en hoeveel mensen sterven eraan?

Naar boven


Kwaliteit van leven

Een beroerte beïnvloedt veel aspecten van kwaliteit van leven

Een beroerte kan zowel lichamelijke, geestelijke als sociale aspecten van de kwaliteit van leven aantasten. De ernst van de restverschijnselen bepaalt de kwaliteit van leven na een beroerte.

Het maakt voor de invloed op de kwaliteit van leven niet uit of het een beroerte in de linker of in de rechter hersenhelft betreft (De Haan et al., 1995Hochstenbach et al., 1996).

Kwaliteit van leven te onderscheiden in drie profielen

Men onderscheidt drie profielen die betrekking hebben op de kwaliteit van leven van patiënten maximaal zes maanden na het optreden van een beroerte (De Haan et al., 1995). Leeftijd, comorbiditeit en lokalisatie van de beroerte bepalen deze profielen.

  1. Patiënten met een matig aangetaste kwaliteit van leven (60% van de patiënten). Deze patiënten zijn over het algemeen relatief jong. Het zijn vaker mannen met kleine infarcten -niet groter dan 2 cm- in de centrale delen van de hersenen of in de hersenstam, ten gevolge van afsluiting van zeer kleine bloedvaatjes. Dit noemt men ook wel lacunaire infarcten.
  2. Patiënten met een ernstig aangetaste kwaliteit van leven, zowel in lichamelijk als psychosociaal functioneren (33% van de patiënten). Deze patiënten zijn relatief oud en hebben meer comorbiditeit.
  3. Patiënten met een ernstig aangetast psychosociaal functioneren (7% van de patiënten). Deze patiënten hadden vaker een beroerte in of net onder de hersenschors, waar de cognitieve functies zich bevinden (De Haan et al., 1995; Sneeuw et al., 1997a).

Bij ouderen vooral beperkingen in lichamelijk en sociaal functioneren

Oudere patiënten ondervinden grote beperkingen in het lichamelijk en sociaal functioneren (gemeten met de SF-24) (De Haes et al., 1997). Zij rapporteren echter geen verminderde geestelijke gezondheid (zie tabel 3 ). In een klein onderzoek bij oudere patiënten (> 65 jaar) die na ontslag uit het ziekenhuis meteen naar huis gingen, was na 1 jaar de kwaliteit van leven voor de meeste onderdelen vergelijkbaar met de ‘gemiddelde’ oudere bevolking (De Weerd et al., 2011). Wel hadden patiënten met beperkingen in het dagelijks leven een slechtere kwaliteit van leven.

Jongere patiënten rapporteren problemen in alle domeinen van de kwaliteit van leven. Hierbij moet bedacht worden dat een beroerte bij personen jonger dan 60 jaar niet vaak voorkomt.

Wel verbetering in lichamelijke, maar niet in geestelijke gezondheid

De kwaliteit van leven verbetert de eerste zes tot negen maanden na de beroerte wel voor de lichamelijke, maar niet voor de geestelijke gezondheid (gemeten met de SIP) (Schuling et al., 1992; Jonkman et al., 1998). Na 12 maanden lijkt er minder verbetering op te treden (Hochstenbach et al., 1996; Van Straten, 2000).

Tabel 3: Verschil in kwaliteit van leven (SF-36 en SF-24) tussen patiënten na een beroerte en de algemene populatie.

Verschil tussen patiënten en de algemene populatie

20-60 jaar

57 jaar en ouder

Fysiek functioneren

+++

+++

Rolfunctioneren fysiek

++

++

Pijn

++

+

Ervaren gezondheid

++

++

Vitaliteit

+

n.a.

Sociaal functioneren

++

+++

Rolfunctioneren emotioneel

++

n.a.

Geestelijke gezondheid

+

0

Een verschil wijst op een slechtere kwaliteit van leven voor patiënten: +++ = groot verschil, ++ = matig verschil, + = klein verschil, 0 = geen verschil, n.a. = informatie niet aanwezig

detailsSF-36 scores en achtergrondinformatie 

detailsMethode van gegevensverzameling en de selectie van literatuur

U kunt algemene informatie over kwaliteit van leven vinden bij het onderwerp Icoon interne verwijzing naar onderwerpgezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Bamford J, Sandercock P, Dennis M, Burn J, Warlow C.A prospective study of acute cerebrovascular disease in the community: the Oxfordshire Community Stroke Project 1981-86. J Neurol Neurosurg Psychiatry, 1990; 53: 16-22.
  • EAFT, European Atrial Fibrillation Trial Study Group.Secondary prevention in non-rheumatic atrial fibrillation after transient ischaemic attack or minor stroke. Lancet 1993; 342: 1255-62.
  • Franke CL, Limburg M (red.).Handboek Cerebrovasculaire aandoeningen. Utrecht: De Tijdstroom, 2006.
  • Franke CL.Acute zorg voor patienten met een beroerte. Ziekenhuis stroke unit en TIA-poli. Ned Tijdschr Neurol, 2001; 6: 428-43.
  • Haan RJ de, Limburg M, Meulen JHP van der, Jacobs HM, Aaronson NK.Quality of life after stroke. Impact of stroke type and lesion location. Stroke, 1995; 26: 402-8.
  • Haes JCJM de, Sprangers MAG, Regt HB de, et al.Adaptieve opgaven bij chronische ziekte. Den Haag: NWO, Gebied Medische Wetenschappen, 1997.
  • Hochstenbach JB, Limbeek J van, Mulder T, Donders ART, Schoonderwaldt H.Veel chronische problemen bij CVA-patiënten thuis. Ned Tijdschr Geneeskd, 1996; 140: 1182-86.
  • Hollander M, Koudstaal PJ, Bots ML, Grobbee DE, Hofman A, Breteler MMB.Incidence, risk, and case fatality of first ever stroke in the elderly population. The Rotterdam Study. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2003; 74 (3): 317-21.
  • Jonkman EJ, Weerd AW de, Vrijens NL.Quality of life after a first ischemic stroke. Long term developments and correlations with changes in neurological deficit, mood and cognitive impairment. Acta Neurol Scand 1998; 98: 169-175.
  • Meer K van der, Smith RJA.CVA-patiënten in de huisartspraktijk. Een onderzoek onder 1 procent van de Nederlandse bevolking. Huisarts Wet 1990a; 33: 141-144.
  • Ree JW van, Weel C van, Arts H, Hoogen H van den.De samenhang tussen 'transient ischaemic attack' en cerebrovasculair accident. Ned Tijdschr Geneeskd 1989; 133: 1073-1076.
  • Schuling J, et al.De functionele toestand van patiënten na een CVA. Huisarts Wet 1992; 35: 381-385.
  • Sneeuw KCA, Aaronson NK, Haan RJ de, Limburg M.Assessing quality of life after stroke. The value and limitations of proxy ratings. Stroke 1997a; 28: 1541-1549.
  • Straten A van, Reitsma JB, Limburg M, Bos GAM van den, Haan RJ de.Impact of stroke type on survival and functional health. Cerebrovas Dis 2001; 12: 27-33.
  • Straten A van.Quality of hospital care and health outcomes after stroke. Thesis. Amsterdam: University of Amsterdam, 2000.
  • Vaartjes I, Reitsma JB, Berger-van Sijl M, Bots ML.Gender Differences in Mortality after Hospital Admission for Stroke. Cerebrovasc Dis, 2009; 28: 564-571.
  • Warlow CP, Dennis MS, Gijn J van, Hankey GJ, Sandercock PAG, Bamford JM, Wardlaw JM.Stroke: a practical guide to management. Oxford: Blackwell Science, 2001.
  • Weerd L de, Rutgers WAF, Groenier KH, Meer K van der.Perceived wellbeing of patients one year post stroke in general practice - recommendations for quality aftercare. BMC Neurology, 2011; 11: 42.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

ICD
International Classification of Diseases
Internationale classificatie van ziekten.
ICPC
International classification of primary care
SF-24
Medical Outcomes Study 24-Item Short Form Health Survey
Variant van de SF 20 en SF-36 (zie aldaar), een vragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. De SF-24 bestaat uit 7 dimensies: fysiek functioneren, rolbeperkingen, pijn, algemene gezondheidsbeleving, vitaliteit, sociaal functioneren, en geestelijke gezondheid.
SF-36
Medical Outcomes Study 36-Item Short Form Health Survey
Vragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. Het instrument bestaat uit 8 dimensies: fysiek functioneren, rolbeperkingen door fysieke gezondheidsproblemen, pijn, algemene gezondheidsbeleving, vitaliteit, sociaal functioneren, rolbeperkingen door emotionele problemen, en geestelijke gezondheid. Deze 8 dimensies kunnen bovendien gesommeerd worden in een lichamelijke en een psychische hoofddimensie
SIP
Sickness Impact Profile

Definities

Hersenbloeding
Beroerte ten gevolge van een gescheurd bloedvat in of rond de hersenen.
Herseninfarct
Beroerte ten gevolge van een afsluiting van een slagader die een deel van de hersenen van bloed voorziet.
Recidief
Het opnieuw optreden van de (verschijnselen van de) ziekte.
Subarachnoïdale bloeding
Bloeding in de ruimte tussen hersenvliezen, net onder de schedel.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.