Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Diabetes mellitus
De ziekte en de determinanten

Wat is diabetes mellitus en wat is het beloop?

Diagnose Type 1 diabetes mellitus Type 2 diabetes mellitus Kwaliteit van leven bij diabetes

Diabetes mellitus ofwel suikerziekte, is een chronische stofwisselingsziekte die gepaard gaat met een te hoog glucosegehalte in het bloed. Bij diabetes mellitus is het lichaam niet meer in staat om glucose goed te verwerken. Dat komt omdat er te weinig of geen insuline wordt aangemaakt of omdat het lichaam ongevoelig is geworden voor de insuline. Insuline is nodig voor het transport van glucose uit het bloed naar de lichaamsweefsels. Bij geen of onvoldoende insuline heeft het lichaam moeite om de glucose uit het bloed te krijgen en stijgen de bloedglucosewaarden. Hierdoor ontstaan allerlei klachten en complicaties.

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de American Diabetes Association (ADA) hebben grenswaarden bepaald waarboven sprake is van diabetes mellitus (WHO, 1999b). Alleen de twee meest voorkomende vormen van diabetes mellitus met elk een eigen oorzaak, komen hier aan de orde: type 1 en type 2. Diabetes mellitus staat in de ICD-9 onder code 250, in de ICD-10 onder de codes E10-E14.

Zwangerschapsdiabetes kan als een aparte categorie aangeduid worden (ICD-9-code 648.0 en ICD-10 code O24.4). Deze categorie kan overigens ook beschouwd worden als een risicofactor voor type 2 diabetes.


Diagnose

Diagnose op basis van bloedglucosewaarden

Diabetes mellitus gaat gepaard met een te hoog glucosegehalte in het bloed. Om de diagnose diabetes te kunnen stellen, gaat de huisarts na hoeveel glucose er in het bloed zit. De hoeveelheid glucose in het bloed wordt vastgesteld na het drinken van suikerwater (belastingtest of orale glucosetolerantietest) of op de nuchtere maag (nuchtere glucosebepaling). Wanneer de waarde van de belastingtest sterk verhoogd is of wanneer de nuchtere glucosewaarde sterk verhoogd is, spreekt men van diabetes (zie tabel 1).

Wanneer de belastingtest een verhoogde waarde (7,8-11,1 mmol/liter) laat zien, spreekt men van verminderde glucosetolerantie (IGT). Bij een verhoogde nuchtere glucosewaarde is er sprake van gestoorde nuchtere glucose (IFG). Zowel IGT als IFG zijn voorstadia van diabetes (zie tabel 1). Eenderde van de Nederlanders met IGT krijgt binnen zes jaar diabetes (De Vegt et al., 2001), voor IFG ligt dit percentage rond de 40% (Rijkelijkhuizen et al., 2007), hoewel dit cijfer sterk variëert tussen verschillende onderzoeken en landen (Forouhi et al., 2006). Voor meer informatie over het voorkomen van glucose-intolerantie zie: detailsHoeveel mensen hebben glucose-intolerantie?

Tabel 1: Grenswaarden van verminderde glucosetolerantie (IGT), verhoogd nuchter glucose (IFG) en diabetes mellitus volgens de WHO (WHO, 1999b).

glucosewaarden 2 uur na drinken van suikerwater (orale glucosetolerantietest)

nuchtere glucosewaarde (mmol/l) in bloedplasma

<7,8

7,8-11,1

≥11,1

<6,1

Normaal

IGT

Diabetes

6,1-7,0

IFG

IFG+IGT

Diabetes

≥7,0

Diabetes

Diabetes

Diabetes

Naar boven


Type 1 diabetes mellitus

Type 1 diabetes door afbraak insulineproducerende cellen

Type 1 diabetes mellitus ontstaat als gevolg van de afbraak van insulineproducerende cellen (bèta-cellen) van de alvleesklier (pancreas), waardoor een absoluut tekort van het hormoon insuline ontstaat. Mensen met type 1 diabetes moeten dagelijks insuline spuiten om de bloedglucose op peil te houden. Zonder toediening van insuline treedt een levensbedreigende situatie op. Type 1 diabetes ontstaat in korte tijd en meestal bij mensen onder de dertig jaar.

Eerste symptomen zijn veel drinken, vaak plassen, vermageren, vermoeidheid en duizeligheid

De eerste tekenen van diabetes zijn veel drinken, vaak urineren, vermageren, moeheid en duizeligheid. Ook coma door verzuring en een te hoog glucosegehalte in het bloed kan het eerste teken van type 1 diabetes mellitus zijn. De meeste mensen met diabetes krijgen na een aantal jaren te maken met macro- en microvasculaire complicaties. Die complicaties ontstaan vooral door te hoge bloedglucosewaarden.

Diabetes leidt tot uiteenlopende klachten en complicaties

Hart- en vaatziekten zijn veel voorkomende macrovasculaire complicaties. De kans op het krijgen van complicaties als gevolg van doorbloedingsstoornissen in het hart (Icoon interne verwijzing naar onderwerphartinfarct), hersenen (Icoon interne verwijzing naar onderwerpberoerte) en ledematen (pijn bij lopen) is bij type 1 diabetes twee tot vier maal zo groot als onder patiënten zonder diabetes mellitus. Ook microvasculaire complicaties als gevolg van schade aan de kleine bloedvaatjes (micro-angiopathie) van de ogen (diabetische retinopathie, blindheid), nieren (nefropathie) en zenuwen (neuropathie) treden vaak op. De mate waarin is afhankelijk van de duur van de diabetes mellitus en de kwaliteit van de bloedsuikerregulatie.

Naar boven


Type 2 diabetes mellitus

Type 2 diabetes door verminderde afscheiding van, of gevoeligheid voor insuline

Type 2 diabetes mellitus ontstaat als gevolg van stoornissen in de afscheiding van insuline en/of het niet optimaal benutten van de aanwezige insuline door weefsels (insulineresistentie). Hierdoor ontstaat op den duur een te hoog glucosegehalte in het bloed.

Eerste symptomen zijn vaak vaag

Type 2 diabetes ontstaat geleidelijker dan type 1 diabetes en de eerste klachten zijn vaak vaag. Daardoor wordt de diabetes vaak pas na jaren herkend en gediagnosticeerd. Deze klachten zijn veel drinken, veel eten, vaak urineren, moeheid en duizeligheid. Net als bij type 1 diabetes treden ook bij type 2 diabetes door schade aan bloedvaten en zenuwweefsel op den duur vaak macro- en microvasculaire complicaties op, zoals hart- en vaatziekten (hartinfarct, beroerte, doorbloedingsstoornissen van de benen), diabetische retinopathie (zie Icoon interne verwijzing naar onderwerpgezichtsstoornissen), blindheid, nierziekten en gevoelloosheid en/of pijn in de ledematen.

Veel patiënten hebben al complicaties op moment van diagnose

Omdat type 2 diabetes geleidelijk ontstaat, kan het lang duren voordat iemand wordt gediagnosticeerd. Vaak hebben deze patiënten dan al jarenlang te hoge glucosewaarden in het bloed zonder het te weten. Deze te hoge glucosewaarden kunnen ervoor zorgen dat op het moment van diagnose al complicaties aanwezig zijn: 3-50% van de patiënten heeft dan al micro- en/of macrovasculaire complicaties (Spijkerman, 2003).

Daling bloedglucosegehalte door gewichtsreductie mogelijk

Bij patiënten met type 2 diabetes en Icoon interne verwijzing naar onderwerpovergewicht is het soms mogelijk door middel van gewichtsreductie een verbetering te bewerkstelligen. Die verbetering wordt dan afgemeten aan een daling van het bloedglucosegehalte. Deze personen zullen echter ondanks het (tijdelijk) herstel in zekere mate ter controle in het medisch zorgcircuit blijven.

Ziektestadia

Er is geen eenduidige en algemeen geaccepteerde indeling naar ziektestadia van diabetes mellitus type 2, maar de volgende indeling is gangbaar:

  • verminderde glucosetolerantie (IGT of IFG)
  • type 2 zonder complicaties
  • type 2 met complicaties

IGT en IFG kunnen als voorstadium van type 2 diabetes worden genoemd (prediabetes). Ongeveer 30% van de bevolking van 60 jaar en ouder heeft prediabetes. Naar schatting een- tot tweederde van de mensen met prediabetes ontwikkelt binnen zes jaar (type 2) diabetes. Voor mensen met alleen IGT of IFG is dit 1 op 3 (Poortvliet et al., 2007; De Vegt et al., 2001). De kans dat mensen met prediabetes diabetes ontwikkelen is hoog, maar het is in principe mogelijk om die kans met preventieve maatregelen, zoals leefstijlinterventies, te verlagen en het ontstaan op diabetes uit te stellen of te voorkomen.

Na acht jaar ruim 40% van de oudere patiënten overleden

Patiënten met type 2 diabetes mellitus hebben een hogere kans om te overlijden dan mensen zonder diabetes. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Nederlandse LASA-studie. Van de personen van 55 jaar en ouder die bij enquêtering in 1992/1993 type 2 diabetes bleken te hebben, was na acht jaar 40-46% overleden terwijl van de controlegroep slechts 16-23% was overleden. Er zijn aanwijzingen dat het verlies aan levensverwachting bij mensen met diabetes afneemt (Lutgers et al., 2006; Gulliford & Charlton, 2009; Carstensen et al., 2008).

Voor meer informatie over sterfte, zie: Interne link naar documentVóórkomen van diabetes mellitus en gerelateerde sterfte

Naar boven


Kwaliteit van leven bij diabetes

Complicaties kunnen de kwaliteit van leven sterk aantasten

De complicaties bij diabetes mellitus kunnen de kwaliteit van leven sterk aantasten. Er ontstaan lichamelijke klachten (bijvoorbeeld vermoeidheid, duizeligheid, coma) wanneer het bloedsuikergehalte afwijkt van normaal. Om de complicaties op de lange duur te voorkómen, is het van belang om het glucosegehalte in het bloed zo normaal mogelijk te houden. Tegenwoordig kunnen patiënten zelf hun bloedsuikergehalte bepalen en insuline toedienen. Dit heeft de kwaliteit van leven sterk verbeterd. Maar diabetespatiënten moeten bij alle activiteiten rekening blijven houden met hun ziekte.

Kwaliteit van leven slechter bij diabetes

Gemiddeld ervaren mensen met diabetes hun kwaliteit van leven als slechter dan gezonde mensen (of meer precies mensen zonder chronische aandoeningen). Echter de ervaren kwaliteit van leven met diabetes is beter dan bij de meeste andere chronische ziekten zoals epilepsie, multiple sclerose en longziekten (Rubin & Peyrot, 1999). Met betrekking tot afzonderlijke dimensies van kwaliteit van leven valt op dat diabetespatiënten hun gezondheid als relatief slecht ervaren (gemeten met de SF-36 en SF-24). Daarnaast geven jong volwassenen en personen van middelbare leeftijd tevens aan dat ze veel problemen ondervinden bij lichamelijke activiteiten (zie tabel 2) (De Haes et al., 1997). Ook gegevens afkomstig van een ander meetinstrument voor kwaliteit van leven (EQ-5D) tonen de meeste beperkingen op vergelijkbare dimensies van kwaliteit van leven (Rijken et al., 1999).

Uit een studie van Redekop et al. blijkt dat vrouwelijke patiënten een slechtere kwaliteit van leven rapporteren. Ook ernstig overgewicht en de noodzaak tot insulinetherapie heeft een negatief effect op de kwaliteit van leven. Jongere patiënten geven vaker aan dat zij depressief zijn en angstgevoelens hebben (Redekop et al., 2002).

Kwaliteit van leven neemt af met ernst en duur van de ziekte

Voor alle aspecten van kwaliteit van leven (lichamelijk, geestelijk en sociaal) geldt dat de kwaliteit van leven sterk afneemt naarmate de ziekte ernstiger is, dat wil zeggen als er sprake is van complicaties en/of als de behandeling uit insuline bestaat (Rubin & Peyrot, 1999; De Grauw et al., 1999). Ook de duur van de ziekte houdt verband met een verminderde kwaliteit van leven. Vooral het lichamelijk functioneren van de patiënten verslechtert naarmate de ziekte langer duurt (De Grauw et al., 1999). In de studie van Grauw is echter niet gecorrigeerd voor leeftijd, een factor waarmee zowel de duur van de ziekte als de kwaliteit van leven samenhangt.

Metabole instelling heeft nauwelijks effect

Een inadequate metabole instelling (bloedglucosegehalte) hangt niet samen met een slechtere kwaliteit van leven op hetzelfde moment, maar de kans op complicaties later is wel verhoogd. Dit bleek uit studies in de huisartspraktijk bij patiënten met type 2 diabetes (De Grauw et al., 2001; De Grauw et al., 1999; Reenders et al., 1992). Verbeteringen in kwaliteit van leven hingen voornamelijk samen met een vermindering van hyperglycaemische klachten (o.a. vermoeidheid, gewichtsverlies) (Goddijn et al., 1999).

Tabel 2: Verschil in kwaliteit van leven (SF-36 /SF-24) tussen patiënten met diabetes en de algemene populatie (20-60 jaar en 57 jaar en ouder). Een verschil wijst op een slechtere kwaliteit van leven voor patiënten.

Verschil tussen patiënten en de algemene populatie

20-60 jaar

Verschil tussen patiënten en de algemene populatie

57 jaar en ouder

Fysiek functioneren

++

+

Rolfunctioneren fysiek

+

+

Lichamelijke pijn

+

+

Ervaren gezondheid

++

++

Vitaliteit

0

n.a.

Sociaal functioneren

+

+

Rolfunctioneren emotioneel

+

n.a.

Geestelijke gezondheid

0

0

+ = klein verschil, ++ = matig verschil, +++ = groot verschil, 0 = geen verschil, n.a. = informatie niet aanwezig.

detailsSF-24, SF-36 en EQ-5D scores en informatie over bronnen

detailsMethode van gegevensverzameling en selectie van literatuur

Voor algemene informatie over kwaliteit van leven, zie: Icoon interne verwijzing naar onderwerpgezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Carstensen B, Kristensen JK, Ottosen P, Borch-Johnsen K.The Danish National Diabetes Register: trends in incidence, prevalence and mortality. Diabetologia, 2008; 51(12): 2187-96.
  • Forouhi NG, Balkau B, Borch-Johnsen K, Dekker J, Glumer C, Qiao Q, et al.The threshold for diagnosing impaired fasting glucose: a position statement by the European Diabetes Epidemiology Group. Diabetologia, 2006; 49: 822-827.
  • Goddijn PP, Bilo HJ, Feskens EJ, Groeniert KH, Zee KI van der, Meyboom-deJong B.Longitudinal study on glycaemic control of quality of life in patients with Type 2 diabetes mellitus reffered for intensified control. Diabet Med 1999; 16(1): 23-30.
  • Grauw WJ de, Lisdonk EH van de, Behr RR, Gerwen WH van, Hoogen HJ van den, Weel C van.The impact of type 2 diabetes mellitus on daily functioning. Fam Pract 1999; 16: 133-9.
  • Grauw WJ de, Lisdonk EH van de, Gerwen WH van, Hoogen HJ van den, Weel C van.Insulin therapy in poorly controlled type 2 diabetic patients: does it affect quality of life? Br J Gen Pract 2001; 51: 527-32.
  • Gulliford MC, Charlton J.Is relative mortality of type 2 diabetes mellitus decreasing? AM J Epidemiol, 2009; 196(4): 455-61.
  • Haes JCJM de, Sprangers MAG, Regt HB de, et al.Adaptieve opgaven bij chronische ziekte. Den Haag: NWO, Gebied Medische Wetenschappen, 1997.
  • Lutgers HL, Sluiter WJ, Ubink-Veltmaat LJ.Normal life expectancy in non-smoking, well controlled type 2 diabetes patients. Diabetologia, 2006; 49(1): 245.
  • Poortvliet MC, Schrijvers CTM, Baan CA. Diabetes in Nederland. Omvang, risicofactoren en gevolgen, nu en in de toekomst. Bilthoven: RIVM,2007.
  • Redekop WK, Koopmanschap MA, Stolk RP, Rutten GEHM, Wolffenbuttel BHR, Niessen LW.Health-related quality of life and treatment satisfaction in dutch patients with type 2 diabetes. Diabetes Care, 2002; 25: 458-463.
  • Reenders K, Hoogen HJM van den, Weel C van.Functionele toestand, complicaties en comorbiditeit bij 249 NIDDM-patiënten. Huisarts Wet 1992; 35: 386-90.
  • Rijkelijkhuizen JM, Nijpels G, Heine RJ, Bouter LM, Stehouwer CDA, Dekker J.High risk of Cardiovascular Mortality in Individuals With Impaired Fasting Glucose Is Explained by Conversion to Diabetes. Diabetes Care, 2007; 30(2).
  • Rijken PM, Foets M, Peters L, Bruin AF de, Dekkers J.Patiëntenpanel chronisch zieken: kerngegevens 1998. Utrecht: NIVEL, 1999.
  • Rubin RR, Peyrot M.Quality of life and diabetes. Diabetes Metab Res Rev, 1999; 15(3): 208-18.
  • Spijkerman AMW.Targeted screening for type 2 diabetes: The Hoorn Screening Study. Thesis. Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam, 2003.
  • Vegt F de, Dekker JM, Jager A, Hienkens E, Kostense KJ, Stehouwer CDA, et al. Relation of impaired fasting and postload glucose with incident Type 2 diabetes in a Dutch population. The Hoorn Study. JAMA,2001; 285: 2109-13.
  • WHO, World Health Organization.Definition, diagnosis and classification of diabetes mellitus and its complications. Part I: diagnosis and classification. Geneva: WHO, 1999b.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

EQ-5D
EuroQol (5 Dimensies)
Vragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. Het instrument meet, zoals de naam al zegt, 5 dimensies (mobiliteit, zelfzorg, dagelijkse activiteiten, pijn/andere klachten, angst/depressie). Elke dimensie bestaat uit één item waarbij drie niveaus worden onderscheiden (geen problemen, enige problemen, veel problemen).
ICD-10
International Classification of Diseases, tenth revision
ICD-9
International Classification of Diseases, ninth revision
IFG
Impaired Fasting Glucose
Verhoogd nuchter glucose.
IGT
Impaired Glucose Tolerance
Verminderde glucosetolerantie
OGTT
Orale glucosetolerantietest
Test waarmee artsen bepalen of iemand problemen heeft met de glucosehuishouding en dus (bijna) diabetes heeft. Na het drinken van suikerwater wordt gemeten hoe snel dat door het lichaam wordt verwerkt.
SF-24
Medical Outcomes Study 24-Item Short Form Health Survey
Variant van de SF 20 en SF-36 (zie aldaar), een vragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. De SF-24 bestaat uit 7 dimensies: fysiek functioneren, rolbeperkingen, pijn, algemene gezondheidsbeleving, vitaliteit, sociaal functioneren, en geestelijke gezondheid.
SF-36
Medical Outcomes Study 36-Item Short Form Health Survey
Vragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. Het instrument bestaat uit 8 dimensies: fysiek functioneren, rolbeperkingen door fysieke gezondheidsproblemen, pijn, algemene gezondheidsbeleving, vitaliteit, sociaal functioneren, rolbeperkingen door emotionele problemen, en geestelijke gezondheid. Deze 8 dimensies kunnen bovendien gesommeerd worden in een lichamelijke en een psychische hoofddimensie

Definities

Type 1 diabetes mellitus
Diabetes mellitus als gevolg van de afbraak van insulineproducerende cellen (beta-cellen) van de alvleesklier (pancreas), waardoor een absoluut insulinetekort ontstaat. Zonder toediening van insuline treedt een levensbedreigende situatie op. Bij westerlingen is er meestal sprake van een autoimmuunproces.
Type 2 diabetes mellitus
Diabetes mellitus als gevolg van stoornissen in de insulinesecretie en/of het niet optimaal benutten van de aanwezige insuline door weefsels (insulineresistentie).
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.