Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Heupfractuur
Het letsel, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Welke factoren beïnvloeden de kans op heupfracturen?

Heupfracturen vooral bij vrouwen

De belangrijkste risicofactoren van heupfracturen staan in tabel 1. De kans op een heupfractuur hangt nauw samen met de leeftijd en met de aanwezigheid van osteoporose. Heupfracturen komen vooral voor bij vrouwen. Dit is gedeeltelijk te verklaren door de hogere levensverwachting, maar ook door de gemiddeld lagere botdichtheid bij vrouwen (De Laet et al., 1997).

Tabel 1: Risicofactoren voor het optreden van heupfracturen

Risicofactoren

Bewijslast

Hoge(re) leeftijd

Vrouw zijn

Lage botmineraaldichtheid

Algemene gezondheidstoestand

Ondergewicht (BMI <19)

Gebruik van kalmerende middelen

Evenwichtsproblemen en valfrequentie

Fracturen in het verleden

Verminderd gezichtsvermogen

Verblijf in een verpleeghuis

Gebruik van hulpmiddelen bij het lopen

Heupfracturen in de familieanamnese

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Hoger risico op heupfractuur bij lage botmassa

Botmineraaldichtheid heeft een voorspellende waarde voor het optreden van heupfracturen. Volgens de richtlijn osteoporose is de situatie normaal als de botmineraaldichtheid niet meer dan 1 standaarddeviatie (SD) lager is dan de gemiddelde dichtheid (de piekbotdichtheid) bij jongvolwassen (tussen de 20 en 30 jaar) vrouwen. Deskundigen schatten in dat elke SD-daling van de botdichtheid het risico op een heupfractuur tweemaal verhoogt (CBO, 2002a). De hoogte van het genoemde risico is afhankelijk van het lichaamsdeel waar de meting is verricht. Botdichtheid van de heup voorspelt bijvoorbeeld een hoger risico dan de botdichtheid van de lumbale wervelkolom; een risico van respectievelijk 2,6 versus 1,6 (CBO, 2002a; Cummings, 1996).

Ondergewicht verhoogt het risico op heupfracturen

Van de overige determinanten zijn de belangrijkste ondergewicht (BMI <19), de algemene gezondheidstoestand, het gebruik van psychotrope medicatie (hypnotica, tranquillizers, langwerkende benzodiazepinen, antidepressiva, sedativa, neuroleptica en antipsychotica), evenwichtsproblemen en valfrequentie, heupfracturen in de familieanamnese, fracturen in het verleden (vooral na het 50e levensjaar), verminderd gezichtsvermogen, verblijf in een verpleeghuis en verminderde mobiliteit (Melton, 1993; Cummings & Nevitt, 1994; Lord et al., 1994; Cummings et al., 1995; Dargent-Molina et al., 1996; CBO, 2002a). Aanvullend op de genoemde risicofactoren geldt dat gewrichtsaandoeningen (artrose) en urine-incontinentie risicofactoren zijn voor vallen (CBO, 2004c). En omdat aan 90% van de heupfracturen een val voorafgaat, zijn deze factoren ook voor heupfracturen van toepassing. Voor het inschatten van het risico voor de individuele patiënt wordt een model aangereikt in de richtlijn osteoporose. Met behulp van dat model wordt het absolute risico van individuele patiënten op middellange termijn (10 jaar) voorspeld (zie bijlage 5 van CBO, 2002a).

Diverse interventies mogelijk

De effectiviteit is aangetoond voor zowel interventies die het risico op vallen bij ouderen verminderen als voor interventies die specifiek ontwikkeld zijn om het risico op letsels (waaronder heupfracturen) na een val bij ouderen te verminderen. Voor beide interventies geldt dat deze op meerdere factoren ingrijpen. De effectiviteit is groter dan wanneer bijvoorbeeld alleen risico’s in huis verminderd worden. Een interventie die bestaat uit een combinatie van het aanpassen van de gebruikte medicijnen, oefeningen voor het verbeteren van de lichamelijke activiteit, en instructies en informatie voor het vermijden van risicosituaties is een voorbeeld van een interventie die op meerdere factoren tegelijk ingrijpt (Gillespie et al., 2003; McClure et al., 2005).

Heupbeschermers in praktijk niet effectief

Heupbeschermers lijken niet effectief in het voorkomen van heupfracturen. Ook leiden heupbeschermers niet tot lagere kosten voor een heupfractuur en de bijbehorende revalidatie. Het dragen van externe heupbeschermers leek enkele jaren geleden een veelbelovende ontwikkeling in de preventie van heupfracturen (Parker et al., 2001). In theorie geldt dat wanneer iemand op zijn heup valt, de heupbeschermer een deel van de energie absorbeert en/of energie wegleidt naar de zachte weefsels. Vooral het type harde heupbeschermers blijkt effectief te zijn, maar ook van het type zachte heupbeschermers is recentelijk aangetoond dat het de impact op de heup na een val vermindert en dus een kleiner risico op een fractuur geeft. In de praktijk zijn de verwachte resultaten echter uitgebleven. De belangrijkste reden daarvan is dat niemand ’s nachts de heupbeschermers draagt, terwijl tijdens nachtelijke toiletbezoeken een verhoogd valrisico bestaat (therapietrouw moet niet alleen overdag worden gemeten; Van Schoor, 2003).

Preventie van osteoporose van belang

Osteoporose is een toestand met een verhoogde breekbaarheid van de botten; de heupfractuur is de meest ernstige klinische manifestatie van deze toestand, maar ook andere fracturen kunnen tot een aanzienlijke morbiditeit leiden. Om het aantal fracturen te verminderen is preventie van osteoporose dus belangrijk. Thiazide diuretica werken in tegenstelling tot andere diuretica beschermend op het ontstaan van heupfracturen, omdat ze ervoor zorgen dat er minder calcium via de urine wordt uitgescheiden en daardoor osteoporose tegengaan (Schoofs et al., 2003).

Suppletie calcium en bisfosfonaten om botafbraak tegen te gaan

Huisartsen en specialisten schrijven voor personen met een hoog risico op fracturen onder andere calcium en bisfosfonaten voor. De risicogroepen waar suppletie wordt aanbevolen staan opgenomen in de richtlijn osteoporose (CBO, 2002a). Ten aanzien van hormoonsuppletie (bijvoorbeeld oestrogenen) is een sterk restrictief beleid ontstaan sinds de resultaten van een internationale studie laten zien dat er netto geen gezondheidswinst optreedt na het toedienen van oestrogenen bij vrouwen na de menopauze (Anderson et al., 2004). Leeftijd (oftewel leeftijdsgebonden determinanten) is een belangrijkere risicofactor voor heupfracturen dan de leeftijdsafhankelijke daling van de botdichtheid (De Laet et al., 1997). Een behandeling gericht op een toename van de botdichtheid pakt het probleem dus slechts gedeeltelijk aan. Preventie moet daarom ook gericht zijn op andere factoren en niet alleen op botsterkte gerelateerde factoren. Vooral programma’s die ingrijpen op leeftijdsgebonden determinanten zijn geschikt om aan te bieden. Op de website ‘Kennisnetwerk Valpreventie’ staat een overzicht van preventieprojecten gericht op valpreventie bij senioren, waaronder bijvoorbeeld een programma dat gericht is op gezond bewegen.

Zie ook: Preventie gericht op ouderen

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Anderson GL, Limacher M, Assaf AR, Bassford T, et al.Effects of conjugated equine estrogen in postmenopausal women with hysterectomy: the Women's Health Initiative randomized controlled trial. For the Women's Health Initiative Steering Committee. JAMA, 2004; 291(14): 1701-12.
  • CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg. Osteoporose: Tweede Herziene Richtlijn. Utrecht: CBO,2002a.
  • CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg. Richtlijn preventie van valincidenten bij ouderen. Utrecht: CBO,2004c.
  • Cummings SR, Nevitt MC, Browner WS, et al.Risk factors for hip fracture in white women. Study of Osteoporotic Fractures Research Group. N Engl J Med 1995; 332: 767-773.
  • Cummings SR, Nevitt MC.Non-skeletal determinants of fractures: the potential importance of the mechanics of falls. Study of Osteoporotic Fractures Research Group. Osteoporos Int 1994; 1: 67-70.
  • Cummings SR.Treatable and untreatable risk factors for hip fracture. Bone 1996; 18 (Supl. 3): 165S-167S.
  • Dargent-Molina P, Favier F, Grandjean H, Baudoin C, Schot AM, Hausherr E, et al.Fall related factors and risk of hip fracture: the EPIDOS prospective study. Lancet, 1996; 348: 145-9.
  • Gillespie LD, Gillespie WJ, Robertson MC, Lamb SE, Cumming RG, Rowe BH. Interventions for preventing falls in elderly people. Cochrane Database of Systematic Reviews,2003; 4 (CD000340).
  • Laet CEDH de, Hout BA van, Burger H, Hofman A, Pols HAP.Bone density and risk of hip fracture in men and women: cross sectional analysis. BMJ 1997; 315: 221-225.
  • Lord SR, Sambrook PN, Gilbert C, et al.Postural stability, falls and fractures in the elderly: results from the Dubbo Osteoporosis Epidemiology Study. Med J Aust 1994; 160: 684-685.
  • McClure R, Turner C, Peel N, Spinks A, Eakin E, Hughes K.Population-based interventions for the prevention of fall-related injuries in older people. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2005; (1): CD004441.
  • Melton LJ.Hip fractures: a worldwide problem today and tomorrow (review). Bone 1993; 14 (1): S1-8.
  • Parker MJ, Gillespie LD, Gillespie WJ.Hip protectors for preventing hip fractures in the elderly. Cochrane Database Syst Rev 2001; 2: CD001255.
  • Schoofs MW, Klift M van der, Hofman A, Laet CE de, Herings RM, Stijnen T, et al.Thiazide diuretics and the risk for hip fracture. Ann Intern Med, 2003; 139(6): 476-82.
  • Schoor NM van.Prevention of hip fractures by external hip protectors. Proefschrift. Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam, 2003.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

BMI
Body Mass Index
Maat voor (over)gewicht in kg/(lengte in m2).
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.