Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Artrose
Omvang van het probleem

Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?

Huidige situatie Trends

Huidige situatie

Vaker artrose bij laagopgeleiden

Het percentage mensen met artrose of slijtagereuma is het hoogst in de laagste opleidingscategorie en neemt af naarmate het opleidingsniveau stijgt (zie figuur 1). In de hoogste opleidingscategorie geeft 8,3% van de mensen aan artrose te hebben; in de laagste opleidingscategorie is dat 24,2%. Het opleidingsniveau is hier als indicator gebruikt voor de sociaaleconomische status van mensen (zie ook: Wat is sociaaleconomische status? en Beschrijving opleidingscategorieën). Vanwege het gebruik van verschillende bronnen kunnen de prevalenties van artrose in dit document van het Kompas afwijken van de prevalenties in andere documenten bij het onderwerp artrose.

Opleidingsverschillen vooral bij mannen

Bij mannen komt artrose vaker voor bij laagopgeleiden dan bij hoogopgeleiden. Bij de vrouwen zijn de verschillen niet significant (zie: Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd). Bij 35-49-jarigen zien we ook meer artrose bij laagopgeleiden dan bij hoogopgeleiden, maar bij de andere leeftijdsgroepen zijn de verschillen tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden niet significant.

Figuur 1: Prevalentie van artrose in de Nederlandse populatie van 25 jaar en ouder, naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007)a.

Prevalentie artrose naar opleidingsniveau

a Relative index of inequality (RII), gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht: 1,59 (95%-bi: 1,15-2,20). Betekenis RII > 1: laagopgeleiden meer artrose dan hoogopgeleiden; RII < 1: hoogopgeleiden meer artrose dan laagopgeleiden.


Trends

Verschillen in artrose tussen opleidingsniveaus toegenomen

Het verschil in het voorkomen van artrose tussen de opleidingscategorieën is toegenomen tussen 1990 en 2007 (zie figuur 2). Dit is toe te schrijven aan een sterkere toename van artrose bij lager opgeleiden dan bij hoger opgeleiden. De toename van artrose was tussen 1990 en 2007 voor alle opleidingscategorieën significant (zie ook: Achtergrondgegevens bij trends in sociaaleconomische verschillen).

Figuur 2: Jaarprevalentie van artrose in de periode 1990-2007 naar hoogst voltooid opleidingsniveau (3-jaar voortschrijdend gemiddelde)a; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007)b.

Trend prevalentie artrose naar opleidingsniveau, 1990-2007

a De prevalentiecijfers in figuur 2 zijn 3-jaar voortschrijdende gemiddelden. Het prevalentiecijfer van 2007 uit figuur 2 wijkt daardoor af van het prevalentiecijfer in figuur 1.

b Trend in RII (gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht): 1,02 (95%-bi: 1,01-1,04). Betekenis: RII > 1: toename in opleidingsverschillen in de periode 1990-2007, RII < 1: afname in opleidingsverschillen.

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

bi
Betrouwbaarheidsinterval
RII
Relative index of inequality
De RII is een maat voor de relatie tussen sociaaleconomische positie en gezondheid en geeft de grootte van sociaaleconomische gezondheidsverschillen weer. De index geeft het verschil aan in niveau tussen de laagste en hoogste ses-klasse, waarbij rekening gehouden wordt met de tussenliggende klassen.

Definities

Prevalentie
Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.