Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Influenza
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Wat is influenza en wat is het beloop?

Influenza is een aandoening van de luchtwegen

Influenza (ICD-9-code 487; ICD-10-code J10-11) wordt veroorzaakt door het influenza-A- of B-virus. Het is een acute aandoening van de luchtwegen die met name voorkomt in de koude jaargetijden. In Nederland duren deze epidemische verheffingen gemiddeld twee maanden. De incubatietijd van influenza is één tot drie dagen. Gedurende de eerste week van de ziekte is iemand besmettelijk voor zijn omgeving. De infectie verspreidt zich via virushoudende druppeltjes (aërosolen) die door hoesten en niezen of door direct contact met de zieke worden verspreid.

Influenza kent acuut begin met koorts

Het echte ziektebeeld begint vaak met een stijging van de lichaamstemperatuur tot 40 graden Celsius of hoger die gepaard gaat met koude rillingen. Een influenzapatiënt voelt zich ellendig, heeft hoofd- en spierpijn, hoest en/of heeft pijn achter het borstbeen. De koorts duurt bij ongecompliceerde influenza meestal twee tot vijf dagen. Als de koorts verdwenen is, voelt de patiënt zich vaak nog een paar dagen tot weken niet fit. Gezonde mensen doorstaan influenza binnen 1 à 2 weken zonder restverschijnselen.

Influenza gaat soms gepaard met complicaties

Influenza kan gepaard gaan met de volgende complicaties:

  • Longontsteking (meestal door bijkomende bacteriële infecties, zie ook: Infecties van de onderste luchtwegen).
  • Acute otitis media (middenoorontsteking) bij jonge kinderen.
  • Luchtwegstoornissen zoals kroep (ontsteking van het slijmvlies van strottenhoofd en luchtpijp).
  • Plotselinge verergering van chronische bronchitis, astma en COPD.
  • Spierontsteking (vooral van beenspieren bij kinderen).

Bepaalde complicaties komen meer voor bij sommige groepen

Bepaalde complicaties van influenza komen bij sommige groepen meer voor dan bij andere. Ouderen hebben een verhoogde kans op een permanente vermindering van hun lichamelijke en geestelijke vermogens (Sprenger et al., 1993b). Ook is bij hen de kans op complicaties en een dodelijke afloop sterk verhoogd. Zij overlijden soms aan een secundaire bacteriële longontsteking, maar soms ook zonder dat ze een zichtbare complicatie ontwikkelen. Influenzapatiënten kunnen ook diverse soorten encefalopathie (hersenaandoeningen) ontwikkelen. Meestal genezen deze snel en volledig. Soms echter betreft het een hersenbloeding die blijvende gevolgen kan hebben. Ongeveer éénvijfde van de jonge kinderen die met influenza in een ziekenhuis worden opgenomen, heeft tijdens de koortsperiode convulsies (koortsaanvallen). Zwangere vrouwen lopen een licht verhoogd risico op een ernstige longontsteking. Ook hebben relatief veel influenzapatiënten, of ze nu in het ziekenhuis liggen of thuis verzorgd worden, een abnormaal ECG. Er is dan echter meestal sprake van een onderliggende hartaandoening.

Oorzaak luchtweginfecties niet altijd bekend

Op klinische gronden is het moeilijk om in individuele gevallen een duidelijk onderscheid te maken tussen luchtweginfecties veroorzaakt door influenzavirussen en luchtweginfecties veroorzaakt door andere virussen. In de praktijk wordt daarom vaak de diagnose 'influenza-achtig ziektebeeld' (IAZ) gesteld, dat als volgt is omschreven (Gezondheidsraad, 1996a; LCI, 2003a; Van Essen et al., 2008):

  • Acuut begin: vage klachten begonnen hooguit 3-4 dagen eerder.
  • Lichaamstemperatuur tenminste 38,0 graden Celsius rectaal.
  • Aanwezigheid van tenminste twee van de volgende symptomen: neusverkoudheid, hoest, hoofdpijn, pijn achter borstbeen, spierpijn.

Uit de NIVEL/RIVM-surveillance blijkt dat rond de 30% van de gevallen van IAZ wordt veroorzaakt door het influenzavirus (Dijkstra et al., 2009a).

Influenza is seizoensgebonden

Een influenza-epidemie komt op het noordelijk halfrond eigenlijk alleen voor in de herfst en winter. Het zogenaamde 'influenzaseizoen' loopt van week 40 tot week 20 van het volgende kalenderjaar. Sinds het begin van de registratie (in 1970) zijn influenza-epidemieën begonnen tussen medio november en begin maart. Uitzondering hierop is de epidemie van nieuwe Influenza A (H1N1) die in 2009 al in oktober begon.

Onderscheid in type A en B influenzavirus

Het influenzavirus kent een type A en B. De type-A-virussen kenmerken zich door een grote mate van variatie in hun oppervlakte-eiwitten, het hemagglutinine (H) en het neuraminidase (N). Er bestaan verschillende subtypen. Voorbeelden hiervan zijn H1N1, H1N2 en H3N2. Deze subtypen circuleren niet allemaal tegelijk, maar vaak in begrensde tijdvakken. Type A is wat betreft ziekte-ernst en sterfte belangrijker dan type B. Van het influenza-B-virus bestaan geen subtypen.

Bijna elk jaar epidemie door nieuwe virusvarianten

Het influenzavirus kan bijna elk jaar een grote of kleine epidemie veroorzaken met hetzelfde ziektebeeld bij alle leeftijdsgroepen. Dit komt doordat van tijd tot tijd nieuwe virusvarianten ontstaan door veranderingen in de antigenen op het oppervlak van het virus (antigene drift). Doordat de afweer is gericht tegen oppervlakte-antigenen, omzeilt het virus de immuniteit die in de bevolking door natuurlijke infectie of vaccinatie is opgebouwd. Plotselinge veranderingen in een subtype kunnen ook leiden tot een sterk afwijkende antigeenstructuur (antigene shift). Het influenzavirus kan zich dan op grote schaal verspreiden omdat mensen weinig of geen immunologisch verweer hebben tegen dit geheel of gedeeltelijk vernieuwde virus. Er kan dan een wereldwijde epidemie (pandemie) ontstaan.

Veterinair griepvirus kan leiden tot een pandemie

Een influenzavirus kan worden overgedragen van dier op mens. Het is mogelijk dat een griepvirus dat voorkomt bij dieren zich mengt met een humaan griepvirus, waardoor een nieuw virus ontstaat dat van mens op mens wordt overgedragen. Dit kan een grieppandemie tot gevolg hebben. Voorwaarden voor een pandemisch virus zijn: het virus moet overgedragen worden op de mens, het moet in de mens vermenigvuldigen en ziekte veroorzaken en het moet efficiënt van mens op mens overgedragen worden (zie ook: Preventie: Grieppandemie).

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Dijkstra F, Brandsema P, Van Gageldonk-Lafeber AB, Van der Hoek W. Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2008. RIVM-rapport nr. 210231004. 2009a.
  • Gezondheidsraad.Vaccinatie tegen influenza, seizoen 1996-1997. Den Haag: Gezondheidsraad, 1996a; 13.
  • LCI, Landelijke Coördinatiestructuur Infectieziektebestrijding.Protocol Influenza j10-j11, feb. Bilthoven: LCI, 2003a.
  • Sprenger MJW, Beyer WEP, Kempen BM, Mulder PGH, Masurel N.Risk factors for influenza mortality? In: Hanoun C, et al. (eds.). Options for the control of influenza II. Amsterdam: Elsevier Science Publishers, 1993b.
  • Van Essen GA, Bueving HJ, Voordouw ACG, Berg HF, Van der Laan JR, Van Lidth de Jeude CP, et al.NHG-Standaard Influenza en influenzavaccinatie (Eerste herziening). URL: http: //nhg.artsennet.nl/kenniscentrum/k_richtlijnen/k_nhgstandaarden/NHGStandaard/M35_std.htm Huisarts Wet, 2008; 51(4): bijlage: 1-2.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

ECG
Elektrocardiogram
IAZ
Influenza-achtig ziektebeeld
ICD-10
International Classification of Diseases, tenth revision
ICD-9
International Classification of Diseases, ninth revision
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.11, 28 maart 2013
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.