Op 27 november 2014 wordt de nieuwe site VolksgezondheidEnZorg.info gelanceerd. In deze site worden Nationaal Kompas Volksgezondheid, Nationale Atlas Volksgezondheid, Zorgbalans, Kosten van Ziekten en Zorggegevens geleidelijk samengebracht tot een compleet en overzichtelijk geheel. Op termijn zullen de oude sites verdwijnen.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Astma
Omvang van het probleem

Hoe vaak komt astma voor, hoeveel mensen sterven eraan en neemt dit toe of af?


Prevalentie en incidentie in huisartsenregistraties, sterfte

Op 1 januari 2011 ruim 475.000 patiënten met astma

Op 1 januari 2011 hadden 477.400 mensen astma: 218.400 mannen en 259.000 vrouwen (26,5 per 1.000 mannen en 30,8 per 1.000 vrouwen) (Bron: LINH).

Meer jongens dan meisjes hebben astma, maar op volwassen leeftijd komt astma bij vrouwen vaker voor dan bij mannen. De prevalentie is het hoogst (meer dan 35 per 1.000 personen) bij jongens van 10-14 jaar en bij vrouwen van middelbare leeftijd (40-65 jaar) (zie figuur 1).

In 2011 bij 87.500 mensen astma gediagnosticeerd

In 2011 werden 87.500 mensen met astma gediagnosticeerd: 39.000 mannen en 48.500 vrouwen (4,7 per 1.000 mannen en 5,8 per 1.000 vrouwen) (Bron: LINH). Vóór de puberteit is de incidentie van astma bij jongens hoger dan bij meisjes (zie figuur 2).

Prevalentieschattingen in enquêtes hoger dan in huisartsenregistraties

In enquêtes onder de algemene bevolking worden uiteenlopende prevalenties van astma(klachten) gevonden. Dat komt onder meer doordat er in verschillende studies verschillende vragen worden gesteld en doordat astma(klachten) niet altijd op dezelfde manier worden gedefinieerd. In het algemeen komt men op basis van enquêtes op een hogere schatting van de prevalentie van astma dan op basis van huisartsenregistraties. Daarvoor zijn drie verklaringen:

  • Niet bij alle personen met astmaklachten zijn de klachten zo ernstig dat aan de diagnose astma voldaan wordt.
  • Niet alle patiënten met astma komen bij de huisarts.
  • De huisarts onderkent niet (meteen) alle gevallen van astma.

In 2012 in totaal 71 sterfgevallen door astma

In 2012 overleden in totaal 71 personen aan astma: 26 mannen en 45 vrouwen (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

Zie:

Icoon: detaildocumentAstma: Beschrijving van gebruikte gegevensbronnen

Figuur 1: Puntprevalentie van astma naar leeftijd en geslacht op 1-1-2011 (Bron: LINH; gegevens bewerkt door RIVM).

Puntprevalentie op 1-1-2011 van astma naar leeftijd en geslacht

Figuur 2: Incidentie van astma naar leeftijd en geslacht in 2011 (Bron: LINH; gegevens bewerkt door RIVM).

Incidentie op 1-1-2011 van astma naar leeftijd en geslacht

Naar boven


Prevalentie en incidentie in epidemiologisch onderzoek

Astmatische klachten bij kinderen komen relatief veel voor

Circa 20% van de peuters heeft astmasymptomen. De prevalentie neemt af met de leeftijd tot circa 12% bij kinderen van 6-14 jaar (zie tabel 1). In de meeste gevallen gaat het om incidentele klachten. De percentages met frequente klachten (minstens vier aanvallen van piepen en/of benauwdheid in een jaar, op basis van zelfrapportage door de ouders) zijn veel lager: van circa 5% bij kinderen tot 5 jaar tot 3-4% bij kinderen van 5-14 jaar (zie tabel 1).

Ongeveer 7-10% van de kinderen heeft astma

Astma komt voor bij 7-10% van de kinderen (PIAMA-onderzoek). In de leeftijd van 6 jaar tot de leeftijd van 14 jaar rapporteert circa 7% van de kinderen astma; bij jongere kinderen is de prevalentie hoger (zie tabel 1). Astma was in dit onderzoek gedefinieerd als aanwezigheid van minstens twee van de volgende drie criteria: ooit door een arts astma vastgesteld; in de afgelopen 12 maanden minstens één aanval van piepend ademhalen; in de afgelopen 12 maanden astmamedicijnen voorgeschreven gekregen.

Volgens zelfrapportage kinderen heeft 5-8% astma

Volgens zelfrapportage in het PIAMA onderzoek heeft 5-8% van de kinderen astma. Aan de kinderen is, toen ze 11 jaar en toen ze 14 jaar waren, in een vragenlijst de volgende vraag gesteld: “Wil je bij de volgende ziekten en aandoeningen aankruisen of je die in de afgelopen 12 maanden had en of je er in de afgelopen 12 maanden voor naar de dokter bent geweest?”. Voor astma antwoordde op de leeftijd van 11 jaar 2,4% “ja, maar niet naar de dokter geweest” en 3,3% “ja, en naar de dokter geweest” (in totaal dus 5,7%). Op de leeftijd van 14 jaar waren die percentages respectievelijk 2,8% en 4,7% (in totaal 7,5%).

Van de volwassenen heeft 9% ooit astma gehad

Van de volwassenen in Nederland zegt 8,9% ‘ja’ op de vraag "Heeft u ooit astma gehad?". Deze vraag is in de periode 2007-2013 gesteld aan ruim 146.000 mensen van 20 jaar en ouder die meedoen aan het LifeLines-onderzoek dat wordt uitgevoerd in Noord-Nederland. Onder vrouwen is het percentage dat ooit astma heeft gehad iets hoger dan onder mannen: 9,2% versus 8,5%. Per leeftijdsgroep variëren de prevalenties van 12,8% bij leeftijdsgroep 20-29 jaar tot circa 7% bij mensen boven de 50 jaar (zie tabel 2).

Zie: Icoon: detaildocumentBeschrijving van gebruikte gegevensbronnen

Van de jongvolwassenen had ruim 6-7% in 2012 astma

In de Gezondheidsmonitor die in 2012 werd uitgevoerd onder ruim 380.000 volwassenen rapporteerde 7% van de 20-29-jarigen en 6,1% van de 30-39-jarigen astma. Ongeveer de helft van de mensen met astma gaf aan dat ze in de afgelopen 12 maanden voor hun astma onder behandeling waren van een arts (Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM, 2012). In de Gezondheidsmonitor werd gevraagd "Heeft u (of had u in de afgelopen 12 maanden) astma of COPD (chronische bronchitis, longemfyseem)?". Doordat astma en COPD werden gecombineerd in één vraag, is hieruit niet voor de gehele onderzoeksgroep de prevalentie van astma te schatten. Dat kan wel voor deelnemers jonger dan 40 jaar, omdat COPD vrijwel niet voorkomt bij mensen onder de 40 jaar (Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM, 2012).

Astmasymptomen komen voor bij 11% van de volwassenen.

Deelnemers aan de Doetinchem Cohort Studie (leeftijd 36-75 jaar) werd gevraagd of zij in de afgelopen 12 maanden last hadden van piepen op de borst, terwijl ze niet verkouden waren; of ze ‘s nachts aanvallen van kortademigheid hadden en of ze ooit astma hadden gehad. In de periode 2003-2007 zei 10,5% van de mannen en 11,5% van de vrouwen ‘ja’ op minstens één van deze drie vragen (Blokstra et al., 2010).

Geen grote verschillen tussen regio’s in astmaprevalentie bij jongvolwassenen

Uit de Gezondheidsmonitor die in 2012 werd uitgevoerd onder ruim 380.000 volwassenen, zijn astmaprevalenties beschikbaar voor de 28 verschillende GGD regio’s. Doordat astma en COPD in de gezondheidsmonitor werden gecombineerd in één vraag, kan uit deze cijfers alleen voor jongvolwassenen de prevalentie van astma worden geschat. Bij mensen jonger dan 40 jaar komt COPD namelijk vrijwel niet voor. In de leeftijdsgroep 20-39 jaar waren er geen grote verschillen in astmaprevalentie tussen de GGD-regio’s. In de meeste regio’s (22 van de 28) lag de prevalentie tussen de 5,5% en 7,5% en er waren geen consistente verschillen tussen bijvoorbeeld stedelijke en minder stedelijke regio’s (Gezondheidsmonitor GGD'en, CBS en RIVM, 2012).

Voor regionale verschillen in astma en COPD samen bij volwassenen zie:

Icoon: ZorgatlasChronische klachten aan de luchtwegen

Tabel 1: Prevalentie van astmasymptomen, frequente astmasymptomen en astma, naar leeftijd (Bron: PIAMA-onderzoek).

Jaar

onderzoek

Leeftijd

Astma-

symptomena

(%)

Frequente astma-

symptomenb

(%)

Astmac

(%)

1999-2000

2-3 jaar

22,9

5,5

10,1

2000-2001

3-4 jaar

18,9

4,9

8,6

2001-2002

4-5 jaar

17,6

5,1

8,3

2002-2003

5-6 jaar

14,6

3,5

8,2

2003-2004

6-7 jaar

12,3

2,5

6,7

2004-2005

7-8 jaar

12,9

2,8

7,3

2007-2008

10-11 jaar

12,3

3,7

6,8

2010-2011

13-14 jaar

12,6

4,6

6,9

a In de afgelopen 12 maanden minstens één aanval van piepend ademhalen of één aanval van kortademigheid gehad of astmamedicijnen voorgeschreven gekregen.

b In de afgelopen 12 maanden vier of meer aanvallen van piepend ademhalen of vier of meer aanvallen van kortademigheid gehad.

c Minstens twee van de volgende drie criteria aanwezig: ooit door een arts astma vastgesteld; in de afgelopen 12 maanden minstens één aanval van piepend ademhalen gehad; in de afgelopen 12 maanden astmamedicijnen voorgeschreven gekregen.

Tabel 2: Prevalentie van astma (zelfgerapporteerd) bij volwassenen van 20 jaar en ouder (Bron: Lifelines).

Leeftijdsgroep

(Baseline bezoek)

Ja, op de vraag 'Heeft u ooit astma gehad?' (%)

Aantal deelnemers

20-29 jaar

12,8

18.380

30-39 jaar

10

30.748

40-49 jaar

8,7

51.264

50-59 jaar

7,1

25.583

60-69 jaar

6,5

15.781

70-79 jaar

7,7

3.958

80-89 jaar

6,6

394

Naar boven


Aantal personen met astma sterk gestegen

In de periode 1991-2011 is de puntprevalentie van astma sterk gestegen, vooral bij vrouwen (Bron: CMR-Nijmegen e.o. en RNH). De laatste jaren lijkt dit weer iets te stabiliseren (zie figuur 3). De stijging in prevalentie is ongeveer halverwege de jaren tachtig begonnen, na een periode waarin de prevalentie vrijwel constant bleef (niet in figuur).

Trend voor jongeren fluctueert

De prevalentie steeg in de periode 1984-1997 het sterkst voor 0-14-jarigen en vervolgens voor 15-24-jarigen, maar voor beide leeftijdsgroepen daalde de prevalentie in de periode 1998-2006 licht (zie figuur 4). De laatste jaren lijkt de prevalentie echter ook voor jongeren weer te stijgen. Het is echter nog onduidelijk of dit een werkelijke daling is, of dat dit komt door gewone fluctuaties in de jaarlijkse prevalentie. Dit zal in de toekomst nog moeten blijken.

Grootste deel stijging astma door epidemiologische ontwikkelingen

In de periode 2001-2011 is de prevalentie van astma voor mannen met 46% en voor vrouwen met 57% gestegen. Slechts een klein deel van deze stijging is te verklaren door demografische ontwikkelingen (groei en vergrijzing van de bevolking). Als gevolg van demografische ontwikkelingen is de prevalentie van astma in de periode 2001-2011 voor zowel mannen als vrouwen met ongeveer 4-5% gestegen. Een deel van de stijging is mogelijk te verklaren door veranderingen in het bewustzijn, de herkenning en de diagnostiek van astma. Het grootste deel van de stijging is echter waarschijnlijk te verklaren door epidemiologische ontwikkelingen, zoals verandering in leefstijl en leefomgeving.

Aantal nieuwe gevallen van astma gestegen

De trend in het aantal nieuwe gevallen van astma over de periode 1991-2011 fluctueert en verschilt tussen de verschillende huisartsenregistraties. Zo daalt de incidentie bij de vrouwen in de CMR-Nijmegen vanaf 1991 tot 2007, terwijl in diezelfde periode in de RNH-Limburg de incidentie bij vrouwen stijgt. Al met al is het aantal nieuwe gevallen over de hele periode 1991-2011 gestegen (zie figuur 5).

Geen verandering in de prevalentie van piepen bij kinderen in de periode 2001-2010

In de Westelijke Mijnstreek (Limburg) worden sinds 1989 elke vier jaar vragenlijst-gegevens verzameld over piepend ademhalen bij 8-9-jarige kinderen. De prevalentie van 'piepen in het afgelopen jaar' bij 8-9-jarige kinderen daalde van 13,4% in 1989 naar 9,1% in 2001 (Mommers et al., 2005). In de periode van 2001 tot 2010 werd (met een iets andere vraagstelling) bij 8-11-jarige kinderen geen verdere daling gevonden; de prevalenties waren 7,2% in 2001, 8,2% in 2005 en 6,0% in 2010 (De Korte-de Boer et al., 2014).

Behalve deze gegevens uit Limburg, zijn er in Nederland geen recente gegevens uit epidemiologisch onderzoek beschikbaar over trends in astma(symptomen) bij kinderen. Ook voor volwassenen zijn er geen gegevens uit epidemiologisch onderzoek beschikbaar over trends in astma(symptomen).

Veranderingen in leefstijl mogelijke verklaring voor stijging in jaren negentig

De oorzaak van de wereldwijde stijging in de prevalentie van astma die in de jaren tachtig en negentig werd gesignaleerd, is nog steeds onderwerp van discussie. De stijging kan waarschijnlijk deels worden verklaard door een toegenomen bewustzijn van astma bij artsen en patiënten. Een ander deel van de stijging wordt toegeschreven aan veranderingen in leefstijl die gepaard gaan met een toenemende welvaart, zoals veranderingen in voeding, veranderingen in de leefomgeving en het doormaken van minder infecties (Matricardi, 2001; Nowak et al., 1996; Cook & Strachan, 1997; GR, Gezondheidsraad, 2003c). Zo zijn er aanwijzingen dat er in het voormalig Oost-Duitsland vooral bij kinderen die na de hereniging zijn geboren, een toename in de prevalentie van astmasymptomen en in de prevalentie van verhoogd specifiek IgE (atopie) plaatsvond (Heinrich et al., 2002).

Mogelijk ook toename astma als gevolg van westerse invloeden

Er zijn ook aanwijzingen dat astma toeneemt wanneer populaties waarin astma vrijwel niet voorkomt, blootgesteld worden aan westerse invloeden (Von Mutius, 1998). Een factor die daarbij mogelijk een rol speelt, is verandering in de (diversiteit van) microbiële blootstellingen in de leefomgeving (Prescott, 2013). Men veronderstelt dat deze welvaartsfactoren vooral een rol spelen rond de geboorte. Dit zou verklaren waarom de stijging vooral bij kinderen optrad. Het huidige onderzoek richt zich dan ook onder meer op prenatale factoren, zoals overgewicht, voeding, vitamine D-status en medicijngebruik van de moeder tijdens de zwangerschap. Daarnaast richt het onderzoek zich ook op factoren in de vroege kindertijd, zoals geboorte via een keizersnee en de invloed daarvan op de darmflora van het kind en hoge pre- en postnatale gewichtstoename (Sears, 2014).

Figuur 3: Puntprevalentie van astma in de periode 1991-2011 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2010 en geïndexeerd (1992 is 100) (Bron: CMR-Nijmegen e.o. en RNH).

Puntprevalentie van astma in de periode 1991-2011

Figuur 4: Jaarprevalentie van astma in de periode 1971-2011 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde) naar leeftijd; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1972 is 100) (Bron: CMR-Nijmegen e.o.).

Jaarprevalentie van astma in de periode 1971-2011

Figuur 5: Incidentie van astma in de periode 1991-2011 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2010 en geïndexeerd (1992 is 100) (Bron: CMR-Nijmegen e.o. en RNH).

Incidentie van astma in de periode 1991-2011

Vergrijzing geen effect op aantal patiënten met astma

Uitgaande van alleen demografische ontwikkelingen zal het absoluut aantal personen met astma tussen 2011 en 2030 met 3% stijgen. Dit is laag ten opzichte van de ouderdomsziekten die, naar verwachting, met 30-50% zullen toenemen. Zo zal het aantal patiënten met COPD in deze periode met 39% stijgen. Astma is een ziekte die met name bij kinderen en jongvolwassenen voorkomt en minder bij ouderen. De vergrijzing heeft dus geen invloed op het aantal patiënten met astma.

Zie ook:

Icoon: detaildocumentBeschrijving van gebruikte gegevensbronnen

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

COPD
Chronic Obstructive Pulmonary Disease
LINH
Landelijk informatienetwerk huisartsenzorg
URL: http://www.linh.nl
PIAMA
Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie
Zie ook: https://bronnen.zorggegevens.nl/Bron?naam=Preventie-en-Incidentie-van-Astma-en-Mijt-Allergie-geboortecohort
RNH
Registratienet Huisartsenpraktijken
Registratienet Huisartsenpraktijken.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.17, 23 juni 2014
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.