Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Astma
Omvang van het probleem

Hoe vaak komt astma voor en hoeveel mensen sterven eraan?


Prevalentie en incidentie in huisartsenregistraties

Prevalentie

Ruim 500.000 patiënten met astma in 2003

In 2003 hadden 519.800 mensen astma: 236.800 mannen en 283.000 vrouwen (29,5 per 1.000 mannen en 34,5 per 1.000 vrouwen). Deze schatting van de jaarprevalentie is gebaseerd op vijf huisartsenregistraties (zie: Icoon: Interne link naar documentAchtergronden en details bij cijfers uit de huisartsenregistraties).

Astma komt bij vrouwen vaker voor dan bij mannen, behalve op jonge leeftijd, daar komt het vaker voor bij jongens dan bij meisjes. De prevalentie is het hoogst bij 0-9-jarige jongens (zie figuur 1).

Figuur 1. Jaarprevalentie van astma naar leeftijd en geslacht in 2003 op basis van vijf huisartsenregistraties (zie Icoon: Interne link naar documentPrevalentie naar leeftijd en geslacht).

Prevalentie van astma naar leeftijd en geslacht in 2003

Incidentie

In 2003 bij 117.300 mensen astma gediagnosticeerd

In 2003 werden 117.300 mensen met astma gediagnosticeerd: 52.600 mannen en 64.700 vrouwen (6,5 per 1.000 mannen en 7,9 per 1.000 vrouwen). Op (zeer) jonge leeftijd is de incidentie van astma bij jongens hoger dan bij meisjes (zie: Icoon: Interne link naar documentIncidentie naar leeftijd en geslacht).

Niet iedereen met luchtwegklachten heeft astma

Op basis van het aantal patiënten dat geregistreerd is in huisartsenregistraties komt men op een lagere schatting van astma dan op basis van het aantal personen dat klachten ondervindt volgens bevolkingsonderzoek. Daarvoor zijn drie verklaringen:

  • Bij niet alle personen zijn de klachten zo ernstig dat aan de diagnose astma voldaan wordt.
  • Niet alle patiënten met astma komen bij de huisarts.
  • De huisarts onderkent niet (meteen) alle gevallen van astma.
  • Mensen interpreteren hun eventuele luchtwegklachten verschillend en noemen de klachten niet altijd astma.

Meer recente gegevens beschikbaar

Recentere gegevens naar leeftijd en geslacht zijn te vinden in: Icoon: detaildocumentIncidentie, prevalentie en sterfte.


Prevalentie en incidentie in epidemiologisch onderzoek

Astmatische klachten bij kinderen komen relatief veel voor

Van de kinderen van twee tot vijftien jaar heeft 4-12% last van kortademigheid en 5-20% heeft last van piepen op de borst. Dit blijkt uit een aantal studies uitgevoerd tussen 1992-2001 (Janssen et al., 1994; Van der Wal & Rijcken, 1995, Tabak & Smit, 2002, Mommers et al., 2005). Met de leeftijd neemt de prevalentie van piepen op de borst af, terwijl de prevalentie van kortademigheid ongeveer constant blijft. Het percentage hoesters neemt af na de leeftijd van twee jaar. Veel jonge kinderen hoesten, maar ontwikkelen geen astma. Daarentegen is hoesten wel een symptoom dat veel voorkomt bij astmatische kinderen (Okkes et al., 1998).

Ongeveer 4-7% van de kinderen heeft astma

Ongeveer 4-7% van de kinderen van nul tot twaalf jaar heeft astma (zie tabel 1). Dit kan worden geconcludeerd uit de ISAAC-II studie en het PIAMA-onderzoek (Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie). Beide studies vonden plaats in de algemene bevolking. De ISAAC-studie is een cross-sectionele studie, het PIAMA-onderzoek is een longitudinale studie.

In PIAMA is de astma gedefinieerd als: 'ja' op de volgende twee vragen 'is bij uw kind ooit door een arts astma vastgesteld?' en 'heeft uw kind in de afgelopen 12 maanden astma gehad?'

In ISAAC is astma gedefinieerd als 'piepen op de borst in de afgelopen 12 maanden (gerapporteerd) en luchtwegovergevoeligheid (gemeten)'.

Inhalatie-allergie komt veel voor bij kinderen

Aanwijzingen voor atopie (gedefinieerd als een positieve huidpriktest en/of verhoogd specifiek IgE voor 1 of meer inhalatie-allergenen) zijn aanwezig bij 28-33% van de 7-12 jarige kinderen (De Meer, 2001, Van Vliet et al., 1999, Aarts et al., 1999). Van de 4-5-jarige kinderen heeft 9-14% een inhalatie-allergie. Deze kinderen zijn vooral allergisch voor huisstofmijt. Een allergie voor huisstofmijt komt bij eenjarige kinderen nog niet vaak voor, namelijk bij minder dan 1% van de kinderen. Bij deze jonge kinderen wordt vaker (0,8-1,8%) een kat- of hondallergie gevonden (De Jong et al., 1998, De Jong et al., 2002b, Brunekreef et al., 2002).

Veel volwassenen met luchtwegklachten

Uit twee Nederlandse studies bleek dat de prevalentie van astmasymptomen, zoals kortademigheid en piepen op de borst, 14-18% was en de prevalentie van 'ooit astma gehad' 3-5%. Beide studies zijn uitgevoerd bij volwassenen in de algemene bevolking (ELON-onderzoek en MORGEN-project). De gegevens dateren echter uit 1992 (ELON) en 1993-1997 (MORGEN). Recentere gegevens zijn niet beschikbaar. Andere studies zoals de POLS, gezondheid en welzijn en de patiënten-enquête van de Tweede Nationale Studie: patiëntenquête geven geen bruikbare gegevens over de prevalentie van astma omdat wordt gevraagd naar de aanwezigheid van 'astma, chronische bronchitis, longemfyseem of CARA'. Zo kan geen onderscheid worden gemaakt tussen astma en COPD.

Vooral bij ouderen vaak een verminderde longfunctie en hyperreactiviteit

De prevalentie van een verminderde longfunctie nam in het ELON-onderzoek toe met de leeftijd en was bij mannen boven de vijftig jaar duidelijk hoger dan bij vrouwen. De prevalentie van bronchiale hyperreactiviteit nam eerst af met de leeftijd en na 40-49-jarige leeftijd weer toe.

Veel mensen hebben inhalatie-allergie

In het ELON-onderzoek kon bij een groot deel van de bevolking een inhalatie-allergie worden aangetoond: bij ongeveer de helft van de 20-29-jarigen en bij een kwart van de 60-69-jarigen. Stoffen waarvoor men vaak allergisch was, waren huisstofmijt (25%), timotheegras (17%), berk (12%), en kat (7%).

Tabel 1: Prevalenties van astma bij Nederlandse kinderen in twee verschillende soorten studies: ISAAC-studie en PIAMA-onderzoek.

studie

astma-diagnose

aantal deelnemers

leeftijd

onderzoeksjaar

prevalentie (%)

PIAMA

gerapporteerde klachten

3.170

0-1

1-2

2-3

3-4

4-5

1997-98

1998-99

1999-00

2000-01

2001-02

5,7

4,4

4,1

4,1

3,9

ISAAC

gerapporteerde klachten + gemeten overgevoeligheid

1.098

8-12

1997-98

7,2

Naar boven


Ziekenhuisopnamen en sterfte

Ziekenhuisopnamen

Voor astma 6.410 ziekenhuisopnamen in 2004

In 2004 hebben 6.410 ziekenhuisopnamen met astma (ICD-9 code 493) als hoofdontslagdiagnose plaatsgevonden: 3.118 opnamen voor mannen en 3.292 voor vrouwen. Een ziekenhuisopname kan nodig zijn bij zeer ernstige astmatische aanvallen, waarbij de patiënt onvoldoende op medicatie reageert. Daarbij worden medicijnen toegediend, vaak via een infuus of verneveling, en zonodig zuurstof.

Meer recente gegevens beschikbaar

In de VTV 2010 zijn recentere gegevens gepresenteerd; zie: Icoon: Interne link naar documentIncidentie, prevalentie en sterfte naar leeftijd en geslacht in 2007.

Sterfte

76 sterfgevallen door astma in 2004

In 2004 stierven 33 mannen en 43 vrouwen (0,4 per 100.000 mannen en 0, 5 per 100.000 vrouwen) aan astma (CBS Doodsoorzakenstatistiek).

Zie voor meer informatie:

Icoon: detaildocumentBeschrijving van gebruikte gegevensbronnen

Icoon: detaildocumentAchtergronden en details bij cijfers over astma uit huisartsenregistraties

Icoon: detaildocumentPrevalentie, incidentie, ziekenhuisopnamen en sterfte naar leeftijd en geslacht (periode 2003-2004)

Naar boven


Algemeen over bronnen

Er zijn verschillende gegevensbronnen beschikbaar die informatie geven over hoeveel mensen astma hebben en hoeveel nieuwe astmapatiënten er jaarlijks bijkomen:

  • Huisartsenregistraties: dit levert een schatting op van het aantal mensen dat jaarlijks bij de huisarts komt.
  • Epidemiologisch onderzoek in de algemene bevolking op basis van vragenlijsten: in studies in de algemene bevolking stelt men vaak de vraag of de respondenten astma hebben. Dit levert in het algemeen hogere prevalenties op dan de prevalenties uit huisartsenregistratie.
  • Epidemiologisch onderzoek waarbij men astma definieert op grond van een combinatie van klachten, symptomen en zo mogelijk objectieve metingen. Men geeft hier de voorkeur aan boven astma gebaseerd op alleen klachten omdat respondenten onderling kunnen verschillen in de manier waarop ze hun luchtwegklachten interpreteren en al dan niet als astma benoemen. De verschijnselen die men als meest kenmerkend voor astma beschouwt, zijn episoden van piepen op de borst en door meting vastgestelde luchtwegovergevoeligheid. Daarnaast meet men vaak de aanwezigheid van inhalatie-allergie (een positieve huidpriktest en/of verhoogd specifiek IgE voor 1 of meer inhalatie-allergenen).

Bij de beoordeling van de prevalentie en incidentie van astma moet bij jonge kinderen en bij oudere patiënten rekening worden gehouden met onzekerheid:

  • Bij kinderen jonger dan vijf jaar kan men zelden met zekerheid vaststellen of er sprake is van astma. Dit komt onder andere door de longfunctiemetingen die jonge kinderen niet kunnen uitvoeren en de symptomen die ze hebben (zie Diagnostiek van astma). In veel studies bij jonge kinderen definieert men astma als een combinatie van symptomen met klinische diagnose.
  • Bij oudere patiënten en met name bij rokende ouderen, komt ook relatief veel COPD voor (zie: Wat is COPD en wat is het beloop?). Hoewel de onderliggende ziekteprocessen bij astma en COPD van elkaar verschillen, kan bij patiënten boven de veertig jaar een aanzienlijke overlap tussen astma- en COPD-symptomen bestaan. Door de mogelijk gelijktijdige aanwezigheid van astma en COPD kan men in deze leeftijdsgroep lang niet altijd vaststellen of klachten en symptomen het gevolg zijn van astma of van COPD (zie ook Icoon: Interne link naar documentDiagnostiek van astma).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Aarts FJH, Vliet PHN van, Janssen NAH, Harssema H, Brunekreef B.Nader onderzoek naar effecten van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging op de luchtwegen van kinderen wonend nabij snelwegen (luchtweg 2). EOH-rapport nr. 1999-486. Wageningen: Environmental and Occupational Health Group, 1999.
  • Brunekreef B, Smit J, Jongste J de, Neijens H, Gerritsen J, Postma D, et al.The prevention and incidence of asthma and mite allergy (PIAMA) birth cohort study: design and first results. Pediatr Allergy Immunol, 2002; 13(15): 55-60.
  • Janssen NAH, Zock PJ, Brunekreef B, Groot B, Rijcken B.Prevalentie van luchtwegklachten bij basisschoolkinderen in Nederland. Tijdschr Soc Gezondheidsz 1994; 72: 3-8.
  • Jong MH de, Scharp-van der Linden VTM, Aalberse R, Heymans HS, Brunekreef B.The effect of brief neonatal exposure to cows' milk on atopic symptoms up to age 5. Arch. Dis. Child, 2002b; 86: 365-369.
  • Jong MH de, Scharp-van der Linden VTM, Aalberse RC, Oosting J, Tijssen JG, Groot CJ de.Randomised controlled trial of brief neonatal exposure on cows' milk on the development of atopy. Arch Dis Child, 1998; 79: 126-130.
  • Meer G de.Prevalentie van allergie en astma bij kinderen van 7-12 jaar; resultaten van projecten ISAAC-2 en Schiphol. Utrecht: Institute for Risk Assessment Sciences, 2001.
  • Mommers M, Gielkens-Sijstermans C, Swaen GMH, Schayk CP van.Trends in the prevalence of respiratory symptoms and treatment in Dutch children over a 12 year period: results of the fourth consecutive survey. Thorax, 2005; 60: 97-99.
  • Okkes IM, Oskam SK, Lamberts H.Van klacht naar diagnose. Episodegegevens uit de huisartspraktijk. Met cd-rom. Bussum: Uitgeverij Coutinho, 1998.
  • Tabak C, Smit HA. De morbiditeit van astma en COPD in Nederland; leemtes in kennis gevuld. RIVM-rapport nr. 260855005. Bilthoven: RIVM,2002.
  • Vliet PHN van, Aarts FJH, Janssen NAH, Brunekreef B, Fischer PH, Wiechen CMAG van. Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol. RIVM-rapport nr. 441520014; EOH rapport nr 1999-484. Wageningen/Bilthoven: Environmental and Occupational Health Group/RIVM,1999.
  • Wal MF van der, Rijcken B.Astmatische klachten bij autochtone en allochtone kinderen van 2-11 jaar in Amsterdam. Tijdschr Soc Gezondheidsz 1995: 42-50.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

ICD
International Classification of Diseases
Internationale classificatie van ziekten.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.15, 20 maart 2014
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.