Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Astma
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt

Astma: Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?

Diagnostiek Behandeling

Diagnostiek

Volwassenen

De (huis)arts stelt de diagnose astma op basis van de anamnese, lichamelijk onderzoek (beluisteren van de longen) en aanvullend onderzoek.

  • Bij de anamnese vraagt de arts onder andere naar klachten over hoesten, kortademigheid, hyperreactiviteit en allergie.
  • Bij het aanvullend onderzoek meet de arts de longfunctie met een piekstroommeter of spirometer. Vaak wordt een reversibiliteitstest verricht. Bij een reversibiliteitstest wordt de longfunctie bepaald voor en na toediening van een zogenaamde bronchusverwijder. Als de longfunctie na toediening van de bronchusverwijder verbetert, is er waarschijnlijk sprake van astma. Een reversibiliteitstest is ook een methode om astma van COPD te onderscheiden; bij COPD zal de longfunctie of de FEV1 na toediening niet verbeteren.
  • Om te bepalen of er sprake is van een allergie, verricht de arts een allergietest (een RAST-test of een huidpriktest). Bij verergering van de klachten in een vochtige of stoffige omgeving kan er sprake zijn van een huisstofmijtallergie, in voorjaar of zomer van allergie voor boom- of graspollen, bij contact met dieren van allergie voor deze dieren (katten, honden, knaagdieren, paarden etc).

Kinderen

Bij kinderen jonger dan 5 jaar kan de arts zelden met zekerheid vaststellen of er sprake is van astma. Dat komt onder andere doordat deze jonge kinderen de longfunctietesten die bij oudere kinderen en volwassenen worden gebruikt om astma vast te stellen niet of moeilijk kunnen uitvoeren. Daarnaast hebben juist jonge kinderen relatief vaak -in samenhang met virale luchtweginfecties - luchtwegklachten, zoals piepende ademhaling en hoesten, die niet te onderscheiden zijn van zich ontwikkelend astma. Daarom is de diagnose astma bij kinderen jonger dan 5 jaar vaak een klinische diagnose gebaseerd op de aanwezigheid van recidiverend hoesten, piepen, kortademigheid en 'volzitten'. Deze laatste klacht komt voornamelijk in het 1e levensjaar voor.

Naar boven


Behandeling

De behandeling van astma is gericht op zo min mogelijk (geen) klachten, een acceptabele nachtrust en normale dagelijkse activiteiten. Daarnaast streeft men naar het bereiken of behouden van een optimale longfunctie en probeert men exacerbaties te voorkomen of tijdig te behandelen (Geijer et al., 2001). Tabel 1 geeft de verschillende behandelingsmogelijkheden weer. De behandeling bestaat uit een combinatie van medicamenteuze en niet-medicamenteuze therapie:

  • niet-medicamenteuze behandeling:
    • roken door de patiënt zelf en door anderen in de omgeving van patiënt moet strikt worden vermeden.
    • saneren bij allergie voor huisstofmijt of andere binnenshuis voorkomende allergenen, daarnaast raadt men af (harige) huisdieren te houden als de patiënt een allergie heeft.
    • volledig uitvoeren van de vaccinatieprogramma’s op de kinderleeftijd en vaccinatie van astma-patiënten tegen influenza (en onder bijzondere omstandigheden tegen pneumokokkeninfectie).
    • fysiotherapie van de borstkas
  • medicamenteuze behandeling: afhankelijk van de klachten en de onderliggende mechanismen, wordt een medicamenteuze behandeling ingesteld. Men stelt de medicatie af in de laagst effectieve dosering met de minste bijwerkingen. In de praktijk wordt nogal eens met een combinatie van meer medicamenten gewerkt.
    • ontstekingsremmende medicijnen voor een preventieve behandeling;
    • medicijnen om een allergische reactie te voorkomen;
    • kortwerkende en langwerkende luchtwegverwijders voor symptomatische therapie;
    • antibiotica of chemotherapeutica bij het optreden van complicaties zoals bacteriële luchtweginfecties.
    • bij kinderen gaat de voorkeur uit naar inhalatietherapie in plaats van orale toediening. Als onderhoudstherapie noodzakelijk is, gaat de voorkeur uit naar inhalatiecorticosteroïden in de laagst effectieve dosis.

In de meeste gevallen zal de huisarts patiënten met astma behandelen. Bij problemen of bij ernstiger astma verwijst de huisarts de patiënt door naar de longarts of de kinder(long)arts (zie ook Welke zorg gebruiken patiënten?).

Tabel 1: Overzicht van belangrijke vormen van behandeling.

Behandeling

Beoogd effect

luchtwegverwijders

symptomatische therapie door verminderen van de luchtwegobstructie

inhalatie-corticosteroïden

preventieve behandeling door ontstekingsremming

cromoglycaat en inhalatie-corticosteroïden

voorkoming van allergische reacties

antibiotica of chemotherapeutica

behandeling van bacteriële luchtweginfecties

Niet-medicamenteuze behandeling

Beoogd effect

niet roken door de patiënt zelf of door anderen in de omgeving van de patiënt

vermindering van blootstelling

voorlichting aan en educatie van patiënt

vermindering van blootstelling en goed gebruik van medicijnen

saneren bij allergie voor huisstofmijt of andere binnenshuis voorkomende allergenen

vermijden van uitlokkende factoren

vaccinatie: kinderziekten, influenza, pneumokokken (in bijzondere omstandigheden)

preventie van luchtweginfecties

fysiotherapie

verlichting bij de ‘volzittende’ patiënt die zelf niet (meer) goed kan ophoesten en bij de oudere patiënt met een slechte ademtechniek

reactiveringsprogramma’s

doorbreken van de inactiviteit en de patiënt leren maximaal gebruik te maken van zijn mogelijkheden

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Geijer RMM, Hensbergen W van, Bottema BJAM, Schayck CP van, Sachs APE, Smeele IJM, et al.NHG-Standaard Astma bij volwassenen: Behandeling. Huisarts Wet, 2001; 44(4): 153-64.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.