Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Astma
Omvang van het probleem

Beschrijving van gebruikte gegevensbronnen

Epidemiologisch bevolkingsonderzoek

Amsterdams onderzoek onder kinderen van 2-15 jaar

In Amsterdam werd in 1992/1993 door middel van een vragenlijstonderzoek (de zogenaamde WHO-vragenlijst) onder ouders/verzorgers van 1.829 kleuters van 2-4 jaar (869 autochtone en 960 allochtone) en 3.354 basisschoolkinderen van 5-11 jaar (1.649 autochtone en 1.705 allochtone) de prevalentie van astma en astma-achtige symptomen bij kinderen bepaald. De vragenlijst werd afgenomen tijdens het bezoek van de kinderen aan het periodiek gezondheidsonderzoek (PGO). Dezelfde vragenlijst is op school afgenomen bij 1.128 LBO- en MAVO-leerlingen van 14-15 jaar (Van der Wal & Pauw-Plomp, 1994a).

Landelijk onderzoek onder kinderen van 3-12 jaar

In een landelijk onderzoek in 1992 naar het vóórkomen van chronische luchtwegklachten bij schoolkinderen van 3-12 jaar (Janssen et al., 1994) vulden de ouders/verzorgers vragenlijsten over luchtwegsymptomen in (de WHO-vragenlijst en de Regio-vragenlijst). De vragenlijsten waren ingevuld door ouders van 15.967 kinderen afkomstig van 152 scholen, verspreid over alle provincies en Amsterdam, Rotterdam en Den Haag.

Geboortecohort: PIAMA-onderzoek

Het Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie (PIAMA) onderzoek is een geboortecohortstudie onder kinderen uit de algemene bevolking in Nederland. Het PIAMA-onderzoek bestaat uit twee delen: een interventiestudie en een natuurlijk beloop studie. De selectie van het geboortecohort vond plaats in 1996 en 1997. De baseline populatie bestond uit 4.146 kinderen (1.327 hoogrisico en 2.819 laagrisico kinderen). Informatie over demografische factoren, gezondheid van het kind en risicofactoren voor astma werd verzameld met vragenlijsten die door de ouders werden ingevuld 2 maanden voor de geboorte, op de leeftijd van 3 maanden en daarna jaarlijks van 1 t/m 8 jaar. Alle hoogrisico kinderen en een steekproef van de laagrisicokinderen kregen een uitgebreide follow-up met bloedmonsters en lichamelijk onderzoek op 1-, 4- en 8-jarige leeftijd (Brunekreef et al., 2002).

ISAAC-studie: internationale studie onder 7-14 jarigen

De ISAAC-studie is een internationale studie bij 6-7 jarigen en 13-14 jarigen die tot doel heeft het verzamelen van gegevens over de prevalentie van astmasymptomen en lichamelijke kenmerken van astma volgens gestandaardiseerde protocollen (Asher et al., 1998). De prevalentie en ernst van luchtwegklachten, astma en allergie zijn in fase I (1991-1995) en fase III (minimaal 3 jaar na fase I) met vragenlijsten onderzocht. Nederland is sinds de tweede fase bij de ISAAC-studie betrokken. In fase II werd bloed afgenomen en werd een longfunctiemeting, een huidtest en een bronchoprovocatietest uitgevoerd. In het serum werd totaal IgE bepaald en werd een multispecifieke Phadiatoptest uitgevoerd. Bij een positieve Phadiatop werd doorgetest op specifiek IgE tegen hond, kat, huisstofmijt, schimmels en grassen. In de huidtest werd getest op sensibilisatie voor hond, kat, huisstofmijt, schimmels, grassen en boompollen. De Nederlandse studie vond plaats bij ongeveer 4.500 kinderen van 7 t/m 12 jaar afkomstig van in totaal 50 basisscholen (Van Vliet et al., 1999, Aarts et al., 1999).

ELON-onderzoek onder volwassenen van 20-69 jaar

Gegevens over het voorkomen van astma en COPD-symptomen bij volwassenen van 20-69 jaar komen uit ELON, het Europees Luchtweg Onderzoek Nederland (Kerkhof et al., 1994; Rijcken et al., 1996). Dit onderzoek werd uitgevoerd in 1991-1992 in de stad Groningen, Westelijk Noord-Brabant (Roosendaal en enkele omliggende plattelandsgemeenten) en de Westelijke Mijnstreek in Limburg (Geleen, Sittard en enkele omliggende plattelandsgemeenten). In totaal 19.661 personen (respons 82%) vulden een screeningsvragenlijst in over astmatische klachten (fase 1). Een steekproef hieruit (2.711 personen; respons 60%) deed mee aan een uitgebreid onderzoek, waarbij een vragenlijst over astmatische en chronische luchtwegklachten en diverse determinanten werd ingevuld en een longfunctie-onderzoek en bronchiale hyperreactiviteitstest werden uitgevoerd (fase 2).

MORGEN-project onder volwassenen van 20-59 jaar

Het MORGEN-project 1993-1997 werd uitgevoerd onder personen uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. In totaal werden 22.500 personen onderzocht met behulp van een schriftelijke vragenlijst en lichamelijk onderzoek (respons 45%). Gegevens over symptomen van astma en COPD werden verzameld met behulp van een verkorte versie van de ELON-vragenlijst. Tijdens het lichamelijk onderzoek werden vanaf 1994 longfunctiemetingen uitgevoerd. Bij een steekproef (1.800 personen) werden bepalingen gedaan van antistoffen tegen allergenen (Tabak & Smit, 2002).

De EC Respiratory Health Survey

In de EC Respiratory Health Survey (ECRHS) zijn gegevens verzameld over het vóórkomen van luchtwegklachten, luchtwegobstructie, bronchiale hyperreactiviteit, allergie en medicatie. De gegevens zijn verzameld in een groot aantal landen van de Europese Unie en daarbuiten, onder mannen en vrouwen van 20-44 jaar. Ze zijn gestandaardiseerd verzameld, waardoor het mogelijk is internationale vergelijkingen te maken (Burney et al., 1996). Het Nederlandse ELON-onderzoek maakte ook deel van uit van de ECRHS.

Zorgregistraties

Huisartsenregistraties

Voor bepaling van de prevalentie en incidentie van astma in de huisartspraktijk zijn de volgende vijf huisartsenregistraties gebruikt:

De vijf huisartsenregistraties verschillen niet alleen in algemene werkwijze van elkaar, maar hanteren elk bij het registreren van astma specifieke regels. Daarom is de betekenis van de cijfers uit de vijf registraties niet altijd gelijk. Zie daarom ook: Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties.

Kanttekeningen bij cijfers uit huisartsenregistraties

Een probleem bij deze registraties (maar ook bij vragenlijstonderzoek in de bevolking) is dat bij het stellen van de diagnose vermenging optreedt met concurrerende diagnosen, bijvoorbeeld de (symptoom)diagnosen hoesten, acute bronchitis, bronchiolitis en longontsteking. Verder moet er bij het bekijken van trends rekening mee worden gehouden dat zich in de loop van de tijd verschuivingen hebben voorgedaan in de voorkeur voor bepaalde terminologie.

Sterftestatistiek

CBS Doodsoorzakenstatistiek

Het betreft hier alleen sterftegevallen met astma (ICD-9 code 493 en ICD-10 codes J45 en J46) of COPD (ICD-9 codes 490-492 en 496, ICD-10 codes J40-J44) als primaire doodsoorzaak(CBS Doodsoorzakenstatistiek).

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Aarts FJH, Vliet PHN van, Janssen NAH, Harssema H, Brunekreef B.Nader onderzoek naar effecten van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging op de luchtwegen van kinderen wonend nabij snelwegen (luchtweg 2). EOH-rapport nr. 1999-486. Wageningen: Environmental and Occupational Health Group, 1999.
  • Asher MI, Anderson HR, Stewart AW, Crane J.Worldwide variations in the prevalence of asthma symptoms: the International Study of Asthma and Allergies in Childhood (ISAAC). Eur Resp J 1998; 12: 315-35.
  • Brunekreef B, Smit J, Jongste J de, Neijens H, Gerritsen J, Postma D, et al.The prevention and incidence of asthma and mite allergy (PIAMA) birth cohort study: design and first results. Pediatr Allergy Immunol, 2002; 13(15): 55-60.
  • Burney P, Chinn S, Jarvis D, Luczynska C, Lai E.Variations in the prevalence of respiratory symptoms, self-reported asthma attacks, and use of asthma medication in the European Community Respiratory Health Survey (ECRHS). On behalf of the ECRHS. Eur Resp J 1996; 9: 687-695.
  • Janssen NAH, Zock PJ, Brunekreef B, Groot B, Rijcken B.Prevalentie van luchtwegklachten bij basisschoolkinderen in Nederland. Tijdschr Soc Gezondheidsz 1994; 72: 3-8.
  • Kerkhof M, Graaf A de, Droste JHJ, Cardynaals RLLM, Monchy JGR, Rijcken B.Prevalentie van astmatische klachten in drie regio's in Nederland. Tijdschr Soc Gezondheidsz 1994; 72: 181-185.
  • Rijcken B, Kerkhof M, Graaf A de, Boezem HM, Droste JHJ, Kremer AM.Europees Luchtweg Onderzoek Nederland (ELON). Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1996.
  • Tabak C, Smit HA. De morbiditeit van astma en COPD in Nederland; leemtes in kennis gevuld. RIVM-rapport nr. 260855005. Bilthoven: RIVM,2002.
  • Vliet PHN van, Aarts FJH, Janssen NAH, Brunekreef B, Fischer PH, Wiechen CMAG van. Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol. RIVM-rapport nr. 441520014; EOH rapport nr 1999-484. Wageningen/Bilthoven: Environmental and Occupational Health Group/RIVM,1999.
  • Wal MF van der, Pauw-Plomp H.Astma bij autochtone en allochtone kinderen van 2-11 jaar in Amsterdam. Rapportnummer JGZ-94-002. Amsterdam: GG&GD, 1994a.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

ICD
International Classification of Diseases
Internationale classificatie van ziekten.
lbo
Lager beroepsonderwijs
mavo
Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
WHO
World Health Organization
Wereldgezondheidsorganisatie. URL: http://www.who.int
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.