Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Downsyndroom
Omvang van het probleem

Hoe vaak komt het Downsyndroom voor en hoeveel mensen sterven eraan?

Ten minste 14 op de 10.000 pasgeborenen heeft het Downsyndroom

In de periode 1997-2007 werden gemiddeld 14 tot 16 per 10.000 kinderen geboren met het Downsyndroom (zie tabel 1). Dit blijkt uit de registraties van de Stichting Perinatale Registratie Nederland (PRN) (Mohangoo et al., 2009). Hierin leggen zorgverleners kort na de geboorte informatie vast over de gezondheid van moeder en kind (zie: Bronbeschrijvingen: PRN versus CBS). De schattingen komen overeen met eerdere verwachtingen (Cornel, 1993). Ook een onderzoek van het Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde (NSCK) naar het vóórkomen van het Downsyndroom onder kinderen tot één jaar bevestigde de schattingen (Weijerman et al., 2008). Het NSCK gebruikte voor dit onderzoek informatie afkomstig van Nederlandse kinderartsen en heeft deze gegevens vergeleken met gegevens van CBS en PRN. Rekening houdend met onderregistratie, zijn op basis van deze gegevens in 2003 in totaal 322 kinderen levend met dit syndroom geboren (16 per 10.000 levendgeborenen). In de onderzoeksgroep van het NSCK was 54% van de met het Downsyndroom geboren kinderen een jongetje. In de referentiegroep (alle levendgeborenen in 2003) was 51% een jongetje (Weijerman et al., 2008).

Grotere kans op miskraam en sterfte rond de geboorte

Vrouwen die in verwachting zijn van een kind met het Downsyndroom hebben een grotere kans op een miskraam. Kinderen met het syndroom hebben een grotere kans op sterfte rond de geboorte (perinatale sterfte). Aan het einde van het eerste trimester van de zwangerschap (11-13 weken) is de kans op een daarna nog optredende miskraam of het krijgen van een doodgeboren kind 43%. Bij een niet aangedane zwangerschap is deze kans 4%. De kans op een miskraam of doodgeboren kind is bij 16-18 weken gedaald naar 23% bij vrouwen met een aangedane zwangerschap (2% bij een niet aangedane zwangerschap) (Gezondheidsraad, 2001). De hogere kans op een miskraam vroeger in de zwangerschap speelt mogelijk een rol bij de keuze tussen een vlokkentest (11-13 weken) of vruchtwaterpuntie (>15 weken) als screeningstest (zie: detailsRisico's van prenatale diagnostiek).

Relatief hoge sterfte onder kinderen met Downsyndroom

Hoewel de neonatale en zuigelingensterfte onder kinderen met het Downsyndroom sterk is gedaald (zie: Neemt het aantal mensen met het Downsyndroom toe of af?), is de sterfte onder kinderen met het Downsyndroom nog sterk verhoogd ten opzichte van kinderen zonder het syndroom. In 2003 overleed 1,65% in de eerste vier weken na de geboorte en 4,03% in het eerste levensjaar. Voor alle levendgeborenen waren deze percentages respectievelijk 0,36% en 0,48% (Weijerman et al., 2008).

Tabel 1: Geboorteprevalentie van het Downsyndroom (Bron: Mohangoo & Buitendijk, 2009; geëxtrapoleerde gegevens van de PRN)

Jaartal

Aantal per 10.000 levend- en doodgeborenen >16 weken

Absolute aantallen

1997

14,6

241

1998

13,5

240

1999

13,3

227

2000

15,2

276

2001

13,8

246

2002

15,5

268

2003

14,0

245

2004

14,5

247

2005

16,2

274

2006

15,0

246

2007

14,9

242

Longontsteking is de belangrijkste doodsoorzaak

Bij mensen met het Downsyndroom zijn longonsteking en andere infecties aan luchtwegen de meest voorkomende doodsoorzaken: in 23-40% van de sterfgevallen (Bittles et al., 2007). Daarnaast zijn per levensfase andere belangrijke doodsoorzaken aan te wijzen. Tot de leeftijd van 40 jaar zijn aangeboren hartaandoeningen een belangrijke doodsoorzaak: in de leeftijdsgroep van 0-18 jaar in 12% van de sterfgevallen en in de leeftijdsgroep van 18-40 jaar in 23% van de sterfgevallen. Mensen met het Downsyndroom ouder dan 40 jaar overlijden vaak aan hart-en vaakziekten (10%) en hart-, nier- en longfalen (9%) (Bittles et al., 2007).

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Bittles AH, Bower C, Hussain R, Glasson EJ.The four ages of Down syndrome. Eur J Public Health, 2007; 17(2): 221-225.
  • Cornel MC.Registration and prevention of congenital anomalies [thesis]. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1993.
  • Gezondheidsraad.Prenatale screening. Downsyndroom, neuralebuisdefecten, routine-echoscopie. Den Haag: Gezondheidsraad, 2001; 11.
  • Mohangoo AD, Buitendijk SE.Aangeboren afwijkingen in Nederland 1997-2007. Gebaseerd op de landelijke verloskundige en neonatologie registraties. Leiden: TNO, 2009; jaargang 34(4)
  • Mohangoo AD, Tamminga P, Bakker BK, Buitendijk SE, Walle HEK de.Aangeboren afwijkingen. Tijdschrift voor Verloskundigen, 2009;: 39-42.
  • Weijerman ME, Furth AM van, Vonk Noordegraaf A, Wouwe JP van, Broers CJ, Gemke RJ.Prevalence, neonatal characteristics, and first-year mortality of Down syndrome: a national study. J Pedriatr, 2008; 152: 15-19.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
URL: http://www.cbs.nl
NSCK
Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde
Een activiteit van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde die is ondergebracht bij TNO Preventie en Gezondheid in Leiden.
PRN
Stichting Perinatale Registraties Nederland
URL: http://www.perinatreg.nl/
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.