U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Gezondheid en ziekte›Ziekten en aandoeningen›Aangeboren afwijkingen›Downsyndroom›Downsyndroom samengevat
In 2007 werd bij 242 kinderen kort na de geboorte het Downsyndroom vastgesteld. Het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. Hoewel de sterfte in de eerste vier weken en het eerste jaar sterk is gedaald, is deze nog altijd verhoogd in vergelijking met kinderen zonder het Downsyndroom. De daling in sterfte is vooral het gevolg van verbeteringen in de behandeling van aangeboren hartafwijkingen en andere ziekten die vaker voorkomen bij kinderen met het syndroom.
De levensverwachting bij geboorte is voor mensen met het Downsyndroom gestegen tot 60 jaar. Tot de leeftijd van 40 jaar zijn aangeboren hartaandoeningen een belangrijke doodsoorzaak. Mensen met het Downsyndroom ouder dan 40 jaar overlijden vaak aan hart-en vaatziekten en hart-, nier- en longfalen. Longontsteking en andere infecties aan luchtwegen zijn echter de meest voorkomende doodsoorzaken.
Mensen met het Downsyndroom hebben relatief vaak bijkomende aangeboren aandoeningen en ziekten, zoals een aangeboren hartafwijking, maag-darmafwijkingen, overgevoeligheid voor gluten, gezichts- en gehoorproblemen, schildklierstoornissen, obesitas, diabetes mellitus en leukemie. Daarnaast hebben ze meer kans op infecties en luchtwegaandoeningen. Doordat mensen met het Downsyndroom sneller verouderen hebben ze vaker al op jonge leeftijd te maken met dementie.
Sinds 2007 krijgen alle aanstaande ouders die dat willen, informatie over de mogelijkheden voor screening op het Downsyndroom. Het is aan de aanstaande ouders om te bepalen of ze gebruik willen maken van de screeningsmogelijkheden en of ze nadere diagnostiek willen bij een verhoogde kans op een kind met het Downsyndroom. Als uit prenatale diagnostiek blijkt dat het kind het Downsyndroom heeft, hebben de aanstaande ouders de mogelijkheid zich voor te bereiden op de geboorte van een kind met het syndroom of om te besluiten tot vroegtijdige zwangerschapsafbreking.
Het Downsyndroom is niet te behandelen. De lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling van kinderen met het Downsyndroom en hun sociale functioneren kan wel gunstig beïnvloed worden. Hiervoor is vroegtijdige diagnostiek en behandeling van de bijkomende aandoeningen en gerichte ontwikkelingsstimulering nodig. Gespecialiseerde, multidisciplinaire Downsyndroomteams coördineren deze zorg. Verspreid over het land zijn er Downsyndroomteams voor kinderen, op enkele plaatsen ook voor volwassenen met het Downsyndroom.
Het is niet te voorspellen of het aantal mensen met het Downsyndroom in de toekomst toe- of afneemt. Door de stijgende leeftijd van de moeders zal het aantal zwangerschappen met het Downsyndroom in Nederland stijgen. Verder zijn de overlevingskansen van pasgeborenen en de levensverwachting van kinderen met het Downsyndroom sterk gestegen, waardoor een stijging van het totaal aantal mensen met het syndroom kan worden verwacht. Door de invoering van prenatale screening kan het aantal prenataal ontdekte kinderen met het Downsyndroom toenemen, wat kan leiden tot een afname van het aantal kinderen dat met dit syndroom wordt geboren.