Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Vroeggeboorten
Geografische verschillen

Vroeggeboorten: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Aantal vroeggeboorten Sterfte Zorg

Aantal vroeggeboorten

Percentage vroeggeboorten in Nederland gemiddeld in EU

In 2004 werd gemiddeld 7,1% van alle levendgeborenen in de EU-25 plus Noorwegen, geboren bij een zwangerschapsduur van 22 tot 37 weken. Dit blijkt uit de tweede Peristat-studie (Tamminga et al., 2009). In Nederland lag het percentage met 7,4% dicht bij het gemiddelde. In Litouwen, Ierland en Finland was het percentage lager en in acht andere landen hoger dan het gemiddelde. In Tsjechië komt vroeggeboorte tot 37 weken het meest voor (12,2%) (Tamminga et al., 2009). In de Verenigde Staten is het percentage vroeggeboorten met 12-13% beduidend hoger dan gemiddeld in de EU (Goldenberg et al., 2008).

Grote verschillen in aantal zeer vroeggeborenen

Internationaal bestaan er grote verschillen in de percentages kinderen die geboren worden tussen de 22ste en 32ste zwangerschapsweek (zeer vroeg geborenen). Van alle levendgeborenen in de Peristat-studie is gemiddeld 1% geboren vóór 32 weken zwangerschap. In Nederland ligt dit percentage op 1,1%; in Duitsland, Oostenrijk, Engeland en Wales ligt dit percentage hoger (Tamminga et al., 2009).

Vergelijkbare verschillen zijn gevonden in de MOSAIC-studie, waarbij in 2003 in tien Europese regio’s gegevens verzameld zijn over vroeggeboorte na een zwangerschapsduur van 22 tot 32 weken. Gemiddeld komt 1% van de kinderen bij deze termijn ter wereld. De variatie is groot: in enkele Engelse regio’s gaat het om 1,3% van alle levendgeborenen, in Nederland om 0,8% (Zeitlin et al., 2005; Zeitlin et al., 2008). Wanneer ook de doodgeborenen worden meegeteld, werd gemiddeld 1,3% van alle kinderen geboren tussen de 22ste en 32ste zwangerschapsweek, met een variatie van 1,7% in enkele Engelse regio’s tot 1,1% in Nederland (Zeitlin et al., 2008). De Nederlandse gegevens zijn afkomstig uit de perinatologische centra van Nijmegen en Utrecht (Gerrits-Kuiper et al., 2008).

Wereldwijd stijging, maar in Nederland daling percentage vroeggeboorten

Wereldwijd stijgt het percentage vroeggeboorten (Goldenberg et al., 2008). Het percentage vroeggeboorten is in Nederland echter gedaald van 8,0% in 2000 naar 7,4% in 2007 (Schaaf et al., 2011). Een deel van de wereldwijde stijging wordt veroorzaakt door het gestegen percentage meerlingen (Goldenberg et al., 2008). In Nederland is het aantal meerlingen sinds 2002 juist gedaald (Garssen, 2008b ). Iets minder dan de helft van alle meerlingen komt te vroeg ter wereld. Dit percentage is in de jaren 2000-2007 in Nederland gelijk gebleven (Schaaf et al., 2011) (zie: Neemt het aantal vroeggeboorten toe of af?: Trends in vroeggeboorte).

Wereldwijd vaker een opgewekte vroeggeboorte

De wereldwijde stijging van het percentage vroeggeboorten is vooral toe te schrijven aan vroeggeboorten die het gevolg zijn van actief medisch handelen in verband met een ernstig probleem dat het noodzakelijk maakt om het kind vervroegd geboren te laten worden. Het gaat dan om situaties waarbij het risico voor het kind ín de baarmoeder groter is dan daarbuiten (Goldenberg et al., 2008). In de periode 2000-2007 nam het aantal geïndiceerde vroeggeboorten in Nederland alleen toe onder meerlingen (Schaaf et al., 2011) (zie: Neemt het aantal vroeggeboorten toe of af?: Trends in vroeggeboorte).

Naar boven


Sterfte

Nederlandse sterftecijfers hoger bij vroeggeborenen jonger dan 32 weken

De sterfte onder kinderen geboren voor de 32ste zwangerschapsweek is in Nederland hoger dan gemiddeld in de MOSAIC-studie. Gemiddeld overleed 14,2% van de gehele groep die geboren is tussen de 22 en 32 weken. Dit varieerde van 7,3% in de deelstaat Hesse in Duitsland tot 21% in de deelnemende Nederlandse en Poolse regio’s (Zeitlin et al., 2008).

De verschillen tussen de extreem/zeer vroeg geboren kinderen (vóór 28 weken zwangerschap) en de minder vroeg geboren kinderen zijn groot. Bij kinderen die geboren zijn tussen de 22 en 28 weken was het percentage overleden kinderen in de MOSAIC-studie gemiddeld 36,3%. De sterfte was het hoogst in Nederland (57,9% van alle kinderen geboren vóór 28 weken zwangerschap). De sterfte onder kinderen geboren ná 28 weken zwangerschap lag veel lager (gemiddeld 5,2%). De variatie in deze groep was kleiner: 3 tot 9,6% van de kinderen geboren tussen 28 en 32 weken zwangerschap overleed. In deze leeftijdsgroep kwam de sterfte in Nederland (6,6%) overeen met het gemiddelde (Zeitlin et al., 2008).

Meer terughoudendheid in Nederland bij geboorte vóór 26 weken zwangerschap

Een mogelijke verklaring voor de hogere sterfte onder extreem vroeggeborenen in Nederland is dat Nederland in 2003 een afwachtender verloskundig en neonatologisch beleid hanteerde bij dreigende vroeggeboorte tussen 24 en 26 weken dan de andere landen in de MOSAIC-studie. In Nederland vond vóór de geboorte minder overplaatsing naar een perinatologisch centrum plaats, werden minder vaak corticosteroïden toegediend om de longen sneller te laten rijpen en werd minder vaak een keizersnede uitgevoerd (Kollée et al., 2009). Vanaf 26 weken werden de verschillen kleiner en kwam het Nederlands beleid meer overeen met dat in andere landen. In de MOSAIC-studie bleek actieve behandeling van zeer vroeg geboren kinderen gepaard te gaan met lagere sterfte in de gehele onderzoeksgroep, zonder de cerebrale morbiditeit te verhogen. De chronische longschade nam wel toe (Kollée et al., 2009).

Naar boven


Zorg

Geen duidelijke definitie van NICU-zorg

Vanaf midden jaren zeventig van de vorige eeuw worden te vroeg geboren kinderen in Scandinavische landen opgevangen in gespecialiseerde perinatologische centra. Nederland volgde dit voorbeeld, wat in 1987 werd geformaliseerd (zie: Welke zorg gebruiken patiënten en wat zijn de kosten?). In Frankrijk, Denemarken en Polen duurde dit tot midden jaren negentig (Blondel et al., 2009). In 2003 was er nog geen internationale consensus over de eisen waaraan een NICU moet voldoen, zoals het minimum aantal opnamen, de beschikbaarheid van verschillende behandelingsmogelijkheden of de continue aanwezigheid van een neonatoloog (Van Reempts et al., 2002).

Niet overal een combinatie van verloskundige high-care en NICU-faciliteiten

In Nederland kwam in 2003 driekwart (75%) van de kinderen tussen 24 en 31 weken ter wereld in een centrum met zowel verloskundige high-care als NICU-faciliteiten (Blondel et al., 2009). Dit is hoger dan het gemiddelde in de MOSAIC-studie (64%).

Uit de MOSAIC-studie blijkt een grote internationale variatie in de beschikbaarheid en gebruik van verloskundige high-care en NICU-faciliteiten met jaarlijks minstens 50 NICU-opnamen van pasgeborenen tussen 22 en 32 weken. In 2003 bleken deze faciliteiten niet overal gekoppeld te zijn. In Portugal bijvoorbeeld, is alle perinatale zorg geconcentreerd in ziekenhuizen met minimaal 1.500 bevallingen per jaar. Meer dan 90% van alle kinderen in Portugal geboren na een zwangerschapsduur tussen de 24 en 31 weken wordt geboren in een ziekenhuis met verloskundige high-care en 46% in een ziekenhuis dat ook beschikt over een NICU.

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Blondel B, Papiernik E, Delmas D, Kunzel W, Weber T, Maier RF, Kollee L, Zeitlin J.Organisation of obstetric services for very preterm births in Europe: results from the MOSAIC project. BJOG 2009; 116(10): 1364-72
  • Garssen J.Minder tweelingen. CBS Webmagazine, 22 december 2008. Den Haag/ Heerlen, 2008b.
  • Gerrits-Kuiper JA, Heus R de, Brouwers HAA, Visser GHA, Ouden AL den, Kollée LAA.Op de grens van levensvatbaarheid: Nederlands verwijsbeleid bij vroeggeboorte te terughoudend. Ned Tijdschr Geneeskd, 2008; 152(7): 383-8.
  • Goldenberg RL, Culhane JF, Iams JD, Romero R.Epidemiology and causes of preterm birth. Lancet 2008; 371(9606): 75-84
  • Kollée LA, Cuttini M, Delmas D, Papiernik E, den Ouden AL, Agostino R, Boerch K, Breart G, Chabernaud JL, Draper ES, Gortner L, Kunzel W, Maier RF, Mazela J, Milligan D, Van Reempts P, Weber T, Zeitlin J.Obstetric interventions for babies born before 28 weeks of gestation in Europe: results of the MOSAIC study. BJOG 2009; 116(11): 1481-91
  • Reempts P van, Gortner L, Milligan D, Cuttini M, Petrou S, Agostino R, et al.Characteristics of neonatal units that care for very preterm infants in Europe: results from the MOSAIC study. Pediatrics, 2002; 120(4): e815-825.
  • Schaaf J, Mol B, Abbu-Hanna A, Ravelli A.Trends in preterm birth: singleton and multiple pregnancies in the Netherlands, 2000–2007. BJOG, 2011; doi: 10.1111/j.1471-0528.2011.03010.x.
  • Tamminga P, Rijninks-van Driel G, Mohangoo AD, Hukkelhoven CW, Nijhuis JG, Buitendijk SE, et al.Neonatale uitkomsten. Tijdschrift voor Verloskundigen, april 2009;: 30-36.
  • Zeitlin J, Draper ES, Kollee L, Milligan D, Boerch K, Agostino R, Gortner L, Van Reempts P, Chabernaud JL, Gadzinowski J, Breart G, Papiernik E.Differences in rates and short-term outcome of live births before 32 weeks of gestation in Europe in 2003: results from the MOSAIC cohort. Pediatrics 2008; 121(4): e936-44
  • Zeitlin J, Papiernik E, Bréart G, Draper E, Kollée L.MOSAIC Research Group. Presentation of the European project models of organising access to intensive care for very preterm births in Europe (MOSAIC) using European diversity to explore models for the care of very preterm babies. Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol, 2005; 118(2): 272-274.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

EU-25
De 25 landen die tussen 1 april 2004 en 1 januari 2007 de Europese Unie vormden
België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden.
NICU
Neonatale intensive care unit
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.