Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Vroeggeboorten
Omvang van het probleem

Hoe vaak komt vroeggeboorte voor en hoeveel kinderen sterven eraan?

In 2008 ongeveer 13.600 vroeggeborenen

Vroeggeboorte komt bij ongeveer 77 per 1.000 levend- en doodgeboren kinderen voor (Stichting PRN, 2011). In 2008 kwamen in Nederland 13.649 kinderen vóór de 37e zwangerschapsweek ter wereld (levend- en doodgeborenen), waarvan een vijfde (2.637) vóór de 32ste zwangerschapsweek (zie tabel 1).

Veel overleden kinderen zijn te vroeg geboren

Van de 1.672 kinderen die in 2008 voor de geboorte of tijdens de eerste maand na de geboorte zijn overleden, was bijna driekwart (1.184) te vroeg geboren. Bij 613 (37%) van deze kinderen was sprake van een extreem korte zwangerschapsduur van 22 tot 25 weken, 334 (20%) kinderen werden geboren na een zeer korte zwangerschapsduur van 25 tot 32 weken en 237 kinderen werden geboren bij een zwangerschapsduur van 32 tot 37 weken (zie tabel 2).

Overlevingskans stijgt met iedere extra week

De kans op overleven is klein voor zeer vroeg geboren kinderen. Met iedere week dat de zwangerschap langer duurt, stijgt de kans op overleven. Een kind dat geboren wordt bij 24 weken heeft minder dan 10% kans om te overleven. Twee weken later is de kans op overleven al verhoogd tot 45% en bij 28 weken tot bijna 70%. Dit blijkt uit een analyse van PRN-gegevens over 2000 tot 2006 (Bonsel et al., 2010).

Belangrijkste doodsoorzaak hangt af van zwangerschapsduur

Te vroeg geboren kinderen worden vaak op neonatale intensive care units (NICU’s) opgenomen: 91% van alle kinderen jonger dan 32 weken en 23% van alle kinderen jonger dan 37 weken ligt een of enkele dagen op een NICU (Stichting PRN, 2011). Bij kinderen die overlijden op de NICU-afdelingen verschilt de doodsoorzaak naar zwangerschapsduur (zie figuur 1). Bij de vroeg geboren kinderen tussen 31 en 36 weken zijn aangeboren afwijkingen en infecties de belangrijkste doodsoorzaken. Onder een zwangerschapsduur van 30 weken zijn extreme vroeggeboorte en daaraan gerelateerde ziekten zoals necrotiserende enterocolitis (NEC) en sepsis, de voornaamste oorzaken (Verhagen, 2009).

Verschil in voorkomen van vroeggeboorte tussen verschillende etnische groepen

De kans op vroeggeboorte is niet voor alle etnische groepen even groot. Gekoppelde gegevens van gynaecologen, verloskundigen en kinderartsen (PRN) over 554.234 eenlingzwangerschappen in de jaren 2000-2006 laten zien dat 7,6% van hen werd geboren voor de 37ste zwangerschapsweek. Onder Nederlandse vrouwen lag dat percentage op 7,8%, onder vrouwen uit Afrika en Zuid-Azië op respectievelijk 8,9% en 9,5% (Ravelli et al., 2010).

Marokkaanse vrouwen die deelnamen aan een langlopend cohortonderzoek in Amsterdam (ABCD-studie) bleken minder vaak te vroeg te bevallen dan de gehele groep (4,1% versus 5,5%). Surinaamse, Antilliaanse en Ghanese vrouwen hadden ook na correctie voor risicofactoren een grotere kans op vroeggeboorte. Dit is waarschijnlijk te verklaren door een cumulatie van verschillende medische en sociale risicofactoren die ieder afzonderlijk niét, maar gezamenlijk wél leiden tot verhoogde risico’s. Waar Nederlandse vrouwen gemiddeld 1,8 risicofactoren hebben voor vroeggeboorte, varieert dit bij Surinaamse, Antilliaanse en Ghanese vrouwen tussen de 3,3 en 3,7 (Goedhart et al., 2008).

Tabel 1: Aantal levend- en doodgeborenen naar zwangerschapsduur in 2008 (Bronnen: Stichting PRN, 2011; Stuurgroep, 2009).

Zwangerschapsduur

Levend- en doodgeborenen

weken

aantal

percentage

22-24

630 a

0,4

25-31

2.007

1,1

32-36

11.012

6,2

≥ 37

162.625

91,5

onbekend

1.439

0,8

totaal

177.713

100,0

a inclusief kinderen met een geboortegewicht van minder dan 500 gram

Figuur 1: Belangrijkste doodsoorzaken bij kinderen die binnen twee maanden na de geboorte overlijden op een NICU (oktober 2005-september 2006) (Verhagen, 2009).

doodsoorzaken pasgeborenen_NICU_2005_2006

Tabel 1: Perinatale sterfte naar zwangerschapsduur, voor, tijdens en na de bevalling in 2008 (Bron: Stichting PRN, 2011).

Zwangerschapsduur in weken

Aantal geborenen a

Foetale sterfte

Neonatale sterfte

Perinatale sterfte (= foetale + neonatale sterfte)

voor de geboorte

tijdens baring

totaal

vroeg (0-7 dagen)

totaal (0-28 dagen)

tot en met dag 7

tot en met dag 28

aantal

aantal

aantal

aantal

aantal

aantal

per 100 geborenen

aantal

per 1.000 geborenen

22-24

630

263

125

388

222

225

610

96,8

613

973,0

25-31

2.007

216

18

234

66

100

300

14,9

334

166,4

32-36

11.012

164

11

175

58

62

233

2,1

237

21,5

≥ 37

162.625

266

55

321

122

137

443

0,3

458

2,8

Onbekend

1.430

13

5

18

11

12

29

2,0

30

21,0

Totaal

177.704

922

214

1.136

479

536

1.615

0,9

1.672

9,4

a exclusief kinderen met een geboortegewicht van minder dan 500 gram

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Bonsel GJ, Birnie E, Denktas S, Poeran J, Steegers EAP.Lijnen in perinatale sterfte. Signalementstudie Zwangerschap en Geboorte 2010. Rotterdam: Erasmus MC 2010.
  • Goedhart G, van Eijsden M, van der Wal MF, Bonsel GJ.Ethnic differences in preterm birth and its subtypes: the effect of a cumulative risk profile. BJOG 2008; 115(6): 710-9
  • Ravelli AC, Tromp M, Eskes M, Droog JC, Post JA van der, Jager KJ, et al.Ethnic differences in stillbirth and early neonatal mortality in The Netherlands. J Epidemiol Community Health, 2010; [Epub ahead of print].
  • Stichting PRN, Stichting Perinatale Registratie Nederland.Perinatale zorg in Nederland 2008. Utrecht: Stichting PRN, 2011.
  • Stuurgroep, Stuurgroep zwangerschap en geboorte.Een goed begin. Veilige zorg rond zwangerschap en geboorte. Utrecht, 2009.
  • Verhagen AAE.End-of-life decisions in Dutch neonatal intensive care units. Rijksuniversiteit Groningen. Zutphen; uitgeverij Paris: 2009.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

NICU
Neonatale intensive care unit
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.