Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Sterfte rond de geboorte
Definitie en determinanten

Welke factoren beïnvloeden de sterfte rond de geboorte?

Risicofactoren perinatale sterfte hebben deels met moeder, deels met kind te maken

Risicofactoren voor perinatale sterfte zijn te onderscheiden naar factoren bij moeder en kind (Richardus et al., 1998; Waelput & Achterberg, 2007b; Smith & Fretts, 2007). De belangrijkste risicofactoren staan in tabel 1.

Een aantal risicofactoren voor sterfte rond de geboorte is niet of moeilijk beïnvloedbaar (geslacht van het kind, etniciteit, leeftijd van de moeder). Risicofactoren kunnen met elkaar samenhangen of elkaar versterken: zwangeren die roken hebben én meer kans op een doodgeboren kind én meer kans op een te vroeg geboren kind, wat opnieuw een risicofactor is voor sterfte.

Sommige risicofactoren komen weinig voor, maar hebben veel impact

De belangrijkste risicofactoren voor perinatale sterfte in Nederland zijn: ernstige vroeggeboorte, aangeboren afwijkingen en niet-westerse afkomst.

Van alle kinderen wordt 0,3% geboren bij een zwangerschapsduur van 22-26 weken. Deze kleine groep draagt voor ongeveer 30% bij aan de totale perinatale sterfte. Iets meer dan een vijfde (21%) van alle overleden kinderen heeft een ernstige aangeboren aandoening, terwijl dit maar bij 2,3% van alle geboorten voorkomt. Hoewel maar 16% van alle zwangeren van niet-westerse afkomst is, hebben zij een aandeel van 22% in de perinatale sterfte.

Ook jongere en oudere vrouwen of vrouwen met een vijfde kind of meer (samen minder dan 3% van alle zwangeren) hebben een verhoogd risico op perinatale sterfte. Dit blijkt uit gegevens uit de Landelijke Verloskunde en Neonatologie Registraties (PRN) over de periode 2000-2006 (Ravelli et al., 2008).

Voor kinderen die op tijd geboren worden is het risico op perinatale sterfte het laagst (2,8 per 1.000 geboorten). Omdat het grootste deel van de zwangerschappen (92%) hieronder valt, dragen deze kinderen voor ruim een kwart (26%) bij aan de totale sterfte (Ravelli et al., 2008).

Zowel vermijdbare als niet-vermijdbare risicofactoren voor wiegendood

Laag geboortegewicht, vroeggeboorte, een moeder jonger dan 20 jaar, mannelijk geslacht en lagere sociaaleconomische status zijn ‘niet vermijdbare’ risicofactoren voor wiegendood. Het kind wordt met deze kenmerken geboren.

Vermijdbare risicofactoren zijn:

  • primaire buikligging;
  • dekbedgebruik;
  • roken door de moeder;
  • roken door de vader;
  • in een box zonder toezicht;
  • gewoonlijk samen in één bed slapen met een of beide ouders;
  • alleen in een groot bed slapen.

In een eigen bed bij de ouders op de kamer slapen verlaagt de kans op wiegendood. Ook borstvoeding en gebruik van een speen lijken gunstig te werken (Flinsenberg et al., 2008).

Verhoogde kans op perinatale sterfte voor meerlingen

Het gebruik van vruchtbaarheidsbehandelingen, zoals IVF, vergroot de kans op meerlingen. Bij een meerlingzwangerschap is de kans op perinatale sterfte verhoogd.

Leeftijd en allochtone herkomst moeder beïnvloeden kans op moedersterfte

Hogere leeftijd van de moeder, allochtone herkomst van de moeder, keizersneden en een hoog kindertal (drie kinderen of meer) zijn de belangrijkste risicofactoren voor moedersterfte. Ook vrouwen met obesitas en een chronische aandoening zoals cardiovasculaiere aandoeningen of diabetes hebben een grotere kans op moedersterfte (Schutte, 2010). Met uitzondering van een hoog kindertal is de prevalentie van de risicofactoren toegenomen (Schuitemaker, 1998, Rietberg et al., 2005).

Preventieve maatregelen om de sterfte rond de geboorte te verlagen

Voorlichting over de beschermende werking van een aantal maatregelen kan bijdragen aan een verlaging van de sterfte rond de geboorte. Voorbeelden zijn foliumzuurgebruik om de kans op een kind met een neuraalbuisdefect te verlagen (Lumley et al., 2002), of verandering van de slaaphouding van pasgeboren ter preventie van wiegendood (De Jonge & Hoogenboezem, 2005). Soms worden hiervoor specifieke programma’s ontwikkeld, waaronder foliumzuurcampagnes (zie Erfocentrum, slik eerst foliumzuur) of stoppen-met-roken instrumenten voor zwangeren (zie Typen rookinterventies).

Tabel 1: Risicofactoren voor het optreden van perinatale sterfte.

Risicofactor

Kans/risico op perinatale sterfte

Moeder

leeftijd van de moeder

RR*= 1,7 voor vrouwen jonger dan 20 jaar of ouder dan 40 jaar a

alleenstaand ouderschap

lage sociaaleconomische status

wonen in een 'prachtwijk' b

overgewicht (BMI 25,0-29,9) en obesitas (BMI ≥ 30)

roken tijdens de zwangerschap

RR = 1,5 c

etniciteit

RR = 1,4 voor vrouwen van niet-westerse afkomst a d

bepaalde (chronische) ziekten of aandoeningen bij de zwangere

voorbeelden: infectieziekten, diabetes mellitus of hoge bloeddruk

bijzonderheden in de verloskundige voorgeschiedenis

voorbeelden: perinatale sterfte of complicaties tijdens een eerdere zwangerschap en bevalling

Kind

rangnummer

RR* = 2,4 voor het vijfde kind of later a

geslacht van het kind

RR* = 1,1 voor jongetjes a

meerlingzwangerschap

vroeggeboorte < 37 weken

laag geboortegewicht < 2500 gram

ernstige aangeboren afwijkingene

RR* = 22,2 a

RR = relatief risico

RR* = ongecorrigeerd relatie risico bij eenlingen

a Ravelli et al., 2008

b De Graaf et al., 2008

c Achterberg & Kramers, 2001

d Garssen & Van der Meulen, 2004

e Afwijkingen die niet met het leven verenigbaar zijn (zoals de afwezigheid van nieren) of die een grote kans op vroegtijdig overlijden geven

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Achterberg PW, Kramers PGN. Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit een internationaal perspectief. RIVM-rapport nr. 271558003. Bilthoven: RIVM,2001.
  • Flinsenberg TWH, Ruys JH, Engelberts AC, Velzen-Mol HWM van.Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood'. Ned Tijdsch Geneesk, 2008; 152(24): 1370-5.
  • Garssen J, Meulen A van der.Ontwikkelingen rond de perinatale sterfte. CBS Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2004. Voorburg/Heerlen: CBS, 2004.
  • Graaf JP de, Ravelli ACJ, Wildschut HIJ, DenktaŞ S, Voorham AJJ, Bonsel GJ, et al.Perinatale uitkomsten in de vier grote steden en de prachtwijken in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd., 2008; 152(50): 2734-40.
  • Jonge G. de, Hoogenboezem J.Een kwart eeuw wiegendood in Nederland. CBS-Bevolkingstrends, 2005; (3): 57-63.
  • Lumley J, Watson L, Watson M, Bower C.Periconceptional supplementation with folate and/or multivitamins for preventing neural tube defects (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library, 2002; 4.
  • Ravelli ACJ, Eskes M, Tromp M, Huis AM van, Steegers EAP, Tamminga P, et al.Perinatale sterfte in Nederland 2000-2006; risicofactoren en risicoselectie. Ned Tijdschr Geneeskd, 2008; 152(50): 2728-33.
  • Richardus JH, Graafmans WC, Verloove-Vanhorick SP, Mackenbach JP.The perinatal mortality rate as an indicator of quality ofcare in international comparisons. Med Care, 1998; 36(1): 54-66.
  • Rietberg CC, Elferink-Stinkens PM, Visser GH.The effect of the Term Breech Trial on medical intervention behaviour and neonatal outcome in The Netherlands: an analysis of 35,453 term breech infants. BJOG, 2005; 112(2): 205-9.
  • Schuitemaker NWE.Confidential enquiry into maternal deaths in The Netherlands 1983-1992. Leiden: Rijksuniversiteit Leiden, 1998.
  • Schutte JM.Safe Motherhood. Confidential enquiries into maternal deaths in the Netherlands 1993-2005 (proefschrift). Amsterdam, 2010.
  • Smith GC, Fretts RC.Stillbirth. Lancet, 2007; 370(9600): 1715-25.
  • Waelput AJM, Achterberg PW.Etniciteit en zorg rondom zwangerschap en geboorte: een verkenning van Nederlands onderzoek. RIVM-rapport nr. 270032004. Bilthoven: RIVM, 2007b.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

IVF
In Vitro Fertilisatie
Methode waarbij eicellen, door middel van een punctie uit de eierstokken van de vrouw worden gehaald en buiten het lichaam worden bevrucht (reageerbuisbevruchting). Daarna worden de bevruchte eicellen in de baarmoeder geplaatst met als doel een zwangerschap tot stand te brengen.

Definities

Moedersterfte
Aantal vrouwen overleden ten gevolge van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed (binnen 42 dagen na beëindiging van een zwangerschap). Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen.
Perinatale sterfte
Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste levensweek. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en vroeg neonatale sterfte).
Prevalentie
Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.
Wiegendood
Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen).
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.