Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Sterfte rond de geboorte
Omvang van het probleem

Neemt de sterfte rond de geboorte toe of af?

Daling van de perinatale sterfte zet door

De perinatale sterfte was in de jaren vijftig van de vorige eeuw in Nederland veel hoger dan nu. Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw is de perinatale sterfte sterk gedaald. In de periode 1980-1997 heeft die daling zich minder sterk doorgezet. Vanaf 1997 is er nog steeds sprake van een daling, maar deze is nog minder sterk dan in de voorafgaande periode. Deze trend is zowel bij de doodgeboorte als bij de sterfte in de eerste week na de geboorte (vroeg-neonatale sterfte) zichtbaar (zie figuur 1 en detailstrendcijfers over de perinatale en zuigelingensterfte). In de jaren 2002-2004 is de perinatale sterfte sterker gedaald. Met uitzondering van een eenmalige lichte stijging in 2005 zet de daling zich verder voort (CBS StatLine).

Gegevens uit de gekoppelde Landelijke Verloskunde en Neonatologie Registraties gynaecologen, verloskundigen en kinderartsen van de PRN laten een vergelijkbare daling van de perinatale sterfte zien.

Zie:detailsBronbeschrijving: PRN versus CBS

Sterftedaling ook bij kinderen tussen 4 weken en 1 jaar oud

De daling van de perinatale sterfte heeft niet geleid tot een verschuiving van sterfte naar een later tijdstip in het eerste levensjaar. Naast het aantal doodgeboorten (vanaf 24 en 28 weken) en de vroeg-neonatale sterfte (eerste week na de geboorte) daalde ook de sterfte in de eerste vier weken (neonatale sterfte) en het eerste levensjaar (zuigelingensterfte) (zie figuur 1).

Figuur 1: Trends in de perinatale sterfte (≥ 24 weken of 28 weken) a en in de zuigelingensterfte b in de periode 1980-2009 c (Bron: CBS StatLine).

trend_perinatale sterfte_1980_2009

a Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 24 of 28 weken of meer en sterfte in eerste levensweek (per 1.000 levend- en doodgeborenen).

b Aantal overledenen in het eerste levensjaar (per 1.000 levendgeborenen).

c De periode 1980-2000 is in de figuur weergegeven met stappen van tien jaar, de periode 2000-2009 in stappen van één jaar.

Wiegendood blijft op laag niveau

In de jaren zeventig steeg in Nederland de sterfte aan wiegendood (Van Velzen-Mol et al., 1997). Na het bekend worden van de relatie met buikligging wordt sinds 1987 in Nederland geadviseerd om baby’s niet meer op hun buik, maar op de rug te leggen. Sindsdien is het aantal gevallen van wiegendood in Nederland snel gedaald. Begin jaren negentig werden meer risicofactoren ontdekt en de adviezen daarop aangepast (zie ook: Welke factoren beïnvloeden de sterfte rond de geboorte?). Dit leidde opnieuw tot minder overlijden door wiegendood (De Jonge & Hoogenboezem, 2005; Flinsenberg et al., 2008). Sinds midden jaren negentig is deze sterfte op een laag niveau (zie: detailstrendcijfers over wiegendood).

Moedersterfte sinds 1975 varieert

Vanaf midden jaren zeventig schommelt het aantal sterfgevallen tussen de 8 en 23 vrouwen per jaar, terwijl er in 1950 nog 237 sterfgevallen waren. Vanwege de kleine aantallen zijn trends in de moedersterfte alleen over langere perioden waar te nemen (Schutte et al., 2005). De moedersterfte in Nederland is de afgelopen jaren toegenomen van 9,7 moeders per 100.000 levend geboren kinderen in de periode 1983-1992 tot gemiddeld 12,1 per 100.000 levend geboren kinderen in de 1993-2005 (Schutte et al., 2010a).

De belangrijkste oorzaken voor moedersterfte zijn (pre-)eclampsie, trombo-embolie en sepsis (Schutte et al., 2005). De zogenoemde indirecte moedersterfte onder vrouwen met een onderliggende ziekte, zoals door hart- en vaatziekten, neemt toe (Schutte et al., 2010a; Schutte et al., 2010b).

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Flinsenberg TWH, Ruys JH, Engelberts AC, Velzen-Mol HWM van.Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood'. Ned Tijdsch Geneesk, 2008; 152(24): 1370-5.
  • Jonge G. de, Hoogenboezem J.Een kwart eeuw wiegendood in Nederland. CBS-Bevolkingstrends, 2005; (3): 57-63.
  • Schutte JM, Boer K de, Briët JW, Pel M, Santema JG, Schuitemaker NWE, et al.Moedersterfte in Nederland: het topje van de ijsberg. NTOG, 2005; 118(5): 89-91.
  • Schutte JM, Jonge L de, Schuitemaker NW, Santema JG, Steegers EA, Roosmalen J van.Indirect maternal mortality increases in the Netherlands. Acta Obstet Gynecol Scand, 2010b; 89(6): 762-768.
  • Schutte JM, Steegers EA, Schuitemaker NW, Santema JG, Boer K de, Pel M, et al.Rise in maternal mortality in the Netherlands. BJOG, 2010a; 117(4): 399-406.
  • Velzen-Mol HW van, Burgmeijer RJ, Hofkamp M, Ouden AL den.Consensus preventie van wiegendood. Ned Tijdschr Geneeskd, 1997; 141(37): 1779-83.

Begrippen en afkortingen

Definities

Neonatale sterfte
Aantal overledenen in de eerste 4 levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
Perinatale sterfte
Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste levensweek. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en vroeg neonatale sterfte).
Vroeg-neonatale sterfte
Aantal overledenen in eerste levensweek. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
Wiegendood
Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart (per 1.000 levendgeborenen).
Zuigelingensterfte
Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van neonatale en post-neonatale sterfte). Deze wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.6.1, 31 januari 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.